Hoezo duur?

Het meest verbazingwekkende aan IJsland is niet dat ze er de grootste waterval van Europa hebben of dat 95% van de huizen in dit onherbergzame land is aangesloten op het internet. Nee, waar ze liever mee te koop lopen is dat ze met kerst feloranje malt og appelsín drinken (een combinatie van een soort zoete, non-alcoholische Guinness en sinaasappelsap met prik) en één zwembad per 2500 IJslanders hebben. Ik heb even uitgerekend dat Nederland 5255 zwembaden tekort komt om dezelfde zwembaddichtheid te halen, maar waar de IJslanders ècht trots op zijn is dat meer dan de helft van de bevolking in trollen en elfen gelooft. Van een land dat pas sinds de komst van de luchthaven in Keflavík – nog geen dertig jaar geleden – in contact staat met de buitenwereld kun je zoiets misschien ook wel verwachten.

Veel mooier in de winter (JS)

We hadden tijd genoeg om alle reclameboodschappen en wetenswaardigheden van IcelandAir in ons op te nemen. Na de ruim acht uur vertraging voor we eindelijk mochten boarden, stonden we nu al bijna een uur stil op de startbaan omdat de IJslanders hadden verzuimd om in die tussenliggende tijd te tanken. Een duik in het enige zwembad waar we heen wilden gaan, de Blue Lagoon, konden we nu wel vergeten. Van alles wat we in IJsland wilden zien konden we het ergens tussen helderblauw en melkwit schommelende water van deze geothermisch verwarmde bronnen eigenlijk ook het best missen. Zeker aangezien IcelandAir al iets over een financiële vergoeding door had laten schemeren om onze vertraging te compenseren.

‘If you really want to come to Iceland, plan on spending more money than you would on any other trip, then actually come and spend twice that amount,’ waarschuwde de Bradt gids. Tot op zekere hoogte terecht, maar toen ik bij thuiskomst een claim indiende liet IcelandAir me binnen een uur weten dat we €1200 terugkregen voor onze drie tickets. Zo veel hadden ze bij lange na niet gekost! Hoezo een duur land? Om financieel nog wat te redden probeerde de autoverhuurder ons een totaalpakket aan verzekeringen aan te smeren dat ons moest beschermen tegen opspattend grind, vulkaanas, diefstal en botsen. “Als dit je eerste keer in IJsland is, raad ik je met klem aan om het totaalpakket te nemen.” Dat betekende dan waarschijnlijk dat je er de tweede keer niet meer in trapt. Harrie en Coen twijfelden. Aan diefstal doen ze volgens mij niet in IJsland, dat er de komende vier dagen geen vulkaan zou uitbarsten was een gokje dat ik durfde te nemen en als we dan alleen nog zorgden dat we niet botsten bleef de verzekering tegen opspringende steentjes over. Licht teleur- en licht gerustgesteld verwerkten respectievelijk de verhuurder van onze Dacia Duster 4WD en Harrie en Coen de keuze, waarna we midden in de koude nacht naar Reykjavík reden.

Spookachtig landschap (JS)

“Vind je het leuk, pap?” We waren al zeker een jaar of achttien niet meer samen op vakantie geweest en Harrie genoot van elk moment. Omdat hij zowel mijn huis als dat van Coen had helpen verbouwen, wilden we hem bedanken met een reisje. Reykjavík moest deze tijd van het jaar deprimerend donker zijn met iets meer dan vier uur zonlicht per dag, duur, druilerig en bewolkt. Heel IJsland verkeerde echter in een feestelijke stemming en bij het gulle IcelandAir waren ze niet de enigen die cadeautjes uitdeelden. Nadat de temperaturen al weken boven het vriespunt lagen woei de wind nu uit noordoostelijke richting en lag er overal sneeuw. Het witte landschap maakte dat het weinige licht al rond tien uur ‘s ochtends – een kleine anderhalf uur voor de zon op kwam – voldoende gereflecteerd werd om wat optimistisch van schemering te mogen spreken. Anderhalf uur na zonsondergang, dus rond vijf uur ‘s middags, was het pas echt donker. Alleen de belofte van flink wat bewolking werd waargemaakt, maar daar viel dan weer geheel in kerstsfeer aardig wat sneeuw uit.

