Ik dacht da’k een beer hoorde…

Onze route vanaf de Dacische hoofdstad verliep bergopwaarts over de pieken Steaua Mare en Neagru naar Şureanu op 2059 meter hoogte. Nou ja, zo stond de route in onze reisgids beschreven. Tegen het vallen van de schemering wisten we dat we hopeloos verdwaald waren en zag Eva het allemaal niet meer zitten. Op een oude vrouw die frambozen aan het plukken was na hadden we de voorgaande vier uur geen mensen meer gezien. Door haar tranen heen zag Eva geen uitweg uit het eindeloze berggebied.

We liepen al een hele tijd over een steenachtig pad, aan beide zijde omsloten door ondoordringbare struiken en loofbossen. Het werd steeds later, maar een plaats om onze tent op te zetten vonden we niet. Uitgeput besloot Eva dat het zo niet verder kon, en dat we onze tent desnoods op de stenen op moesten zetten. Hier was ik het niet mee eens: ik stelde voor maximaal een kwartier verder te lopen op zoek naar een stuk grond voor de tent, om vervolgens terug te komen. Na ruim tien minuten viel ik dankbaar op mijn knietjes in het gras van een bergweide, om daarna snel mijn knieën schoon te vegen en terug te huppelen.

Ja, lach er maar om

Echt opgelucht waren we pas toen de tent stond, we gekookt hadden en de fles Haţegana bijna leeg was. Doodmoe vielen we in slaap om pas midden in de nacht wakker te worden van een zwaar gestommel. Een beer. Wat moesten we nu doen? Geen geluid maken, om te beginnen, en hopen, heel hard hopen dat het beest weg ging. De zware stappen hielden op voor onze tent, waar het dier geïnteresseerd begon te snuffelen. Gelukkig bleek het allemaal toch minder interessant dan het leek, want na een paar tergend lange minuten sjokte het beest verder.

‘s Ochtends werd ik wakker in een andere wereld. De vijandige berg die ons wilde doen verdwalen, uithongeren en van angst in onze broek laten plassen was overnacht veranderd in een lieflijke alpenweide. De zon verwarmde onze verwarde hoofden, vlinders fladderden langs de bosrand en koeienvlaaien verklaarden de ‘beer’ van vannacht. Nu konden we er wel om lachen, wat de twee herders die de berg opliepen hogelijk verbaasde. Wat deden twee Nederlanders (zonder sigaretten) op berg Godeanu? Waarop wij op onze kaart keken en nog harder lachten. Godeanu godnondeju, dat verklaarde een heleboel! Het dichtstbijzijnde dorpje was nog altijd Grădiştea de Munţe, zo’n 12 tot 15 kilometer bergafwaarts. Verder lopen had geen zin, de beschreven route traceren klonk weinig aanlokkelijk. We bedankten de herders uitbundig, pakten de tent in en besloten terug te lopen zoals we gekomen waren.

Vroeg in de middag bereikten we de plaats waar aan de weg werd gewerkt. Helaas spraken we geen Roemeens/Russisch/Turks en deze mannen geen Engels/Duits/Frans, dus communiceren was er niet bij. Liften wel, waarna we ons na nog een nacht kamperen in Costeşti per bus naar Orăştie en per trein om het Şureanu-gebergte lieten vervoeren. Volgende halte? Pui. Voor we door hadden dat we er waren reed de trein alweer verder. De oude perronchef was boos dat we uit de rijdende trein sprongen. Dat soort dingen was echt not done in Pui.

Wat gebeurde er dan wel in Pui? In de Hiking Guide wordt het dorp (op de manier om er zo snel mogelijk weg te komen na) niet genoemd. In de Lonely Planet geen aantekening. Zuidwaarts loop je het Retezat-gebergte in. Noordwaarts het Şureanu-gebergte. Voor beiden zijn echter passender uitvalsbases te bedenken. Maar er was wel een grot in de buurt (wat mijn vleermuisminnende vriendinnetje een geanimeerd ‘hoera!’ ontlokte), en bovendien: waarom zouden we niet in Pui stoppen? Het was immers niet zo dat we al alles over het Roemeense dorpsleven wisten.

Ons voornaamste doel bij aankomst was het dorp zelf vinden. In zijn nobele streven het land kapot te maken had Ceauşescu besloten dat treinverkeer het leven in steden en dorpen niet mocht hinderen. Stations liggen dan ook nooit in het centrum en bij voorkeur minimaal drie kilometer van de dorpsrand. Zo ook in Pui. In de alimentară (Roemeens voor buurtsuper) vroegen we naar Eva’s Cioclovina-grot. De kassajuffrouw had geen flauw idee. Een camping was er ook niet; een pension wel. In tegenstelling tot wat we over hotels hadden gelezen was het pension wel betaalbaar voor studenten als ons. Ook hier wist niemand hoe we de grot moesten bereiken.

Vlakbij ons pension aten we ‘s avonds in een veredelde friettent. “Wat leuk,” riep Eva. “Ze hebben hier allemaal plaatselijke specialiteiten op het menu staan!” We weten allemaal dat je in friettenten friet, kippenvleugeltjes en halve hanen kunt halen, maar geen exquise lokale cuisine. Het leek me dus tijd Eva uit te leggen hoe de vork in de steel zat. “Eva, ‘pui’ is Roemeens voor ‘kip’. ‘Piept de pui’ betekent niets meer dan ‘kippenborst’. Deze plaats heet Kip.”

Verdwalen is er niet bij met zo'n kaart (I)

Bij terugkomst in het pension werden we nog voor deze informatie helemaal bezonken was aangesproken door een jongen die best wel eens Iulian geheten zou kunnen hebben. Het was hem ter ore gekomen dat wij op zoek waren naar de Cioclovina-grot. Verhalen doen snel de ronde in kleine dorpjes. Onder het genot van een biertje spreidde hij een zelfgetekende routekaart voor ons uit. Dit kon zo op het oog net zo min mis gaan als de routes uit de Hiking Guide.

Het bier smaakte goed, waarna Iulian voorstelde de disco in Pui te bezoeken. De ce nu? De symbolische entreeprijs van één gulden werd ruimschoots goedgemaakt door het feit dat de halve liters hier goedkoper waren dan in de winkel. En dan vinden mensen het gek dat ik in Nederland nooit naar de disco ga. Dat Iulian graag tekende hadden we al gezien aan de kunstzinnige routekaart naar de grot; hier waren de muren bedekt met zijn artistieke uitspattingen. Hij was er erg fier op. In de disco was de complete jeugd van Pui verzameld, variërend in leeftijd van 12 tot 65 jaar oud. Erg lang schuifelden we niet met ze mee. De tocht naar Cioclovina was er een van vele gevaren.

Fietsbandsoep
Daciërs zijn zó vorig jaar

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*