Iedereen zoekt hier rugbyshirts

Al om half negen ‘s ochtends zat de directe bus van het gehucht Korsha naar Tbilisi propvol. Hier had iemand nog ramshoorns op het plaatsnaambord bevestigd, maar over een uur of drie zouden we weer in de enorme hoofdstad rondlopen. Vaarwel, Kaukasus. In Tbilisi hadden we het bij Irina wel gezien, dus zochten we een ander adres op. Dat van Khatuna, om te beginnen. Hier stonden we heel snel weer buiten, want de oude vrouw ag eruit als een Tsjernobyl-slachtoffer en in haar donkere huis stonk het. Het kwam me ook vaag bekend voor. Volgens mij had ik dit eerder gezien in de film Hostel. Via een omweg vonden we uiteindelijk Dodo Kevlishvili. Hier waren net twee bedden vrijgekomen, het was er koel en rustig en er was een fijne binnentuin waar je in de schaduw meloen kon eten en biertjes drinken. Dodo zelf was een eigenwijze tante die graag al haar gasten op de korrel nam en in chagrijnig oudemensen-Engels een praatje maakte. Cynische mensen mag ik over het algemeen wel.

Bij Dodo ontmoetten we enkele bekenden: Helen, Sam en Rich waren er ook. Sam en Rich hadden zich verslapen bij hun tweede poging om naar Svaneti te reizen en zaten beteuterd in hun slaapkamer. Helen slikte pijnstillers met grote slokken wodka. Een dronken Georgiër had haar van een trap geduwd. Om de aandacht van haar rug af te leiden beklaagde ze zich luidkeels over Sam, die nog geen zak chips kon kopen buiten de grenzen van Engeland. Zelf kon ik het nog altijd prima vinden met de twee biologen, dus we besloten samen op souvenirjacht te gaan. Om te beginnen moesten er rugbyshirts worden gevonden, want nu ik dit item had genoemd beseften de Engelsen dat ze ook niet zonder naar huis terug konden keren. De poort uitlopend reed er meteen een grote, zilveren BMW voor. Dodo’s man. Bedden verhuren aan backpackers is zo te zien geen verkeerde baan in Georgië. “Stap maar in, ik breng jullie wel!”

Lelos, Lelos, Lelos Sakartvelos! (JS)

Even later stonden we voor het stadion van Dinamo Tbilisi, waar tientallen sportwinkeltjes er een nagenoeg identiek aanbod op na hielden. Geheel zonder aan rugby gerelateerde artikelen, uiteraard. “Ja jongens, hebben jullie het al bij het hoofdkantoor van de Georgische Rugby Federatie geprobeerd?”, hoorden we eens te meer. Een taxirit later konden we er zo naar binnen lopen. “Hallo, wij zoeken rugbyshirts!” Van achter een computer keken een man en vrouw elkaar aan, waarna de vrouw doodleuk verklaarde dat ze ook rugbyshirts zochten. Over een maand ofzo zou het wereldkampioenschap in Frankrijk beginnen. Tegen Ierland, Frankrijk en Argentinië zouden de Georgiërs niet veel kans maken, werd hardop gespeculeerd, maar de Namibiërs konden ze hebben. Hopelijk in nieuwe tenues gestoken, want iedereen was hier nog druk op zoek naar nieuwe rugbyshirts. Op de computer was alvast te zien hoe ze eruit moesten komen zien. Wit met rode flanken, zonnerad op de borst, Sakartvelo eronder. Behoorlijk hip. Ze zouden als het goed was een week later klaar zijn en twintig dollar gaan kosten.