Na een kort nachtje reden we van Reykjavík naar Þingvellir. Eenmaal van de IJslandse ringweg af werd het landschap bergachtiger en leger. De ochtendschemer verleende de winterse omgeving een blauwe gloed. Árstíðir lífsins klonk uit onze autoradio met liederen over het leed en de tegenspoed die de eerste kolonisten van IJsland ondervonden. Het was moeilijk voor te stellen hoe de slaaf Náttfari rond het jaar 870 met twee andere slaven achterbleef in deze kale woestenij, in een land met zo weinig grondstoffen en nauwelijks beschutting tegen de elementen. Het was minstens even moeilijk voor te stellen hoe het afgelegen IJsland zo welvarend had kunnen worden, zo vooruitstrevend en zo drukbezocht. Verkeer in tegengestelde richting was er amper: iedereen ging naar Þingvellir, waar busladingen Chinezen en Japanners de kou in werden gestuurd.

Spuit! (JS)

‘Toeristen beschouwen het nationale park als een twee uur durende tussenstop. Vroeger bleven reizigers hier zes weken,’ mopperde onze reisgids. Þingvellir was de plaats waar de Vikingen vanaf 930 hun Alþing hielden, waar het parlement van hoofdmannen samenkwam om nieuwe wetten voor te lezen en recht te spreken. Geologisch is de plaats minstens even interessant: bij Þingvellir is zichtbaar hoe de Euraziatische en de Noord-Amerikaanse platen langzaam uit elkaar drijven, waardoor de vallei elk jaar een beetje breder wordt, met talloze scheuren in het rotsachtige landschap tot gevolg. Het is de enige plek ter wereld waar je tussen twee tektonische platen kunt lopen, op grond die tot geen enkel continent wordt gerekend.

Het spreekt voor zich dat ik veel van Þingvellir verwachtte. Dat het uitzichtplatform vol toeristen stond was jammer. De Lögrétta, de rots waar de wetten werden voorgelezen, stelde teleur. Ik had gehoopt op een groot rotsblok met daarboven de IJslandse vlag ongenaakbaar wapperend. Bij de Öxarárfoss werd het interessanter. De waterval die zich vanaf de Almannagjárichel naar beneden stortte, werd ingesloten door een gordijn van grote ijspegels; een dun laagje sneeuw kon helder lichtblauw ijs niet helemaal aan het oog onttrekken. En er was geen enkele toerist die het met cairns gemarkeerde pad naar de ruïnes van de verlaten boerderij Skógarkot volgde. Hier liepen alleen de sporen van poolvossen, met helderrode bloedspatten in de sneeuw waar ze hun prooi te pakken hadden gekregen. Pas op de terugweg vanaf Skógarkot openbaarde de grootsheid van Þingvellir zich aan ons. Dreigend verrees de rafelige rotswand van de Noord-Amerikaanse plaat voor ons.

Þingvellir mag het makkelijkst te bereiken zijn, het is zeker niet de enige plaats op IJsland met opzienbarend natuurgeweld. Bij Geysir, een verzamelplaats van geothermische activiteit, dampte warme nevel over mos en langs de kale takken van verwrongen boompjes. Hete stroompjes water en kolkende bronnen hadden de sneeuw plaatselijk doen smelten in deze spookachtige omgeving. “In de winter is IJsland volgens mij veel mooier dan in de zomer!” riep Harrie verheugd uit. Op sommige plekken ontsnapte hete stoom uit de aarde en op andere plaatsen lagen gloeiend hete poelen, maar het hoogtepunt was de geiser Strokkur. Elke zeven tot acht minuten knalde het water hier tot een meter of twintig de lucht in. Gefascineerd zagen we hoe de poel langzaam begon te borrelen, hoe het water in golfjes over de rand gutste voor zich een turquoise bel boven het gat verhief, de druk te veel werd en het water omhoog spoot.

Iceland, plain vanilla (JS)

“I hope you don’t mind we upgraded you to a bigger cabin.” De hottub voor ons houten huisje in Úthlíð liep ook al vol. Volgens de weerwebsite vedur.is was de kans op noorderlicht vannacht hoog, maar liggend in ons buitenbad met een koude Einstök Arctic Ale erbij zagen we alleen sneeuw uit de zwaar bewolkte lucht dwarrelen. Het is niet dat we het niet probeerden: ombeurten zetten we onze wekker en van drie tot vier ‘s nachts speurde ik de lucht af terwijl ik over de besneeuwde wegen liep, zo ver mogelijk weg van de lichten van huizen. Tevergeefs.

