Ik hou niet van vogels, vogels houden niet van mij

De camping in Tórshavn toonde weinig hoofdstedelijke allures. Twee douches en drie wc’s telde de mannenafdeling. Veel meer dan vier tentjes zullen er niet gestaan hebben. Nu waren de Færøer ook minder toeristisch dan ik gedacht had, aangezien iedereen maar drie dagen bleef in verband met het vaarschema van de Norröna richting IJsland. Dat gold ook voor de Esten die met ons op de helikopter wachtten. Na maar liefst een hele week in IJsland (compleet met vijf dagen regen) moesten ze zich nu drie dagen op de Færøer zien te vermaken. Net als wij vlogen ze vandaag naar het zuidelijkste eiland, Suðuroy. Helikopterritjes zijn op de Færøer een algemeen geaccepteerde vorm van openbaar vervoer, die door de overheid flink wordt gesubsidieerd. Enkele eilanden zijn per boot niet of nauwelijks te bereiken. Bevoorrading per helikopter is hier pure noodzaak.

Airborne oma (RO)

Onze vlucht van ruim een half uur kostte daarom maar €29 per persoon. Oma had nog nooit in een helikopter gezeten (wij ook niet) en keek hier al een hele tijd naar uit, terwijl Rineke het geen ramp vond dat er nog maar drie tickets waren toen ik ruim een week geleden boekte. Met de helikopter gaan is op de Færøer dus net zoiets als de bus pakken. Je moet er vijf minuten voor vertrek zijn, waarna een beambte die uit zijn ogen kijkt alsof hij thuis van alles destilleert met die hoge drankprijzen hier gaat hoofdrekenen hoeveel je mag betalen. Drie minuten later volgt er een bedrag dat je afhandig wordt gemaakt, maar tickets blijven uit. Vervolgens slofte de man naar onze auto, staarde een tijd gebiologeerd naar de Thorshamer achterop, zette een koptelefoon op en sjokte naar het platform waar de helikopter nu landde. Bagage erin, koptelefoons op en hoppa, recht omhoog de lucht in zonder de rotorbladen een moment van rust te geven.

De konijnenhokken, kippenrennen en schapenvelden van de hoofdstad werden snel kleiner, maar echt hoog gaat zo’n helikopter niet. We vlogen tussen de eilanden Streymoy en Nólsoy door; de oceaan vrolijk glinsterend onder ons. Sandoy bleef verdacht ver rechts van ons. Volgens de dienstregeling vloog de helikopter van Tórshavn naar Skúgvoy, daarna naar Stóra Dímun en tenslotte pas naar Froðba op Suðuroy. Maar ja, als er niemand op één van deze twee kaboutereilandjes hoefde te zijn dan wel opgehaald diende te worden, zou een van overheidswege gesubsidieerde dienst hier vast geen tussenstop maken zodat toeristen de boel door het raampje van wat dichterbij konden bewonderen. Dat was dan een onvoorzien zwak punt in mijn plan, want eigenlijk wilden we vandaag Stóra Dímun zien; een eiland dat nergens minder dan honderd meter kaarsrecht omhoog uit de oceaan rijst. En toch staat er een boerderij en woont er een familie. De meest voorkomende doodsoorzaak was hier altijd van het eiland afwaaien. Veel afgelegener dan dit is moeilijk te vinden.

Skúgvoy kregen we niet te zien en ik zag mijn hele plan al in rook opgaan, toen de helikopter ineens op z’n zij ging vliegen en een haakse bocht maakte. Na aan de relatief vlakke grasvelden bovenop Stóra Dímun voorbij gevlogen te zijn, scheerde onze helikopter langs de zuidrand van het eilandje en kwam de boerderij in zicht. Het had meer van een vesting, met zware, stenen muren die het gebouw tegen stormen moesten beschermen. Een vesting met schommel, glijbaan en alles, dat wel. Ook hier woonden kinderen, op een onbewoonbaar lijkend privé-eiland midden in de oceaan. Een boerderij, een vuurtoren en een landingsplaats – verder niets. De boer kwam al aanlopen met een kruiwagen, terwijl een besnorde man uitstapte en zijn koffer meenam. Kleine kinderen vlogen de man bij het hek buiten de landingsplaats in de armen. Zo vaak krijg je hier vast geen visite.

