Het noorden, waar alleen de misdaad georganiseerd is

“Goh, wat is dat met Frankrijk?” vraagt Ilva op de dag van vertrek. “Daar hoor ik heel veel kinderen in mijn klas over.” Hoewel onze dochter in 41 landen is geweest, zit Frankrijk daar niet tussen. Erg lang willen we er niet blijven – morgenochtend hopen we in Spanje te zijn. Toch doen we het rustig aan, in vergelijking met de vorige zomer. Pas op de zesde dag van de vakantie vertrekken we. Dat komt omdat ik rekening moet houden met anderen: Eva wil dit jaar met vrienden op pad. Wat een geluk dat Nikola van plan is naar Afrika te rijden.

Waar onze reis zeldzaam ontspannen van start gaat, kost het onze vrienden meer moeite. Een paar weken voor vertrek laat hun auto het afweten, waarna het repareren niet wil vlotten. Gelukkig mogen ze een camperbusje lenen. “Met andermans auto naar Marokko rijden… Hoe zullen ze bij de grens reageren?” vraag ik Nikola een week voor onze vakantie. Uit zijn diepe frons leid ik af dat hij dit ook een goede vraag vindt. Met een officieel toestemmingsformulier moet het kunnen, maar bij het Marokkaanse consulaat heeft iedereen al vakantie. Uiteindelijk besluiten ze het busje dan maar op hun eigen naam te laten zetten. Alleen wel jammer dat de autopapieren kwijt zijn. Pas op de valreep is alles geregeld en zelfs wanneer Viola en Nikola een dag eerder dan wij naar het zuiden gaan bespeuren we nog iets van stress. “We kwamen er vandaag bij de kapper achter dat Boris en Joop luizen hebben,” zucht Nikola.

Verdere tegenslag blijft Viola en Nikola gelukkig bespaard. Eerder dan verwacht staan we met z’n allen op een camping in Ronda, in het zuiden van Spanje, waar voorlopig niemand aan slapen toekomt wanneer onze kinderen de gekko’s op het toiletgebouw ontdekken. Over de palmbomen en cactussen in het bloedhete Andalusië zijn ze al net zo te spreken. Na een dag oude bruggen, tapas en bier rijden we door de bergen naar Algeciras. In deze havenstad vinden we in een louche steegje het kantoortje van Carlos. Ferrytickets naar Marokko kosten online €405. Hier betalen we €260, inclusief cake, fles wijn en piratenkoekjes voor de kinderen. Er wordt alleen cash geaccepteerd. Dat riekt naar zwendel, maar we mogen met onze tickets gewoon aansluiten in de rij voor de veerboot.

Geen getoeter, geen creatieve ritsmanoeuvres. Iedereen wacht keurig zijn beurt af, ook al is het op de parkeerplaats in Algeciras 38°C. “Erg geordend,” merkt Eva verbaasd op wanneer we onze bus op de ferry parkeren. Dan begint de chaos gelukkig. Meer dan een uur sta ik met Nikola in de rij voor de paspoortcontrole. Van achter- tot voorsteven staan mensen met immigratiebriefjes in hun handen, terwijl er van de papieren voor tijdelijke invoer van auto’s geen spoor te bekennen is. Pas vlak voor we aanmeren zijn we aan de beurt bij douaniers die zo te zien ook wel aan een kopje koffie toe zijn.

“Veel mooier dan al die witte huizen!” roept Rune enthousiast bij het zien van de paarse, gele, roze en groene gebouwen. Overal wapperen Marokkaanse vlaggen; agenten staan bij zebrapaden en met billboards van de koning opgeluisterde rotondes. Jongens op scooters rijden lachend voorbij, mensen picknicken in parken en overal tussen de palmbomen en lichtblauwe moskeeën heerst bedrijvigheid. Spanje, dat aan de overkant van de Middellandse Zee nog duidelijk zichtbaar is, steekt flets af bij het kleurrijke Marokko.