We buurtten nog gezellig wat over rugby en hoopten met weinig vertrouwen op de Georgische tijdsplanning. Zowaar, een week later gingen Sam en Rich nog eens terug en kochten er een aantal nieuwe shirts. Op de flitsende pakjes op het computerscherm leken ze in de verste verte niet, maar vlak na het WK zou ik dan toch mijn eigen Georgische rugbyshirt hebben. Een WK waarop Georgië trouwens een sensationele wedstrijd nipt met 14-10 van Ierland verloor, waarna de Ierse profs lieten doorschemeren dat ze niet vaak zoveel klappen hadden gehad. Tegen Namibië werd de allereerste Georgische overwinning op een eindtoernooi behaald: 30-0. De andere souvenirs waren makkelijker te vinden: drinkhoorns en de op de Engelse gelijkende Georgische vlag voor Sam en Rich; goedkope cd’s en liters wodka voor ons. De vrouw in de slijterij – nou ja, supermarkt dan – praatte lyrisch over de vele flessen die ik aanwees. Khortytsa kende ik nog uit Oekraïne, Beloe Zoloto uit Rusland moest ook erg goed zijn, maar over de wodka’s van eigen bodem was ze behoudender. “Troep – laten staan!” Nou, toch één flesje Samgori dan. Met twee plastic tassen vol bier en wodka klingelde ik grijnzend de winkel uit. Dit is goed, dit is lekker en je vrouwtje draagt de boel wel voor je, gebaarde de madam.

Eva dacht er anders over en moest ook niks hebben van mijn andere aankoop: een Playboy voor Willem. Tijdens onze trip naar Legoland zocht hij vergeefs naar een Deense versie, maar hier lag het allereerste Georgische exemplaar. Een collector’s item. Op televisie was het eerder deze week al te zien. Rare kronkeltjes op de cover, dus weinig kans dat je werd afgeleid door al die uitstekende artikelen. De vrouw bij het krantenrek vroeg nog of ik niet liever de Russische wilde, keek Sam lachend aan en aaide hem over de wang. Sam was verontwaardigd dat het vrouwtje dacht dat ik het blad voor hem kocht, omdat hij het zelf niet zou durven. Eva had inmiddels zelf ook drinkhoorns gehaald, waarmee onze koopwoede wel zo’n beetje geluwd was.

Azerbeidzjan - maar nu even niet (EH)

Na de gebouwen aan het Rustaveli-plein, Rustavelis Gamziri, Tavisuplebis Moedani en het Irakli II plein gezien te hebben, wilden we ergens eten. Bij voorkeur niet vegetarisch en wel met trireme, maar dat laatste was teveel gevraagd. Het werd KGB is still watching you. Nou, hielden ze ons maar in de gaten. Van ons vieren kreeg alleen ik precies wat ik besteld had. “They couldn’t organize a piss-up in a brewery,” mopperde Sam. Mooie uitdrukking. Eigenlijk zijn de Georgiërs gezegend met een geweldig organisatorisch talent wat betreft het veelal ad hoc in elkaar flansen van drinkgelagen, maar hier was de service ronduit beroerd. Wat wil je, in een tent die prat gaat op Sovjetnostalgia. Er werd ‘compote’ geschonken en de gerechten hadden namen als ‘Lenin’s favourite’, ‘Religion is opium to the people’, enzovoorts. Sam en Rich vertelden over hun onverstaanbaar Welsh mompelende rugbytrainer en het altijd vrolijke Gloucester, voor ze stiller werden en zich zorgen gingen maken over de volgende dag. Morgen moest het lukken om vroeg op te staan en de bus naar Svaneti te halen. Poging drie, inmiddels.

Na het horen van vier verschillende alarmtonen draaiden Eva en ik ons nog eens om. Het was nog donker en wij hadden geen haast op onze laatste dag in Georgië. Niet heel veel, althans. De avond ervoor was Ian ons op komen zoeken. Hij sliep bij Khatuna, waar het goedkoop was, en wilde wel met ons mee naar de kloosters van Davit-Gareja. Ian bleef volharden in zijn pogingen om Dodo een taxi voor ons te laten regelen. “Why, you are not guest,” mopperde Dodo, die eigenwijs beweerde op een kussen vol geld te slapen, maar daar best nog iets aan toe wilde voegen. Als ze al zou bellen, dan op het moment dat zij daar zin in had. Ze piekerde er niet over zich op te laten jagen door een ongeduldige Engelsman. ‘s Ochtends besloot ze liever op de taxichauffeur af te geven, toen ze vond dat het tijd was toch eens te bellen. “Hij vraagt 80 lari. Ik weet niet of dat een goede prijs is. De chauffeur wil ook weten hoe ver het is, maar ik heb gezegd dat het zijn werk is om dat uit te zoeken en opgehangen. Over een half uur is hij hier.”