Even afkoelen in Sumba (JS)

Langs Lítla Dímun, het enige onbewoonde eiland van de archipel, vlogen we het laatste stukje naar het zuiden. De definitie van eiland is me niet helemaal duidelijk, want er steekt hier van alles uit de oceaan wat dan weer om de één of andere reden geen eiland mag heten. Lítla Dímun wel. Maar liefst 1 km² groot en 414 meter hoog. Onbeklimbaar en daarom ook onbewoonbaar? Nee, want die gekken hier varen er wel elk jaar heen met een bootje vol schapen om ze er het hele jaar te laten grazen. Je raakt ze in ieder geval niet kwijt op zo’n klein eilandje, tenzij het stormt. Basaltkolommen kondigden Froðba aan, waar een glimlachende oma uit de helikopter stapte. Na de hele rit doofstom te zijn geweest kon ze haar ervaringen nu eindelijk delen, terwijl we in de stralende zon naar Tvøroyri liepen. Een langgerekt lintdorp dat al heel wat andere gehuchten had opgeslokt en nu met ruim 1500 inwoners toch mooi de vierde plaats van de Færøer was. Maar groot genoeg om fietsen te verhuren was het nog niet.

Jammer, want Suðuroy was vlak aan de rijkbefjorde oostkant en warmer dan de andere eilanden (waar je volgens de reisgids weinig van zou merken – onzin!). Dan maar met de bus naar Sumba, het zuidelijkste plaatsje van de Færøer. Samen met oma liepen we langs schapen met indrukwekkend gedraaide hoorns naar Akraberg, waar het land in de oceaan verdween. Zes kilometer verderop zagen we de Flesjarnar en Sumbiarsteinur nog net boven het wateroppervlak uitsteken. Het volgende land, de Shetlandeilanden, lag driehonderd kilometer verderop. Gezellig rood met wit geverfde huisjes met lichtgroene daken keken uit over het eindeloze blauw. De sfeer was al even zuidelijk als de ligging. Iedereen zat op z’n dak, was aan het verven of in de tuin aan het werken. Weer voor t-shirts, ijsco’s en praatjes met vriendelijke dorpelingen. Over het prachtige voetbalveld van dit gehucht, bijvoorbeeld. Hoog boven het dorp lag een kunstgrasveld; het enige vlakke terrein in de wijde omtrek.

Van voetbal waren ze hier helemaal gek, al stelde de amateurcompetitie (tevens de enige competitie) geen drol voor. Na mezelf in de pizzeria in Vágur door vier pagina’s roeinieuws in het Færøers te hebben geworsteld, vond ik de voetbalsectie. Foto’s van te oordelen naar de huidskleur speciaal voor het voetbal ingevlogen mensen, maar de internationalisering had de sport nog niet naar een hoger niveau getild. Er waren uitslagen bij als 8-0, waarvan twee goals in eigen doel. De pizza’s waren al niet veel beter en het drinken nog erger. Het enige leuke aan mijn flesje Faxe Kondi was het etiket dat in de jaren ’70 misschien nog net had gekund. “Waarom tijd aan lay-out besteden als er geen concurrentie is in ons kleine land?”, moet de Færøerse producent denken. Op pakken yoghurt staat een houten kommetje yoghurt op witte achtergrond.

Zonsondergang achter de Dímuns (EH)

Duidelijk. De enorme Smyril ferry, voorheen verantwoordelijk voor de overtocht vanuit Denemarken, vormde de geldverslindende verbinding met Tórshavn. Slechts een handjevol passagiers genoot op het gigantische, luxueuze schip van de zonsondergang die de luchten achter Lítla en Stóra Dímun oranje en goud kleurde. Op de kade stond een zeiknat geregende Rineke al op ons te wachten. Tórshavns druilerigheid lieten we de dag erna al vroeg achter ons. Vanaf Gamlarætt namen we de ferry naar Sandoy. Zandeiland, dus de zwembroek ging mee. Van een afstand zagen we de rots Trøllhøvdi al voor de haven van Skopun liggen. Volgens een legende het hoofd van een trol die Sandoy wilde verslepen. Dat deed ie met een touw om z’n nek geknoopt. Achteraf niet slim, getuige de gesepareerde trollenkop. De eilandbewoners waren druk bezig de eigenzinnige schapen bijeen te drijven om ze van hun wintervacht te ontdoen. Iedereen helpt bij het scheren. Schuinscheerders waren het, die hele lappen wol op de schaapjes lieten zitten.

