Humor

Zoals ik vorig jaar al vertelde heeft Roemenië een keur aan bezienswaardigheden te bieden en één ervan is Humor. Laat ik nou net daarover geen grappige one-liner kunnen verzinnen. Het leek er trouwens op dat de Roemenen toch iets anders onder humor verstaan dan wij en dat begon al met de treinreis. Hoewel het spoorwegennet vrij uitgebreid is en je dan ook zonder al te veel problemen van plaats naar plaats kunt reizen, is de route zelden logisch. Toegegeven, die Karpaten zitten een beetje in de weg en maken verbindingen in vogelvlucht vaak onmogelijk, maar je kunt ook overdrijven. Van de tussenstations, zoals aangegeven op de informatieborden op stations, word je ook niet veel wijzer. Dit zijn stuk voor stuk stations uit de categorie Câmpia Turzii: ze bestaan wel, maar vind ze maar eens op een kaart.

Onlogica wordt gekoppeld aan absurd lange trajecten, waardoor we pas in Suceava, ruim veertig kilometer van de grens met de Oekraïne verwijderd, over hoefden te stappen. Op het station werden we verwelkomd met een klap in het gezicht van de onverwachte hitte. Hier heerste een landklimaat en dat zouden we weten ook, want de bergen moesten nog enkele dagen op ons wachten.

In onze nopjes (EH)

Per trein legden we het laatste stukje naar Gura Humorolui (‘de mond van de Humor’) af. Voor Frank het hoogtepunt van de vakantie. Niet omdat dit dorp naar de Roemeense Theo Maassen ofzo was vernoemd, maar omdat we hier een aankoop deden waar we later nog veel plezier aan zouden beleven. Een kek ensemble van felgeel Roemeens voetbalshirt en felgeel broekje. De kleuren spatten eraf, en dat voor een zacht prijsje van rond de 22 gulden. Op sportdagen van de universiteit en in het uitvak bij de wedstrijd Vitesse – Rapid Bucureşti zouden wij hiermee de blits maken.

Joost had ondertussen niet meer nodig dan een pakje Carpaţi-sigaretten. Deze hielden zo’n beetje het midden tussen zware shag en bruinkool. Eva stelde zich tevreden met het fotograferen van ons, koene helden, voor een lief houten hekje waarover handgemaakte kleedjes hingen. Kinderhanden zijn gauw gevuld.

In het klooster van Humor zelf (oh, het is een klóóster!) moeten ze zich bescheurd hebben om al die beteuterde gezichten van toeristen (ook hier geldt: denk lage aantallen). Er gebeurde namelijk niets grappigs, want het ging er hier serieus aan toe. Het was niet de bedoeling dat we in korte broek en korte mouwen naar binnen gingen, vanwaar Frank en ik malle jurkjes kregen. Eerlijk gezegd vond ik de transseksuele indruk die dit gaf veel heiligschennender dan wat ontblote ellebogen, maar onderhandelen met de in egaal zwart stof verpakte nonnen had geen enkele zin.

Voroneţ-blauw (EH)

Ook andere mannen liepen in jurk rond: de orthodoxe priesters, compleet met lange zwarte baarden en komische zwarte hoedjes. Even later verdwenen ze allemaal voor het beoefenen van hun favoriete hobby: bidden. Ze hadden hier geen horloge nodig om te achterhalen of het al bidtijd was. Zodra er iemand met een grote balk buiten rondsjouwde en daarop ritmisch houten klanken produceerde, kon je op je klompen aanvoelen dat je het 16e eeuws kerkje weer in mocht.

Langs de rivier, waarin halfnaakte mannen paard plachten te rijden en vrouwen kleden wasten, liepen we terug naar onze ‘camping’. Tussen aanhalingstekens, want die was er geen. Wat niet betekende dat het gratis was. ‘s Avonds verschenen er twee mannen bij ons kampvuur met (zelfgemaakte?) tickets. Als dit een slimme manier van bijverdienen was, dan was het zeker een creatieve. Stukjes grond bij het riviertje verhuren, zonder douche, toilet, restaurant, receptie, enzovoorts. Dergelijke inventiviteit beloonden we graag met een paar guldens.

Dat er geen sanitaire voorzieningen waren hield ook in dat we ons in de ijskoude Moldova moesten wassen. Omdat Eva er ‘s avonds nog eens insprong kon ik helaas niet achterblijven. Een dikke Roemeen met veel jonge vrouwen om hem heen raakte met ons in gesprek. Dit praatje draaide vooral uit op het beledigen van Frank. Haha, wat een iel manneke! ‘Skeletto,’ noemde hij Frank, iets wat ons nog beter beviel dan het ‘poepmajoor’ dat Joost tot dan toe had gebezigd. Frank was er minder van gecharmeerd en bovenal verbolgen daar wij net zo mager waren als hem en bovendien lang haar hadden en dus meer recht op beschimpingen hadden.

Die zwembroek kon toen eigenlijk al niet (EH)

De dikke man, die Joost en ik ondertussen erg sympathiek begonnen te vinden, nodigde ons uit om eens langs te komen bij hem en zijn dochters. Konden we samen voetbal kijken en een hapje eten. De meisjes, van wie er een in Amerika woonde en dus een aardig woordje over de grens sprak, waren het roerend met dit plan eens. Niemand weet waarom we uiteindelijk niet op de uitnodiging zijn ingegaan.

Voroneţ, het beroemdste klooster van Bucovina (en daarmee van Roemeens Moldavië en misschien zelfs heel Roemenië), mochten we natuurlijk niet overslaan. In 1488 gesticht door Ştefan cel Mare, dé held van Moldavië, en bekend om zijn vele kleurrijke fresco’s aan binnen- en buitenzijde. De specifieke tint blauw staat zelfs bekend als ‘Voroneţ-blauw’. Het waren inderdaad wel fraaie motiefjes over hel en verdoemenis en wat al niet meer. Deze ‘Sixtijnse Kapel van het Oosten’ lokte zelfs hele busladingen Japanse toeristen naar het afgelegen noorden van Roemenië.

Buiten de verstevigde kloostermuren besloten wij dat een bak ijs met kersen voor ons ook al voldoende reden geweest zou zijn hierheen te lopen. Bij gebrek aan lepeltjes weet je dan weer meteen waarom je studeert: zo’n collegekaart is multifunctioneel inzetbaar. Om een goede bodem te leggen voor de wandeltochten van de komende dagen at ik ‘s avonds tochitură. Een Moldavische specialiteit die lijkt te bestaan uit onidentificeerbare stukken vlees en kliekjes, begeleid door een vormeloze drol mămăligă. Ik had geen spijt dat we Moldavië voorlopig nog niet zouden verlaten.

Wij lopen liever om
Wie mititei heeft is niet arm

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*