Niet slecht, 80 lari voor een retourtje Tbilisi – Udabno; toch gauw 70 kilometer. Ian had de Zweed Lars meegenomen, waarmee deze prijs op nog geen tien euro per persoon neerkwam. Door de wijnstreek van Georgië reden we oostwaarts over prima wegen. “Drink wine! Eat wine! Drive wine!”, lazen we op de spandoeken boven de weg. We sloegen van de grote weg af het verlaten binnenland van Kakheti in. Vergelijk Kakheti met een woestijn en je kunt een leuk spelletje ‘Zoek de tien verschillen’ spelen. Eén van de verschillen was dat de Sovjets hier dorpen hadden laten bouwen. De fantasieloze massaproducten stonden nu goeddeels leeg. Niet helemaal leeg, want de betonnen karkassen waren tot de nok toe gevuld met hooi. De platte zandvlakte maakte plaats voor een golvende woestenij nabij de grens met Azerbeidzjan. Na de zoveelste bocht in een dor landschap zonder herkenningspunten stonden we ineens voor het Lavra-klooster, onderdeel van het Davit Gareja-complex.

Flitsende agames (EH)

Lavra lag onbeweeglijk in de stilstaande, hete lucht. Het pad leidde ons eerst weg van het klooster, steil omhoog naar een uitzicht over de rood en geel gekleurde zandsteenrotsen aan de ene kant en het groenig gele woestijnlandschap van Azerbeidzjan aan de andere kant. Afdalen in het buurland was hier in principe mogelijk, maar de eerste nederzetting konden we vanaf onze hoge post niet onderscheiden en waarschijnlijk werd deze richel onafgebroken gemonitoord door de Azerbeidzjaanse grenspolitie. Voor de zekerheid zwaaide ik naar de plek waar ik ze vermoedde. Aan deze zijde van de bergen bevonden zich ook de grotten van Udabno, letterlijk ‘woestijn’. Vanaf de 6e eeuw waren deze gebedsruimtes door monniken uitgehakt en in de 10e tot 12e eeuw van fresco’s voorzien. Nu vonden we er alleen afgebladderde verf, slangenhuiden, gestreepte hagedissen en heel veel agames. Grote, bijzonder snelle hagedissen die ons nieuwsgierig in de gaten hielden.

Een militair maakte zeker dat we weer naar boven zouden klimmen. Ook hier in Georgië werden we in de gaten gehouden, dus vanaf het kerkje helemaal bovenaan daalden we braaf weer af naar Lavra. Verschillende torentjes en een ommuurde binnentuin vormden een oase in deze mensen vijandig gezinde omgeving. Naar binnen mocht ik er niet, in mijn korte broek en rokken uitdelen was er dit keer niet bij. Ik mocht niet eens een rok improviseren van de conservatieve zeikerds, dus het hele verkleedfeestje ging niet door. In plaats daarvan vermaakten Lars en ik ons dan maar even met de in een put gevallen kikkers en voorbij flitsende agames, terwijl Eva en Ian wel naar binnen konden.

Met een luid “Dzila nebisa!” liet ik de chauffeur wakker schrikken, waarna we prompt verdwaalden in de overal eender ogende woestijn. Dankzij eveneens verdwaalde Italiaanse motorrijders konden we beredeneren welke kant we dan wel uit moesten. In Tbilisi wilde de chauffeur meer dan het afgesproken bedrag, maar daar hadden wij niet zo’n zin in. Onze laatste lari gaven we liever uit aan biertjes, om de tijd zoveel mogelijk te doden op de binnenplaats bij Dodo. Net als op de heenreis moesten we namelijk midden in de nacht op het vliegveld zijn. Dat betekende tot een uur of acht Baltika’s drinken en daarna met de laatste bus erheen om tot tien voor vier ‘s nachts te wachten. Terwijl de muziek van Zdob şi Zdub door de terminal klonk, nam Georgië op passende wijze afscheid van ons. Een zwerfhond kwam onder ons bankje slapen, terwijl een dronken Georgiër me een afscheidskus gaf. Nakhvamdis!

Letse alledaagsheid in twee bedrijven
De politie, extreem goed van vertrouwen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*