Het Italië van de Balkan

Je zou het de generale repetitie voor de wereldreis in 2016 kunnen noemen. Voor het eerst op pad met de nieuwe Volkswagenbus, dwars over de Balkan door in totaal elf landen en ruim een maand van huis. Wat kan er misgaan in Turkmenistan als dit allemaal goed zou gaan? Maar, zoals het hoort bij een generale repetitie, liep het niet allemaal op rolletjes. De eerste etappe, in 1650 kilometer van Drenthe naar Nationaal Park Krka in Kroatië, moest 15 uur duren. Dat het iets langer zou worden was al snel duidelijk. Met kinderen die speelgoed lieten vallen, Eva die niet topfit was, Rune die de boel onderkotste en Ilva die niet zonder Eva achterin wilde zitten, stopten we gemiddeld om het half uur. De tijd die wel rijdend werd doorgebracht viel de regen met bakken uit de lucht, wat de snelheid ook enigszins drukte. Bang om achter het stuur in slaap te vallen was ik niet met zoveel opborrelende frustratie. Toen het gespuis achterin eindelijk in slaap viel trapte ik het gaspedaal in om op een cocktail van energiedrank, koffie en ingehouden drift Oostenrijk diep in te rijden voor er weer een teken van leven van de achterbank kwam.

Stukken leuker dan Plitvice (EH)

Iets drie keer doen maakt het niet automatisch tot een hobby. In Slovenië hoefden we deze keer niet zo nodig te stoppen. Met nog slechts een slordige 400 kilometer te gaan waren we er toch al haast. De misère van de heenreis was snel vergeten bij een halve liter bier en het eerste bord ćevapčići van de vakantie. En als dat niet afdoende was geweest, dan hadden we altijd nog het aanstekelijke enthousiasme van Rune. “Oh kijk! Een bankje! En blauwe lucht! De zon schijnt! Ik ben heel blij!” Nationaal Park Krka was dan ook prachtig. Met helder turquoise water vol vissen (Rune wilde elk exemplaar graag vijf minuten lang observeren), de zeventien watervallen bij Skradinski buk en de Krka die tussen rotsachtige kusten en groene heuvels naar het kleine kloostereilandje Visovac kronkelde, was hier genoeg te zien. Extra pluspunt was dat daar vreemd genoeg minder mensen van overtuigd waren dan het aantal toeristen dat het eveneens prachtige, maar toch inferieure Plitvice bezocht. Bovendien mocht je hier bij de watervallen zwemmen. Een zwemplek die zich wat mij betreft kon meten met persoonlijke favorieten Tjørnuvík op de Færøer en Syri i kaltër in Albanië.

Maar laten we het niet mooier maken dan het was: Krka was nog lang geen Bosnië. Ja, je mocht er zwemmen, maar het zwemparadijs was keurig afgebakend, Om de houten wandelpaadjes en souvenirkraampjes kon je evenmin heen: de Kroaten hadden hun zaakjes goed geregeld. Bij Kravice in Bosnië daarentegen was van een toeristische infrastructuur nauwelijks sprake. Waar je moest parkeren was voor meerdere interpretaties vatbaar en wie over de wankele houten planken het meertje overstak, diende een stuk door het water te waden. Van stromende regen was geen sprake meer, maar het was nog altijd frisjes toen we bij de watervallen aankwamen. Het kon de Bosniërs niet bommen: een chaotische mensenmassa had zich in uiteenlopende poses bij de watervallen gepositioneerd. Als kale Balkanmacho demonstrerend dat kou je niet deert, douchend met het water van metershoog op je hoofd klaterend, bevallig in bikini op een rots in het meer of gewoon met uitlubberende vetkwabben beeldvullend met de camera in panoramastand.

Dat heeft Kroatië niet (JS)

Kravice lag op een steenworp van werelderfgoedstad Mostar. Waar in Kroatische steden nauwelijks sporen meer zichtbaar zijn van de oorlog, was het conflict van twintig jaar geleden nog altijd gezichtsbepalend in deze met fosforbommen beschoten stad. Tussen de ogenschijnlijk tolerantie uitstralende mix van christelijke en moslim-Ottomaanse architectuur werden talloze ruïnes door onkruid overwoekerd. Het is hardleers volk op de Balkan, want in de haatcampagnes in de aanloop naar verkiezingen later dit jaar waren de deelnemers opnieuw uit op tweedracht en werd er volop met modder gesmeten. “Moslims zeiden dat…” Het was kiezen tussen slechte en nog slechtere politici, verzuchtte onze gastvrouw Maria. De onvrede over de hoge werkloosheid leidde eerder dit jaar al tot onrust in Tuzla, waar een boze menigte overheidsgebouwen in brand stak. Wie de schade zou betalen? De belastingbetaler natuurlijk. Ook in Mostar gingen duizend mensen de straat op en werden branden gesticht, vertelde ze.

Het was op deze zonnige dag moeilijk voor te stellen dat heel Bosnië een mijnenveld was waar maar iemand een verkeerde stap hoefde te zetten om de boel te laten exploderen. Toeristen dromden samen op de gerestaureerde Stari most, waar waaghalzen van de plaatselijke duikclub in de 25 meter lager stromende Neretva doken. Verkopers probeerden hun prullaria aan de voorbij golvende meute te slijten. Als hier al sprake was van diepgewortelde ontevredenheid, dan bleven de frustraties onder het oppervlak verborgen. Op een enkele uitspraak op een terras na: “Zonder zee zouden zij het net zo slecht of slechter doen dan wij,” gaf een Bosniër af op de Kroaten. Na het zien van Krka en Kravice nam ik die opmerking met een flinke korrel zout.