Dat Eva en Viola een keer ruzie zouden krijgen, stond vooraf al wel vast. Dat het op de eerste avond in Marokko al stroefjes loopt, is sneller dan verwacht. Eva is haar stem kwijt en voelt zich ziek. Het lukt ons niet om aan de kustweg een camping te vinden en het wordt alsmaar donkerder. Intussen zijn Viola en Nikola, die achter ons rijden, al lang gestopt bij wat geadverteerd wordt als een “Crazy Moroccan camping!!!” De man die ze de weg wijst, dwars door een ondiep riviertje, weet Nikola nog niet helemaal te overtuigen. “This not tourist camping!” probeert hij nog eens. Achter een wit geverfde muur heerst een vrolijke, Afrikaanse chaos: drukke muziek, tenten met kerstverlichting, smerige hurktoiletten en een campingwinkel met een lukraak bijeengeraapt assortiment en variabele prijzen. Pas veel later en na wat we neutraal gebrekkige communicatie kunnen noemen vinden wij de camping eindelijk. De dansende mensen tussen de campingforten van rieten muurtjes en koelkastdozen stemmen Eva niet veel vrolijker.

‘s Ochtends heerst er rust op de camping. Mannen in jurken halen water voor de thee. Rune, Boris en Joop spelen met Lego op het picknickkleed en Ilva heeft jonge poesjes gevonden. Onze qat kauwende buren, die hier elk jaar een maand bivakkeren, slapen nog. En hoewel Eva nog altijd niet wil praten, is dat nu vooral omdat ze haar stem nog niet heeft teruggevonden. We ontbijten op een rommelig strand met scheefgezakte parasols. Het is een ontspannen gebied, het noorden van Marokko. Na een korte rit het Rifgebergte in besluiten we ons aan het rustige tempo en de alomtegenwoordige henneplucht aan te passen. De daken van de dorpen liggen vol toppen van planten die in de zon liggen te drogen. In Aïn Souyah kloppen we aan bij Gîte d’Etape Oued Kannar, waar we het huis tussen de wietvelden voor ons alleen hebben.

Volgens de ANWB-gids van Viola wordt elke buitenlandse auto die zich in het Rifgebergte waagt door de politie gecontroleerd. Wij laten dat liever doen door een al dan niet erkend vakman – en dat heeft niets met de georganiseerde misdaad in het Rif te maken. Smalle bergweggetjes die meer geschikt zijn voor auto’s met vierwielaandrijving voeren ons door dorpen waar het roze van oleanders en het groen van wiet contrasteren met de bruine lemen muren. In het droge landschap worden de irrigatiekanaaltjes liefdevol onderhouden door de boerenbevolking.

Hoewel het verbouwen van hennep wordt gedoogd, is de verkoop van cannabis illegaal. Het betekent dat we hier weinig te vrezen hebben van de enkele Mercedes die we tegenkomen, of van de jongetjes op muilezels die schreeuwende geiten in hun zadeltas vervoeren. Wie problemen wil moet deze verderop in het productieproces zoeken, in de steden van het Rifgebergte. Dat is precies waar we heen gaan. Zodra we toegeven dat een rotsachtige bergweg door nationaal park Talassemtane echt te zwaar is voor onze bus, rijden we met een piepende stuurpomp naar Chefchaouen. De stabilisator van de wielophanging is losgeschoten en een rubberen ring versleten. Aan het piepen besteden de monteurs weinig aandacht.

Met zijn blauwgeverfde huizen komt Chefchaouen met stip binnen op Runes lijstje van mooie plekken. Vlak boven de witte dorpen in Spanje; net onder het ratjetoe aan bont geverfde huizen vlakbij Tanger Med. De medina is een doolhof van nauwe steegjes, tunneltjes, trappen en straatjes die dood lijken te lopen. Katten onderzoeken stinkende vuilnisbakken en ook de menselijke bewoners van de blauwe stad proberen wat bij elkaar te sprokkelen om te overleven. “Nu is het goed, maar na de zomer is hier niks te doen,” zucht een man met grijze snor. “In Chefchaouen valt niets te verdienen.” Wat geen enkele man die we op weg naar onze riad tegenkomen ervan weerhoudt het toch te proberen. “Do you want something to smoke?” vragen ze Nikola en mij keer op keer. “Nee joh, we zijn hier met onze kinderen,” wijst Nikola naar Boris en Joop. “Ok, maybe later then. I’ve got some really good stuff!”

