Het was niet eens haar schuld

De vrouw van het Rättvikse VVV was erg behulpzaam. Zelfs het weerbericht werd ongevraagd opgezocht. “Overdag -10 ºC maar het voelt een stuk kouder door felle noordenwind. Sneeuwbuien verwacht. Een typische maartse winterdag.” Mooi zo. Zulke voorspellingen zullen aardig wat vakantiegangers afschrikken, maar het leek ons tijd voor een wandeling langs het Siljan-meer voor we naar Leksand gingen, waar we ‘s middags de trein naar Nyköping zouden pakken.

Er liep een weg naar de 13e eeuwse kerk even buiten het dorp, maar het leek ons leuker de bevroren kustlijn te volgen. De zwaarte daarvan hadden we een ietsje onderschat. Het voortploegen door de dik opgeworpen sneeuwlaag ging moeizaam en door het riet vertrouwden we het ijs zo vlak aan de oever niet helemaal. Eenmaal bij de kerk kregen we weer een Legogevoel, want het kerkje bleek voor zo’n dorp toch wat overenthousiast gebouwd te zijn. Zo te zien had men heel wat blokjes over doordat men voor alle andere bouwwerken in de omgeving niets dan hout had gebruikt.

Het kom-nou-toch-op-zeg-uiterlijk werd kracht bijgezet door een pseudo-runensteen. De Vikingen mogen weinig goede boeken geschreven hebben – van het uitbeitelen van enkele zinnetjes op meer dan manshoge zwerfkeien waren ze niet vies. Maar deze steen was niet echt. Nou ja, de steen wel, maar de runen niet. Het waren gewoon runenachtige letters, met goudkleur op een grote steen aangebracht om de een of andere historische gebeurtenis te herdenken. Toch nog quasi-authentiek, want het gedrocht was inmiddels meer dan honderd jaar oud, maar ik verbond het in gedachte onwillekeurig met de term ‘quasi-professioneel’ zoals in Dodgeball: A True Underdog Story. De runensteen was alleen wat minder grappig.

Niets dan wit (EH)

Via het wegens winter gesloten Gammelgården (een verzameling oude houten gebouwen) en de grote weg liepen we terug naar station Rättvik. Zelfs in deze heidens lage temperaturen zagen we een bejaarde vrouw die aan nordic walking deed. Weliswaar zaten we hier erg nordic, maar waar dit oudemensentijdverdrijf (oude mensen hebben nog maar weinig tijd, maar het overgrote deel daarvan is vrij) er in Nederland stompzinnig uitziet, leek het hier gewoon om een demente vrouw te gaan die haar ski’s vergeten was. Hoe ze dit dacht op te lossen moest ze zelf maar uitzoeken, want mijn tenen vroren er haast af en de trein naar Leksand reed slechts een paar keer per dag.

Langs de kust van het Siljan-meer voerde de trein ons naar Leksand. Leksand (15.000 inwoners) en Mora (20.000 inwoners) komen beide uit in de hoogste Zweedse ijshockeydivisie. Vanavond zouden beide dorpen elkaar bevechten in een alom geanticipeerde streekderby, waar wij helaas niet bij konden zijn. Leksand bleek zelfs in de top 25 van Europese clubs wat betreft bezoekersaantallen te zitten, iets wat ik pas achteraf te weten kwam, maar wat te rijmen viel met het overtrokken grote stadion dat met afstand het grootste gebouw van het dorp moest zijn. Mensen droegen jassen, mutsen en dassen van de Leksand Stars en overal sierden teamfoto’s de etalageruiten. De hekkensluiter van de Elitserien was hier immens populair.

Ook in de dönertent waar we onze ‘dagens rätt’ (specialiteit van de dag) haalden, zag alles blauw en wit van de Stars-fanartikelen. Eten in restaurants is in Zweden geen goedkope aangelegenheid (je kan net zo goed met ijs betalen in de Sahara als met Kronen in Zweden), maar als je ging lunchen tussen elf uur ‘s ochtends en twee uur ‘s middags kreeg je voor een paar euro toch aardig wat voedsel. In dit geval een enorme rol döner, salade, frisdrank en koffie. Ook al was het eigenlijk al na tweeën, want als lief lachende buitenlanders kom je daar vaker wel dan niet mee weg.

Ook Leksand had z’n eigen uit de kluiten gewassen 13e eeuws kerk met doodstil kerkhof vol ondergesneeuwde zerken. We liepen naar de kerk over een witte strandpromenade langs het Siljan-meer. Door het stromende water van de Österdalälven was het zuidelijke puntje van het meer niet bevroren. Treurige bomen lieten hun takken hangen; de loodgrijze lucht liet de zon nauwelijks door. Het weer deed de Zweden zichzelf opsluiten in hun eigen huizen. Veel van het gemeenschapsleven leek zich in openbare gebouwen af te spelen, zoals het cultuurhuis, de bibliotheek en het ijshockeystadion. Slechts één enkele vader vergezelde zijn zoontje bij het sleeën in het centrale park, waarvan de steile hellingen zich hiertoe nochtans bij uitstek leenden. Het was niet meer dan een halfslachtige onderneming. De Zweden waren de winter spuugzat.

