Het zuiden, waar niets sterkers wordt geschonken dan Berberwhisky

Tussen de ruïnes van honderden woningen staat een eenzame moskee. De muren zijn vaal door het felle zonlicht dat in talloze glasscherven wordt weerspiegeld. Alles wat bruikbaar is, is dertig jaar geleden uit de gebouwen verwijderd. Dorre struiken en Atlasagamen zijn de nieuwe bewoners van Aouli; een spookstad in de oostelijke uitlopers van de Hoge Atlas. Ooit woonden er 6000 mensen in het mijnstadje. Nu speurt een handjevol achterblijvers naar mineralen en fossielen. Vanadiet, malachiet, woestijnroos, geodes en ammonieten – trots tonen ze hun behoedzaam in lappen stof gewikkelde schatten.

“Sommige mineraalzoekers riskeren dagelijks hun leven in de mijnschachten, die drie kilometer diep de berg in voeren,” vertelt Abderrahim. Vanaf grote hoogte schenkt hij mierzoete muntthee in onze glazen. “Berberwhisky,” lacht zijn oom. Abderrahims zus komt de kamer binnen met brood, boter en jam. “Aan het eind van de tunnel kun je nauwelijks ademhalen,” vervolgt Abderrahim. “Er vallen regelmatig stenen naar beneden.” De tunnel wordt al lang niet meer onderhouden. De mijngebouwen zelf, die zich als een Boeddhistisch klooster aan de berghelling vastklemmen, staan op instorten.

De kale hellingen van de Hoge Atlas omsluiten ons wanneer we de palmeraies en kasbahs van Tinerhir achter ons laten en de Todghakloof inrijden. Steile bergwanden torenen aan weerszijden honderden meters boven ons uit. Jongetjes duiken in het bruine water van de rivier; Berbers vragen ons bij hun kraampjes met sjaals of we bier te ruil hebben. Helaas, we staan al een poos droog. Dat geldt niet voor de Hoge Atlas: waar Nederland al weken onder droogte gebukt gaat, regent het hier vrijwel dagelijks. En het is koud, op de 2700 meter hoge Tizi-Tirherhouzine pas. Een verkleumde herder vraagt of we sigaretten voor hem hebben; Berberjongetjes zijn blij dat we hun lege flessen met water vullen. Als we ze ook koekjes geven, vragen ze om pennen en dollars.

De weg wordt slechter en slechter voor we Agoudal bereiken; op 2360 meter het hoogste dorp van Marokko. Groepen kinderen rennen met onze bus mee, in de hoop dat ze iets krijgen. Verder zien we alleen mannen op straat. Het leven van Marokkaanse vrouwen speelt zich grotendeels binnenshuis af en het komt op ons over dat ze hier nog minder vrij zijn dan in Iran. Daar zagen we tenminste vechtlustige blikken en verontwaardiging om van hogerhand opgelegde mores. Hier zien we gedwee voortsjokkende vrouwen – als ze naar buiten mogen om het land te bewerken – met blikken van berusting en verslagenheid.

“Als ik laat op de avond over straat ga, krijg ik vettige blikken,” vertelt de Vlaamse Heike die hier in het kader van een uitwisseling is. Een jongen uit de groep legt dan zijn arm om haar schouder om de Marokkanen duidelijk te maken dat ze zich niets in hun hoofd moeten halen. “Vrouwen mogen niet alleen op pad. Dan lok je verkrachting uit.” Al zal een man die zich aan je vergrijpt binnen zijn eigen gemeenschap verbannen worden. “Dan praat niemand nog met je en doen ze alsof je niet bestaat. Dat is voor hen de ergst denkbare straf.” Respect is soms ver te zoeken. “Als ik met twee volle boodschappentassen de winkel uitloop, stelen kinderen eruit wat ze kunnen pakken.”