Al bij het eerste licht (rond een uur of tien dus) glibberden we met onze spijkerbanden over de laag vers gevallen sneeuw de heuvel af, op weg naar Gullfoss. Samen met Þingvellir en Geysir vormt Gullfoss de aardbeien/vanille/chocolade van alle IJslandse bezienswaardigheden; het platgetreden toeristenpad van de Golden Circle. Met reden, want het bulderend geraas van de enorme waterval was al van ver te horen. De brede Hvítá stortte zich hier in twee etappes langs kunstzinnig bevroren ijsformaties naar beneden om in een diepe kloof te verdwijnen.

Voldoende licht, ook in december (JS)

Nu onze beginnerscursus erop zat, wilden we naar een wat verder van Reykjavík gelegen deel van het land – het Snæfellsnes schiereiland. Na uren over donkere, bijna uitgestorven wegen en over besneeuwde haarspeldbochten bereikten we Ólafsvík aan de Breiðafjörður. Het was aan deze fjord dat de Viking Hrafna-Flóki op een kille lentedag, zijn vee gestorven van de honger en zijn beste vriend verloren aan het koude water, honderden ijsbergen de baai binnen zag drijven. Vertwijfeld noemde hij dit vervloekte eiland IJsland – de zoveelste benaming voor het land, maar deze naam zou blijven hangen. Ook nu was het koud onder de heldere sterrenhemel, maar van het noorderlicht ontbrak ieder spoor.

Via Hellissandur reden we het Snæfellsjökull nationaal park in. Hier, ver verwijderd van de Golden Circle, waagden de toeristen zich niet. Het woeste landschap was er niet minder indrukwekkend. Vanaf de kraterrand van de uitgedoofde vulkaan Saxhóll keken we uit over het grillige lavaveld, met boven de grijze golven van de Atlantische Oceaan het oranjeroze licht van de ergens achter de wolken verscholen zon. In het verlaten vissersdorp Beruvík was geen spoor van leven te bekennen; niemand probeerde bij Djúpalónssandur de stenen op te tillen waarmee de Vikingen hun kracht testten. Coen eindigde in de categorie ‘amloði’; zelf kwam ik niet verder dan ‘hálfdrættingur’. Ook Harrie waagde zich niet aan de kei van 145 kilogram.

Voor dit geld kunnen we best nog eens (CS)

Er was veel meer te zien in dit nationaal park, maar de decemberdagen waren kort en Reykjavík ver weg. Wel liepen we nog langs het Ströndinpad van Hellnar naar Arnarstapi, waar een beeld van ruwe opgestapelde stenen de machtige Bárðr (half mens, kwart reus, kwart trol; wat toch op een boeiende voorgeschiedenis duidt) voorstelde. De golven beukten hier meedogenloos op de verticale, zwarte kliffen. Zwart, grijs en wit waren de enige kleuren aan deze onherbergzame kust.

Zo weinig kleurschakeringen als Snæfellsjökull kende, zo uitbundig was de kleurenpracht in Reykjavík. IJslanders hebben een voorliefde voor ordinaire kerstverlichting en het waren dan ook de groene, rode en blauwe lampjes die de ramen domineerden. Het interieur van de Geysir Bistro & Bar, waar zelfs de serveersters met kerstverlichting waren versierd, vormde hierop geen uitzondering. Na een korte wandeling langs de evenmin subtiel verlichte Harpa concerthal en het fraaie Sólfarbeeld hadden we al Reykjavíks bezienswaardigheden alweer gespot en verdwaalden we in de drukte van kerstavond op een dichtgeslibde Laugavegur. Om toch nog iets uit te geven op deze vader-zoon budgettrip dronken we duur IJslands kerstbier en Flóki Icelandic single malt whisky. Het meest verbazingwekkende aan IJsland was voor Coen en mij immers nog altijd dat we zo schandalig weinig uit hadden gegeven om onze vader te bedanken.

Er ist wieder da
Bakk

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*