Ook zonder verdovende middelen is Chefchaouen een relaxte eerste kennismaking met Marokkaanse medina’s. Laks restaurantpersoneel laat plastic op de grond slingeren en parasols op tafels waaien, vergeet bestellingen en bezorgt gerechten aan de verkeerde tafel, maar echt opdringerig zijn ze hier niet. Dat geldt ook voor de mannen met kraampjes – altijd mannen – vol tapijten, houtsnijwerk, stoffen, kalk (vooral blauw) en specerijen. Zelfs bij Ras el-Maa – volgens Marokkanen een waterval, maar in werkelijkheid een paar poelen met pootjebadende kinderen – is de drukte te overzien, ondanks de vele kraampjes waar vers sinaasappelsap wordt geperst, dampende kebabzaken en petit taxi’s die op een overvolle parkeerplaats proberen te keren.

Het is een medina voor beginners. Een voorbereiding van niks, voor wie zich in het duistere hart van Fez waagt. Hoe verder we naar het zuiden rijden, des te warmer het wordt. Met alle ramen open rijden we door een dor, geel landschap. Het voelt alsof er een föhn naar binnen blaast. Het is 42°C; tussen de muren van de koningsstad voelt het nog warmer. Achter Bab Bou Jeloud, een immense, met geglazuurde tegeltjes versierde stadspoort, wacht het grootste labyrint ter wereld. Een donkere, benauwende en vervallen maalstroom waar 70.000 mensen in haast middeleeuwse omstandigheden leven. Een broeierig pandemonium dat bezoekers van afschuw vervult, met zijn stinkende, doodlopende steegjes, verwaarloosde ruïnes en rommelige souqs. Slagers verjagen vliegen van kamelenvlees, bebloede geitenkoppen en nog levende egels; handelaars lokken kinderen met in felle kleuren geverfde kuikentjes en leerlooiers stampen blootsvoets rond in duivenpoep en kurkuma. Ontsnappen aan het lawaai en de stand is onmogelijk.

‘s Nachts kots ik alles wat ik in Fez at en dronk weer uit. Ook de ORS wil niet binnenblijven. Dit is geen medina voor jongens uit dorpjes waar nooit iets gebeurt. De chaos en hitte zijn overweldigend. Ook Boris en Nikola hebben zich wel eens beter gevoeld en voor we opsplitsen om ieder onze eigen weg te gaan, zieken we een paar dagen samen uit. Dat doen we in Azrou in de Midden-Atlas, waar de lucht koeler is en de mensen relaxter. Op de souq is Eva de enige buitenlandse. Voor vijf euro haalt ze een boodschappentas propvol verse groente en fruit.

Joop voelt zich prima en heeft geen zin om de hele dag op de camping te blijven. We nemen hem mee naar Cèdre Gouraud, de met ceders beboste heuvels boven Azrou. Voor onze bus steekt een herder met zijn kudde schapen de weg over. Plotseling schieten zijn honden ervandoor, de heuvel op. Een paar silhouetten rent voor ze uit. “Apen!” roept Eva. Ze zet de bus aan de kant en rent met Ilva de heuvel op. Rune en Joop hebben losse veters, stekels in hun sokken en minder haast dan ik. Het duurt een eeuwigheid voor we boven zijn – lang genoeg voor de vliegensvlugge Berbermakaken om zich uit de voeten te maken, mopper ik. Maar de honden hebben de dieren de bomen in gejaagd en staan nijdig tegen de stammen te blaffen. Vanaf veilige hoogte kijkt de troep van minstens tien makaken op ons neer; af en toe met elkaar overleggend en van tak naar tak springend.

Verrukt kijken Ilva, Rune en Joop naar boven. Gerimpelde kopjes van babymakaken staren met even intelligente blikken terug. Even verderop zitten lusteloze apen op een parkeerplaats, wachtend op een handje pinda’s of een appel. Aapjes kijken op z’n Marokkaans, met drommen bezoekers en overal afval. We hopen dat onze makaken lekker in hun eigen boom blijven, ver weg van dit circus. Wij hebben in ieder geval genoeg van de drukte. Na de overvloed aan indrukken in de noordelijke steden willen we door naar het zuiden; naar de Hoge Atlas en de eindeloze zandduinen van de Sahara. Viola en Nikola zoeken de rust minder ver weg. De afgelopen dagen waren voor ons – net als het begin van de reis – zeldzaam ontspannen en het afscheid kost vooral Eva moeite. Voor ons liggen verlaten mijnstadjes, steile bergpassen en woestijnen. Onzekerheid. Ik kan niet langer blijven.

Het zuiden, waar niets sterkers wordt geschonken dan Berberwhisky
Naar boven kijken voor antwoorden

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*