‘s Ochtends rent er opnieuw een meute kinderen mee over de modderweg. Het is nog koud – vannacht was het 10°C. Hevige buien hebben gisteren een deel van de weg weggespoeld. We willen naar Boumalne Dades rijden – eerst ruim zestig kilometer over onverharde pistes. Berberkinderen leiden ons voor een paar dirham door de rivierbedding, verplaatsen grote stenen en wijzen ons op lastige punten voor we de weg verderop weer bereiken. Dan kunnen we echt niet verder, omdat een vrachtwagen met panne de weg verspert. Een uur lang spelen Ilva en Rune met modder en stenen, in een bergriviertje vlakbij de weg. Intussen legt Mustafa, die ook staat te wachten, me de verschillen tussen Berbers en Arabieren uit: “Berbers zijn recht door zee. Met ons weet je waar je aan toe bent. Arabieren zijn zig zag.”

Weten waar je aan toe bent is overgewaardeerd. Langzaam maakt het onverzoenlijke landschap van de Hoge Atlas plaats voor de roestrode hellingen en afbrokkelende kasbahs en ksour van de Dadeskloof – precies zoals in de reisgids beschreven. Daarna wordt het interessanter, als we de hamada onder de Djebel Saghro inrijden. Rotsachtige pistes leiden het niets in. We kamperen in een steenwoestijn waar we samen met Ilva en Rune kevers, schorpioenen, rolspinnen, hagedissen en een kameleon vinden. Tot vorig jaar was dit een doodlopend deel van het land. Nu wordt de bergweg over de Tizi-n-Tazazert klaargemaakt om te asfalteren en kunnen we met onze bus over de bergen. Vanaf een hutje op de pas kijken we uit over vulkanische pieken, tafelbergen en diepe kloven. Het is hard werken om de ons glazuur vijandig gezinde muntthee en Fanta uit grootmoeders tijd weg te werken, maar het uitzicht maakt veel goed.

Onderaan de bergweg wacht ons een leeg landschap. Verkeersborden waarschuwen voor overstekende kamelen. In Camp Serdrar in Ait Oulhyane zijn we de enige gasten. “In februari staan hier dagelijks 30 tot 35 campers en zijn alle Berbertenten volgeboekt,” zegt Brahim. “De zomer is voor de meeste toeristen te heet.” We zijn net op tijd terug van een groeve vol fossielen voor het noodweer losbarst. Een zandstorm gaat over in een hoosbui waardoor de hele camping blank staat. “Dit heb ik nog nooit gezien,” brult Brahim boven het razen van de wind uit. “Plassen die blijven staan!” Hij is er blij mee. “Dit is de eerste regen sinds 1 oktober vorig jaar. Mijn putten waren leeg!”

De dadeloogst is gered, maar een nieuw ontstane rivier verspert ons de weg. We moeten off road om verder richting de Sahara te rijden. Een uitwaaierend netwerk van sporen voert door een steeds desolater landschap, voor we de hoofdweg terugvinden. Brahim vertelde dat het de hele week heeft geregend in de woestijn op de grens met Algerije. Daarom is het er nu maar 40°C – koel voor de tijd van het jaar. Voor ons is de hitte nog steeds zorgwekkend; zeker wanneer onze bus vlak voor Tagounite niet meer wil starten. De motor laat een verontrustend, klepperend geluid horen. De eerste auto die passeert stopt meteen, waarna de chauffeur een bevriende monteur in het dorp even verderop belt. Een uur later rijden we aan een sleepkabel naar de garage, waar onderdelen uit Ouarzazate worden besteld.

De distributieriem en multiriem moeten vervangen worden en de brandstofinjectie ziet er ook niet best uit. De reparatie gaat minstens een dag duren. Jammer, want we hebben een tour de woestijn in geboekt. “Bij wie?” vraagt de monteur. Bij Sahara Services in M’Hamid – toevallig zijn vrienden. Na een telefoontje worden we opgehaald en zijn we onderweg naar la fin du Maroc. Onze bus, met daarin bijna alles wat we bij ons hebben, blijft achter in de garage. Inclusief sleutel. We proberen de wrange smaak weg te werken met een tajine met kip, citroentjes en olijven en watermeloen als toetje, waarna gids Asu ons op komt halen. In zijn helblauwe gewaad ziet hij eruit als een Toeareg. Asu kent de hamada voorbij M’Hamid als zijn broekzak. Geconcentreerd laveert hij zijn 4WD over hobbelige pistes en zandhellingen, tussen tamarisken, eenzame acacia’s en altijdgroene tursa’s die zelfs door de dromedarissen niet gegeten worden.