Met een boogje om een gekloven steen lopend opdat we niet voor het eind van het jaar het loodje zouden leggen, liepen we naar het stervende dorpje Skarvanes en Dalur. Verstopplaatsen van boeven (ik zou Víkar in deze categorie willen aanbevelen), veenmeertjes en uitzicht op Skúgvoy en de Dímuns, maar geen Skarvanes. Een herder wees ons de weg naar Dalur, want op de Færøer is geen enkele wandelroute dusdanig uitgezet dat er geen ruimte voor meerdere interpretaties mogelijk is. Het was natuurlijk geen echte herder. Het klimaat op de eilanden leent zich niet voor lekker full-time buiten met de schaapjes wandelen. Met 12°C (als je geluk hebt – de hoogste temperatuur ooit gemeten, 22°C, was een zeldzame uitzondering), regen en mist, beweren de mensen wel wat beters te doen te hebben dan in het zompige veen liggen. Schapen worden daarom opgehaald wanneer dat nodig wordt geacht. Deze herder was een klerk op het politiebureau. Voor deze opa was schapen verzamelen een hobby. Gratis gymnastiek. “Het is een goeie zomer,” merkte de grijs bebaarde man op, tevreden naar de grijze lucht starend. “Goeie lente ook. Vorig jaar regende het de hele zomer.” De truien bleven aan, maar de jassen moesten de hele dag dan weer aan, dan weer uit. Niet de hele tijd aan – en de poncho zat nog in de rugzak. We zagen het punt dat de hobbyherder maakte. En als het eens slecht weer was, dan wisten de Færøerders zich daar met moderne hulpmiddelen wel tegen te beschermen. De donsveren van de vele zeevogels bleven op de heuvels liggen, nu de vrouwen ze niet langer ophaalden.

Achter de pas tussen Skarvanes en Dalur brak de zon weer in volle glorie door, onze wensen vervullend. Door gras overgroeide Vikinggraven in de vorm van schepen deden hun best de wind te breken. Zelfs de truien mochten nu uit. Eva en ik vonden het een fijne plek, maar een grote jager wilde ons hier liever niet hebben. Naar de zin van de agressieve zeevogel naderden we haar nest te dicht. Steeds dichter bij onze hoofden kwamen de duikvluchten van het dier. Bijna raakte de grote jager Eva van achteren toen we het niet meer verwachtten, maar ik waarschuwde net op tijd. Ik hou niet van vogels en vogels houden niet van mij. Dat kan ik ze dan ook niet kwalijk nemen. Zigzaggend ging het daarna bergafwaarts naar Dalur, gelegen in een komvormige vallei aan een beschermde baai. Het plaatselijke schooltje telde niet meer dan vier tafels, maar wel kon ik door de ramen een computer, fornuis, piano, globe, bibliotheek en bouwpakket van een vliegtuig op zonne-energie ontdekken. De Nederlandse ondergrens van 23 kinderen zou op veel eilanden op de Færøer onhaalbaar zijn. Als een dorp hier een school in stand wilde houden, betaalde iedereen mee – of je nou kinderen had of niet.

Gekloven steen uit de legende (EH)

En kinderen waren er over het algemeen veel. Vanaf de eerste dag in Tórshavn zag ik overal jonge vaders en moeders lopen, in de regel jonger dan ik. Op eilanden als Mykines, Sandoy en later ook in het noorden werd dat beeld telkens weer bevestigd. Ouders waren jong; geen enkel dorp een verzameling van grijze bejaarden. In Dalur begon het dan toch te regenen toen we via de nauwe eenbaansweg langs de kust naar het noorden liepen. Met de poncho net aan kregen we al een lift naar Sandur. “Waar willen jullie eruit?”, vroeg de vrouw op de bijrijdersstoel. De bus terug naar de ferry ging voorlopig nog niet, dus wij wilden nog wel wat zien. “Er valt niks te zien in Sandur,” wist de vrouw. Een café dan, voor een kopje koffie? “Ha, een café in Sandur?! Hebben we niet, maar ik kan wel koffie voor jullie zetten.” De jonge chauffeur bleek haar tweede man. Of vriend. Ze hadden elkaar leren kennen op een festival voor mensen van kleine eilanden. Veel keus is er hier ook niet op de Færøer. Voor het festival werd iedereen, een man of duizend, per boot opgehaald en naar Mykines gevaren. Je werd thuisgebracht.