Een koude rustplaats (EH)

Voor ons was het een verademing; zoveel sneeuw in vergelijking met het Hollandse miezerweer. De Zweden zaten al vanaf november in het wit. En ze moeten toch ergens over klagen; in een land waar alles perfect geregeld is. Onze reis van Leksand naar laatste halte Nyköping ging over Borlänge, Sala en Flen. Drie keer overstappen en dat omdat ik graag een andere route wilde dan weer over Stockholm. Je ziet er niks van in de vroege duisternis – daar had ik dan weer geen rekening mee gehouden. Tot Sala ging alles volgens schema. Daar zaten we voor het eerst in iets wat op een Nederlandse trein leek, in plaats van de eersteklas luxe waar we tot dan toe van mochten genieten. “Is dit de trein naar Flen?” vroeg een dame ons in het Zweeds. Wij hoopten van wel.

De trein had mogelijk een klein beetje vertraging, maar zeven minuten overstaptijd in Flen om de bus naar Nyköping te halen was méér dan genoeg, verzekerde de conductrice in die trein ons. In Zweden missen mensen geen aansluitingen. We konden haar er niet persoonlijk op aanspreken, maar twee jongens met dezelfde bestemming als wij waren er allerminst gerust op. Eén van hen belde onafgebroken om zijn beklag te doen over de prijs die men hem berekend had voor zijn treinkaartje, en nu reed de trein niet eens op tijd.

Jawel, de bus naar Nyköping was al uit Flen vertrokken. Het was de laatste van die dag. De jonge vrouw die ons eerder vroeg of ze wel in de trein naar Flen zat en de twee jongens zaten in hetzelfde schuitje. De vrouw bleek een naar Zweden geëmigreerde Roemeense. Geen wonder dat er iets mis ging. Zo gaat dat nu eenmaal wanneer er Roemenen in de buurt zijn. Eindelijk een beetje avontuur. “We vonden alles al zo gladjes gaan,” legden we uit. “Tsja, in Roemenië hoef je niet te hopen dat er eens iets mis gaat,” beaamde ze. “Daar gebeurt dit soort dingen aan de lopende band.”

De mobiele jongen stond intussen al een hele tijd te bellen en vertelde opgelucht dat een taxi ons naar het tachtig kilometer zuidelijker gelegen Nyköping zou rijden. Op kosten van de Zweedse spoorwegen. Goed geregeld allemaal. Onderweg vertelde de Roemeense over haar viszaak in Leksand en haar man, die op dit moment even in Duitsland werkte. De mobiele beller hield zich nu stil terwijl hij onze wodka wel waardeerde. Vind maar eens een Zweed die een aangeboden drankje afslaat.

Kasteel Nyköpingshus (JS)

Busstation Nyköping hing vol dronken ijshockeysupporters die met vlaggen zwaaiden en “Nyköping!” zongen. Mensen genoeg op straat, maar niemand wist waar de Brunnsgatan lag. Dat vond ik pas gek toen ik me realiseerde dat kasteel Nyköpingshus óók aan de Brunnsgatan lag. Waarom kende niemand dat? Een kasteel is meestal toch iets dat behoorlijk opvalt. Na wat omzwervingen vonden we ons hostel – vlakbij het busstation waar we begonnen. We hadden de toegangscode van de voordeur per e-mail gekregen omdat er niemand op de receptie aanwezig zou zijn. De elektronische kaart waarmee we onze kamerdeur konden openen lag al klaar, precies op de plek die ons beloofd was. Gadverdamme. Het was allemaal veel te mooi geregeld in Zweden – niks voor ons.

Dat er in de 13e eeuw een hoop te beleven viel in Zweden kwam zo in de winter maar matig tot zijn recht. We beëindigden een stadswandeling op de binnenplaats van het Nyköpingshus. Alles zat potdicht en de van een dikke laag sneeuw voorziene, dikke muren gaven het kasteel een uitgestorven voorkomen. De middeleeuwse gebouwen waren na al die eeuwen aan alle kanten ingesloten geraakt door industrie. Jammer. Misschien dat het noorden van het land wat minder westers en geïndustrialiseerd oogt, maar onze tijd in Zweden zat er zo’n beetje op. Ons restte nog slechts een korte busrit naar Skavsta, alwaar we zonder moeite te doen onze laatste Kronen over de balk smeten. Zweden mag dan uitgestrekt en erg mooi zijn in de sneeuw, Eva en ik zijn verslaafd geraakt aan de chaos en de ongeregeldheid in het oosten. Gelukkig dat we deze zomer weer een dosis Roemenië tot ons mogen nemen. Alleen maar mooi zijn is niet genoeg – al helpt het natuurlijk wel.

Crash
Monopolie, maar dan met alcohol

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*