Op een enkele waterput na is het landschap van stenen en zand leeg, maar Asu vindt herkenningspunten die voor ons onopgemerkt blijven. In de verte markeren de silhouetten van lage bergen de grens met Algerije. Plassen water aan de horizon blijken keer op keer luchtspiegelingen, tot we achter een heuvel palmbomen zien bij een verlaten oase. Hier leven – midden in de woestijn – kikkers en libellen. Asu steekt zijn hand in de bron en haalt er een bloedzuiger uit. “Ze wachten op de lippen van dromedarissen,” vertelt hij. Dan, na tweeëneenhalf uur, verschijnen de 300 meter hoge zandduinen van Erg Chigaga.

In de inhammen van een zee van duinen liggen verschillende tentenkampen verscholen. Op drie andere toeristen na is ons kamp leeg. Het is warm en benauwd in onze Berbertent – we slapen liever buiten. Eerst maken we een rit op dromedarissen. Erg Chigaga kleurt goud in het licht van de ondergaande zon. Ilva en Rune staren gebiologeerd naar de mechanische tred van de langwerpige schaduwen van onze rijdieren. Net AT-AT’s uit Star Wars, vinden ze. Gierend van pret rollen ze even later van de hoogste duinen naar beneden. Hoe afgemat ze ook zijn, ‘s avonds duurt het lang voor ze in slaap vallen. Ademloos staren ze naar de Melkweg hoog boven hun hoofd. “Ik blijf nog even kijken hoor,” fluistert Rune wanneer ook wij naar bed gaan.

“Vandaag ben jij de gids,” zegt Asu tegen Ilva, die op de bijrijdersstoel plaatsneemt. Met tegenzin hebben Ilva en Rune het sandboard ingeleverd waarmee ze op de duinen achter ons kamp speelden. Het wordt snel warmer in de Sahara. Regelmatig vraagt Asu bij splitsingen welke kant hij uit moet. Ilva is telkens resoluut in haar keuze en de terugweg duurt een uur korter. Omdat onze bus nog niet gerepareerd is, mogen we wachten bij het hotel van Sahara Services. De kinderen hebben geen haast; zeker niet wanneer het personeel vertelt dat ze best in het zwembad mogen.

Na twee uur krijgen we een lift naar Tagounite. We betalen €350 en zijn op weg met een bus die weer wil starten. Zijn we afgezet door de monteur? We denken van wel – erg professioneel zag het gekrabbel op een stukje papier er niet uit en dat hij wat van de prijs wil doen stelt ook niet gerust. De sjacheraars in het noorden van Marokko hebben ons wantrouwend gemaakt. Van de andere kant, zou je voor deze reparatie in Nederland meer betalen? Vast wel.

Via de groene oases van de Drâa vallei beginnen we aan onze tocht naar het westen, richting de Atlantische Oceaan. Overal verrijzen donkerbruine modderforten tussen het groen van de palmbomen. In Tamnougalt slapen we in het Kasbah des Caïds; een doolhof van lemen muren, schaduwrijke binnenplaatsen en wenteltrappen die naar dakterrassen voeren. Vleermuizen met lange staarten fladderen door duistere gangen, waar we telkens weer verkeerd lopen. “Vroeger telde de kasbah 400 inwoners,” vertelt Abdil Jalib. “Nu wonen er nog dertig mensen.” Abdil laat zien hoe in de palmeraie dadels, granaatappels piment en amandelen worden verbouwd en weet van elk steegje en plein welke avonturenfilm er de afgelopen jaren is opgenomen.

Ook Aït Benhaddou is een prachtige filmlocatie. Van de ene op de andere zandzak stappend steek ik de rivier over naar het lemen ksar waar Hollywood geen genoeg van kan krijgen. Eva wel. De kleuren geel, rood en bruin hebben hun verzadigingspunt bereikt. We hebben genoeg kasbahs en ksour gezien en rijden over de Tizi n’Tichka voor een laatste nacht wildkamperen in de Hoge Atlas. De bossen in deze rood gekleurde bergen zijn een verademing na de dorre landschappen van het zuiden van Marokko. Op twee herders na zien we niemand.