Enthousiast noemde de jongen de namen van alle schepen die op onze toeristische kaart waren getekend. Færøerders houden van boten en van vissen. Al ging je na een paar dagen vissen op de oceaan wel erg stinken, gaf de jongen toe. De douches op de schepen deden het meestal niet. Een uur later stonk je toch weer naar vis. Samen met zijn vader had hij per vissersboot alle grote havens van West-Europa gezien – een Færøerse droomvakantie. Lang leve de zee, maar zwemmen, ho maar. Alleen op de allerwarmste dagen, als het 18 tot 20°C was, werd het zandstrandje van Sandur gebruikt. De Atlantische Oceaan bleef het hele jaar door zo’n 7 tot 10°C. Ook mijn zwembroek bleef in de rugzak. Wachtend bij de bushalte zagen we alweer zo’n prachtige voetbalkooi waar hier blijkbaar in elk dorp geld voor was. Ik dacht terug aan de vernieuwde Bottendaal Cage waar ik laatst met zoveel plezier in had gevoetbald, maar hier konden ze in Nijmegen nog wat van leren. Twee doelen met strakke, groene netten en een stijlvol Scandinavisch ogende, houten omheining. Hoe ze het hier klaarspelen met de voorzieningen is me een raadsel. Onze gastvrouw had zojuist verteld dat bejaardenhuizen meestal zo’n acht tot tien bewoners tellen. Zouden ze alles in dit land met creditcards betalen en de rekening nog niet gezien hebben?

Om kwart over vijf, terug in Tórshavn, waren alle winkels al gesloten. Wat een suffe hoofdstad. Zaterdagmiddag en geen eten voor het weekend. Ik herinnerde me enkele dagen eerder een Altið opið gezien te hebben, wat klinkt als ‘altijd open’. Dat was ie niet, maar nu konden we er nog terecht. In het centrum waren velen druk aan het oefenen voor de marathon en roeiwedstrijden rondom Ólavsøku, de nationale feestdag. We liepen een rondje langs Skansin, het fort dat over de haven uitkeek, en Tinganes. Bij de rode parlementsgebouwen werd ik opnieuw door vogels aangevallen. Noordse sterns dit keer. Wacht maar – ik zou onze gevederde vrienden nog wel krijgen. Vooralsnog was de mensonvriendelijke natuur een goed excuus om het café op te zoeken. Niet een café, maar hèt café: café Natur. In Buzz Aldrin was het hier altijd te doen, maar de verzameling ballen van één of ander dispuut of misschien zelfs bruiloft gaf de tent toch een heel andere sfeer vanavond. Torentjes bier voor 350 kronen (bijna vijftig euro voor drie liter), veel te hip ingericht en van het boek leken ze hier nooit gehoord te hebben.

Dan was er op de camping meer te beleven. De wigwam naast ons zat vol zatte Noren die oude Pantera en Manowar luisterden. Toen ik kwam vragen of het alsjeblieft wat harder mocht moesten we naar binnen komen. Tot zover mijn fles whisky. Ze waren net terug uit IJsland, waar ze een of andere waterval hadden gezien en het IJslandse woord voor asfalt hadden geleerd. De Færøer vonden ze maar homofiel. Ze leken er verstand van te hebben, want een wild rondgezwaaide voorbinddildo moest elk argument kracht bijzetten. Na diverse taxibedrijven in Noorwegen en op de Færøer gebeld te hebben werden ze eindelijk opgehaald en konden wij slapen. Enkele andere campinggasten ook. “Wij zijn Finnen. Vannacht roeien we terug naar Helsinki,” stonden ze een klagende kampeerder niet bijster hulpvaardig te woord. “Hoe laat komen jullie terug?”, vroeg de man bezorgd. “Rond drie uur. It will be HELL!” Getooid met Schotse pruik (ruitjespet met rode haren) reed de dronken meute joelend naar het centrum, zeshonderd meter verderop.

Het is niet verboden
Natuurkundige wetten tarten

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*