Drink met mate (JS)

Kroatië heeft stranden, maar de indrukwekkende Ottomaanse erfenis van Hercegovina is veel interessanter. Mostar had zijn Koski Mehmed Paša moskee en naast de Stari most ook een stenen boogbruggetje dat de bombardementen wel overleefd had, de Kriva ćuprija; het nabijgelegen Blagaj had zijn tekke. Onder een 200 meter hoge klif keek dit derwisjhuis uit over de bron van de rivier Buna. Op het terras werd tijdens de Ramadan niets geschonken en daar hadden we ons beter bij neer kunnen leggen. In plaats daarvan kregen we binnen in het theehuis een ijzersterk bakje thee. Reden genoeg om de islam alleen hierom al de rug toe te keren, maar de vijgen, rozendrank en tufahija die we later in Počitelj kregen stemden milder. Ook deze plaats vonden de mensen van UNESCO interessant genoeg om op de lijst van werelderfgoed op te nemen, maar misschien was Počitelj met zijn moskee, kerk, fort, hammam en Ottomaanse huizen nog wel mooier dan Mostar. In ieder geval mooier dan het weer onderweg naar de Kroatische grens. “Ik hoor een regenboog,” verkondigde Rune. In deze onweersbui stonden we een uur te wachten voor we eindelijk, zonder ook maar een paspoort te hoeven laten zien, de Europese Unie weer in mochten.

Dat we weer in de EU waren zouden we weten ook. Op camping Prapratno betaalden we €30 voor één nachtje. Net zoveel als voor een heel appartement in Mostar. Waar voor je geld kreeg je niet – Kroatië is echt het Italië van de Balkan. Er was niet eens een speeltuin en een hek voorkwam keurig dat we zomaar het strand op zouden lopen. Wel had ik al snel twee blonde vrouwen op bezoek in de camper toen Eva even weg was met de kinderen, maar ook dat klinkt mooier dan het was. Pas de volgende avond, na vier dagen Balkan, kreeg ik eindelijk mijn eerste glas sterke drank. En wat voor één! De eigenaar van éénsterrencamping Ropa op het eiland Mljet bood me direct een glaasje aan toen ik belangstelling toonde in zijn hobby. Net als Dugi otok moest Mljet het hebben van natuur en buiten het hoogseizoen zat er voor veel eilandbewoners weinig anders op dan er een eigen hobbydestilleerderij op na te houden. Het resultaat was helaas travarica. Ah, travarica! De pisgele kruidenrakija riep mooie herinneringen op aan een avondje vertier in Slovenië. De medicinale geur klopte helemaal en uit nostalgische overwegingen kocht ik graag een fles van dit bocht.

Op naar Montenegro (JS)

De belangrijkste reden om naar Mljet te gaan was gelukkig niet travarica, maar het nationale park dat een groot deel van het beboste eiland beslaat. Twee zoutwatermeren, door de lokale PR-afdeling bestempeld tot Groot Meer en Klein Meer, vormden de grootste publiekstrekker. Eigenlijk zijn het geen meren – het zoute water verklapte dat al een beetje – maar staan ze in verbinding met de zee. Ilva vond de vele sprinkhanen, kevers, spinnen en hagedissen veel interessanter. Alles was hier weer tot in de puntjes geregeld. Met de boot kon je naar het eilandje Sveti Marija met daarop opnieuw een klooster; daarna voerde de boot je verder naar Mali most vanwaar je over comfortabele wegen terug kon lopen naar het startpunt. Voor rust en eenzaamheid moest je niet in het park wezen. Dan kon je beter ergens een ongemarkeerde zijweg inrijden, waar je de groene bergen van Mljet alleen met vlinders en cicaden hoefde te delen. Als je geluk had vond je op het eiland zelfs nog een verlaten, afgeschermde baai voor jezelf.

‘s Avonds kregen we ‘schnapps’ van het huis. “Is het rakija, travarica?” vroeg ik voorzichtig. “Bravo!” grijnsde de kokkin. Een mens kan maar zo veel travarica verdragen en wat ons betreft geldt dat ook voor Kroatië zelf. Langs de enorme, heuvelomspannende stadsmuren van Ston reden we naar Dubrovnik, onze laatste stop in dit land. Aan de kleine baai tussen de forten Bokar en Lovrijenac vierden we Ilva’s verjaardag met pannenkoek en ijs. Een rondje stadsmuren kostte volgens onze vier jaar oude Bradt gids 50 kuna, terwijl het pas geleden 30 kuna was. Correctie: het kost 100 kuna (een kleine veertien euro), terwijl het pas geleden 50 kuna was. Tsja, wie houdt de Kroaten tegen? Net als in Italië zijn de steden en kusten er schitterend en kun je het er als toerist niet beter georganiseerd wensen. Naar onmatig rakigebruik, drukke toeterfluitmuziek of een algeheel gebrek aan regelgeving zocht je hier vergeefs. Dubrovnik had veel te bieden, maar niet één van deze dingen. Nog een laatste keer keken we achterom naar de Parel van de Adriatische Zee, naar die mooie, maar saaie stad. Kroatië zal geen hobby worden.

Domačija produkti
Byzantium

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*