Met een grote boog rijden we om het drukke Marrakesh heen. Onderweg naar de kust stoppen we nog één keer, om tajines te kopen. Het begint me tegen te staan dat niets in dit land een vaste prijs heeft. Altijd moet er onderhandeld worden, moet je het spel meespelen en heb ik het gevoel afgezet te worden. Eva beheerst dit spel stukken beter. Ze balanceert plaagstootjes met charme en overtuigingskracht. Er gaat wat van de prijs af, maar als buitenlander word je nooit helemaal hetzelfde behandeld in dit land. Voor toegang tot de Port du Skala in Essaouira betaal je bijvoorbeeld zes keer zoveel als Marokkanen en deze flagrante ongelijkheid zien we ook terug in ons appartement in de winderige kuststad. “De huisregels zijn alleen in het Arabisch, omdat ze alleen voor Marokkanen gelden,” legt Mounin uit. “Voor buitenlanders spreekt het voor zich dat je geen peuken uitdrukt op het bankstel.”

Voor het eerst in weken zien we vrouwen zonder hoofddoek. De sfeer aan de kust is meer ontspannen dan in het binnenland, al lopen er ook vrouwen in hijab door de branding, terwijl manlief zijn vetrollen over een wat korte zwembroek laat hangen. Kitesurfers leven zich uit op de golven van de oceaan; toeristen doen zich op de boulevard te goed aan suikerrietsap, gekleurd popcorn en slakken. Europese meisjes lopen hand in hand met Marokkaanse surfers en ook genotsmiddelen zijn weer vrijelijk verkrijgbaar, al lijkt de Berberviagra verdacht veel op reguliere kaneelstokjes. “Spacecake?” wordt me voor de derde keer gevraagd. “To make you smile with your whole family?”

Wanneer Eva met Ilva naar de hammam gaat om zich te laten schrobben met stinkende modder, kijk ik met Rune of we in Essaouira zelfs bier kunnen vinden. Vrijdag is biddag en dan is de alcoholgrot van de Carrefour hermetisch gesloten, maar zaterdag mag ik kiezen uit Casablanca, Flag en Stork. Alle Marokkaanse biermerken zijn present. Alle drie. Door een onopvallende zij-ingang verlaten we het pand, zonder voet te zetten in de eigenlijke supermarkt. Wie liever niet heeft dat anderen zien wat je in huis haalt – voor je ongelovige huurders, dat spreekt voor zich – kan zijn inkopen in Marokko discreet doen.

Van de gehavende Europese stadsmuren van Essaouira rijden we in één lange dag terug naar het noorden van Marokko. Tot groot plezier van Rune ziet hij een arganboom vol geiten. Wij niet en op deze weg kunnen we niet keren. Veel andere dieren hebben, net als wij, minder geluk: Marokko maakt zich op voor een religieus bloedbad. In het hele land worden schapen samengedreven voor Eid al-Adha, het offerfeest. Schapen worden vervoerd in vrachtwagens, achterop pick-ups, op de achterbank van gewone personenauto’s en zelfs voorop brommers. Zonder helm. Het grootste deel van de dieren kan nog op eigen poten staan, maar lang zal dat niet meer duren. Ilva huilt hartverscheurend bij de gedachte aan de aankomende slachtpartij.

Asilah staat in de reisgids beschreven als eenvoudige kennismaking met Marokko. Voor ons vormt het kunstenaarsstadje juist een ontspannen afsluiting. Op het winderige strand liggen afval, jonge kamelen en vrouwen zonder hoofddoek. De medina is aangenaam compact en bestaat voornamelijk uit woonhuizen, met daartussen één bescheiden koopgoot. De winkeliers laten ons zowaar met rust en ik krijg maar één keer hasj aangeboden. Een vrouw geeft Eva een voetsteuntje, zodat ze de beschilderde stadsmuren kan beklimmen. Het mooiste uitzichtpunt bereik je na een hachelijke beklimming van de muren, compleet met diagonale sprong naar boven. We zijn precies op tijd om de zon langzaam achter de horizon te zien zakken. Het geluid van de golven verstomt wanneer we van de stadsmuren springen. Door de stille medinastraten lopen we terug naar onze camping voor een laatste nacht in Afrika.

Oostwaarts
Het noorden, waar alleen de misdaad georganiseerd is

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*