Hogerop

“Jullie gaan zeker lopen?” vroeg een man ons in de alimentară van Budeşti. Eigenlijk waren we er net over uit dat we dat niet gingen doen. Tijdens een lift met paard en wagen van onze kampeerplaats naar het winkeltje was het weer gaan regenen. Maar als Peter en Carla, broer en zus uit Utrecht en beide grijzend het aandurfden konden wij toch moeilijk achterblijven.

Peter had nogal wat gereisd in Oost-Europa, tot en met Albanië aan toe. Moldavië was echter onbekend terrein voor hem, dus dat bleef nog even een verrassing. Peter en Carla waren dus geen standaardtoeristen. Carla lachte ons uit dat we ons kompas vergeten waren, waarop ik teruggaf dat hun GPS-systeem hier alleen nuttig was om te achterhalen op welke coördinaten ze precies verdwaald waren. Bovendien waren ze zonder waterdichte bergschoenen duidelijk niet op regen voorbereid.

Dan denk je wel twee keer na als bonte kraai (EH)

En regen kregen we. Het viel met bakken uit de hemel. De Cosău, die we een uur lang moesten volgen, veranderde in een kolkende bruine bergstroom. We besloten een bij de Roemenen zo geliefde shortcut (‘scurţă tură’) te nemen en staken de rivier een brug later over dan in de Hiking Guide verordonneerd werd. Wisten wij veel dat de Cosău net in die vijftig meter tussen de twee bruggen splitste. De weg die we volgden ging dan ook nergens heen en leidde met een grote boog terug naar de rivier.

Daar vroeg ik een vrouw de weg nog maar eens, waarna prompt zes anderen zich met de situatie moesten bemoeien. We werden teruggestuurd naar een alimentară, maar Peter en vooral Carla wilden niet terug. Weer zo’n moment waarop een beetje kennis van de Roemeense taal loonde. Een bolle, mondige kerel vertelde dat hij zo meteen met zijn kar de bergen in ging, naar zijn stâină (herdershutje). Dat was een aardig eind richting Glod. We moesten mee teruglopen en verderop op hem wachten.

Na het zien van de splitsing van de Cosău en het oversteken van de juiste brug (bij een ander winkeltje) schuilden we voor de regen. Veel zin had dit niet: het zag er niet naar uit dat het ooit nog droog zou worden. Het zou zomaar kunnen dat ik de man, die in rap tempo honderduit aan het vertellen was, toch verkeerd had begrepen want er kwam vooralsnog geen kar aan. Dan maar zelf lopen op de modderstromen die in dit reusachtige dorp voor wegen doorgingen. Budeşti strekte zich nog kilometers uit, waarna we op een t-splitsing eindelijk een wegwijzer zagen: richting klooster.

“Şeful!” werd me ineens lachend toegeroepen. Naast ons stond de herder met zijn twee paarden en wagen vol vormeloze zakken. Op zijn aanwijzen plaatsten we onze rugzakken op de kar en gingen er zelf bij zitten. Peter en vooral Carla wisten het nog niet helemaal en liepen liever zelf. We lieten ze in ras tempo achter ons, waarbij de herder vrolijk verder ouwehoerde en me constant als ‘şeful’ (baas) aansprak. Nadat onze Hollandse reisgenoten ons inhaalden toen we een praatje maakten met een collega van de chauffeur waren ze van gedachten veranderd. Of ze er nog bij konden. “Kan de kar dat aan, met vijf passagiers?” vroeg ik. De herder lachte. “Met vijf? Met zes – wat zeg ik – met tien nog wel!” Daarna dronken we op het mooie buitenleven en omdat het ‘reinigend’ werkte. De man had namelijk zestig liter palinca gestookt en daar mochten wij in delen.

Hij zei 'Seful' tegen mij... (EH)

Het landschap veranderde van modder naar bos naar open bergweiden met hier en daar stenen. De vergezichten trokken langzaam aan de wagen voorbij; in de lucht ontwaarde ik het eerste stukje blauw. Een kilometer van het klooster werden we afgezet. Geld voor de lift wilde de herder niet; zo te horen vond hij het al lang prima dat hij iemand had gehad om tegenaan te praten. Waar Eva en ik de tijd namen naar (dode) dieren onderweg te kijken en te genieten van het rustieke bergpad in de welkome zonneschijn, stapten Peter en Carla stevig door. Achter de kloosterpoort – met een dwarsliggende ladder gebarricadeerd voor een loslopende koe, niet voor ons – waren ze al in gesprek met de Engels sprekende broeder Ion toen wij arriveerden.

Broeder Ion bood ons aan even te rusten op de bedden in een koel huisje, maar wij zaten nu liever buiten in de zon, om iets te eten. Ik bood de monnik wat brood en worst aan en hoewel hij net gegeten had wilde hij mij niet beledigen door dit af te wijzen. Eva liep wat rond en riep me ter zake. Hier was het mooi, hier bleven we. Ik probeerde haar met wat halfslachtige argumenten over te halen door te lopen, maar was eigenlijk al overtuigd van haar gelijk. In dit pastorale rustoord in de bergen konden we best even uitblazen. Bovendien had ik nog nooit in een klooster geslapen.

Peter en Carla zetten na de koffie om half vier hun tocht nog voort. Botiza en Poiena Izei waren zo’n vier uur lopen van het klooster verwijderd. Het klooster heette niet Roşia, zoals de kaart ons probeerde wijs te maken en bestond pas sinds 1994. Het werd bewoond door slechts twee mannen: broeder Ion en padre Vicenze. Deze week hadden ze een bezoeker, de slissende economiestudent Constantin. Als ik sliste zou ik niet in Bistriţa-Năsăud gaan wonen.

Constantin werkte vandaag aan de indrukwekkende toegangspoort. Dit was een soort van Efteling-ingang, maar dan met kerkklok. Nu was de bedekking van planken nog kaal, maar ook hier moesten houten pannetjes opkomen net als op alles in de Maramureş. Het klooster bestond verder uit een houten kerkje dat in bouwstijl niet afweek van de standaard in de regio, een hoofdgebouw voor de broeders en twee gastenverblijven. Eén voor de mannen en één voor de vrouwen. Naşpa.

We werden rondgeleid door Constantin, die hier op een soort van werkvakantie was. In de afgelopen tien dagen had hij hier pas zes buitenlanders gezien (vandaag dus vier), waarvan wij de eerste waren die bleven logeren. Naar goed orthodox gebruik zou ik die nacht dus bij hem op de kamer slapen. Niet dat het zo’n kwaaie pieten waren daar; ze hadden Eva en mij graag de nacht met elkaar gegund. Broeder Ion vroeg ons of we getrouwd waren, want dan mocht het. Of desnoods verloofd. “Zeg nou gewoon ja,” leek hij te willen zeggen, maar we speelden het spelletje volgens de regels.

Jezus' logeerkamer (EH)

Eva had groot gelijk dat ze hier wilde blijven. De zon scheen eindelijk, een koe liep tussen de vele bloemen op de bergweide voor het bos en een helder beekje klaterde vrolijk langs de huisjes. Broeder Ion zei zeer vereerd te zijn als we de mis om vijf uur zouden bezoeken, ook al waarschuwden we weinig met Jezus op te hebben. We werden hard gestraft voor onze goddeloze levensvisie. Een orthodoxe kerkdienst is namelijk gespeend van welke vorm van interactie dan ook met het biddende publiek.

Het altaar wordt door een wand met drie deuren afgeschermd van de rest van de kerk. Deze hangt achterlijk vol met iconen (meer dan honderd stuks telde ik toen ik geen andere manier meer kon bedenken om niet in slaap te vallen) en met roze bloemen versierde truttige kleedjes. Zodra de ceremonie met het luiden van de kerkklokken en ritmisch getrommel op een houten plank begint, verdwijnt de priester door een van de deurtjes. Broeder Ion en Constantin keerden ons (en later een grote familie gelovigen) de rug toe en begonnen ombeurten monotoon te prevelen.

Het was als het kijken naar de extended edition van een Richard Gere film. Maar liefst één uur en vijftig minuten lang gemompel, eenstemmig gezang en wierook waaieren duurde de verschrikking. Lijdzaam zag ik toe hoe de zon buiten plaatsmaakte voor nieuwe stortregens, daarmee de tent die we voor de mis hadden uitgehangen niet bepaald droger makend. En dan beweerde Constantin ook nog dat dit een korte dienst was. Op zondag duurde het spektakel drie tot vier uur.

Het verlaten van de kerk voelde aan als het uitpoepen van een drol die al vanaf het begin van de tweede helft zit te duwen bij een wedstrijd die je absoluut niet mag missen. Na deze opluchting bleek dat er ook nog gebeden moest worden voor het avondeten. De bezoekende familie kwam een doos gebak brengen en at een bordje bonensoep mee. Ook priesters en broeders blijken mensen te zijn: we dronken palinca en witte wijn bij de sarmale. Na het eten vertrok padre Vicenze al snel weer naar boven, naar zijn tv met schotelantenne. Eva ging met Constantin de koe melken, terwijl ik met broeder Ion nog wat wijn inschonk.

Broeder Ion was piloot geweest. Hij wou weg uit Roemenië om geld te verdienen. Tijdens het communistische regime had hij uitstekend Engels leren spreken; hij had alleen zelden de kans om het te gebruiken. In die tijd moest hij ook vaak met rugzak door de bergen lopen, in tegenstelling tot ons niet vrijwillig. En toch zat hij nu al tien jaar in dit klooster. Naar huis gaan kon niet meer: daar woonden nu vast andere mensen. Dat zou net zoiets zijn als naar Moldavië reizen. Dat was oorspronkelijk Roemeens, maar daar woonden nu ook andere mensen. Mensen wier taal woord voor woord was afgebroken door de Russen tot er niet meer dan een armzalig dialect van het Roemeens over was. Mensen die tientallen jaren gebukt gingen onder het juk van de Sovjetunie en nooit Russen waren geworden maar nu ook geen Roemenen meer waren. Daar als Roemeen rondreizen stemde verdrietig.

De hele avond werd gevuld met vooral monologen van broeder Ion over het kloosterleven en meditatie. Soms luisterde hij naar onze meningen en hij was blij dat er in het westen ook goede mensen bestonden. Hij was duidelijk in zijn nopjes eens met iemand te kunnen praten. Hoewel hij het volgens mij in het klooster reuze naar zijn zin had zal het met z’n tweeën af en toe best eenzaam zijn. Toen alle wijn op was gingen we naar de gastenverblijven. Constantin had de mannenkamer met een vuurtje in de kachel op Sahara-temperatuur gebracht, met een hoop rook als bonus. We hoefden niet te wachten tot hij zijn tanden had gepoetst. Die moesten toch getrokken worden. Eva deed haar deur dicht om de koude lucht buiten te houden; ik deed de mijne open om de koude lucht binnen te laten. Het blijven kwiebussen, die Roemenen.

Папутка
Meer houten kerken dan gezonde gebitten

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*