In vuur en vlam

Ik voel me meteen thuis in Azerbeidzjan. Het begint al bij de grens, waar ik direct mag improviseren en me daarbij weer verstaanbaar kan maken in het Russisch. “Jullie krijgen 72 uur om het land door te rijden”, vertelt de mevrouw die onze auto registreert. Ons visum is zestien dagen geldig en ik vertel dat we twee weken in het land willen blijven, maar krijg te horen dat buitenlandse auto’s zo lang niet op Azerbeidzjaans grondgebied mogen rondrijden. Eén van onze vrienden had ons er al voor gewaarschuwd en de Britten van Madventurers vertelden ons vorige week in Iran hetzelfde. “Als je het er niet mee eens bent, dan ga hiernaast maar verhaal halen,” snuift de vrouw.

Dat lijkt me een uitstekend plan, al vertellen haar collega’s me precies hetzelfde. Ik bluf dat ik toestemming heb van het Azerbeidzjaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en dat ik de mail kan laten zien als ze hier wifi hebben. “Niet nodig,” vindt een douanier met markant grote pet. “Je mag zestien dagen blijven,” en hij loopt met me mee naar de vrouw die het er nog altijd niet helemaal mee eens is. “Nou goed dan,” moppert ze, “maar je verlaat Azerbeidzjan op de zestiende dag. Niet ‘s ochtends op de zeventiende!” Op internet lees ik later dat je je auto eigenlijk alleen langer dan 72 uur mag meenemen als je een visum voor 30 dagen hebt. Je moet dan wel $4000 borg betalen.

Het is thuiskomen. Voor het eerst sinds Kazachstan kunnen we weer pinnen en onderweg naar de bank in Astara heb ik direct drie gesprekken met enthousiaste Azerbeidzjanen. Iedereen in de chaikhana zwaait vrolijk naar ons. Op de borden staan bekende plaatsnamen: Rostov, 1340 kilometer. We zijn weer in de voormalige Sovjet-Unie. In een onbekende uithoek ervan die niet overal goed te boek staat, maar toch. Azerbeidzjan is een totalitaire staat waar mensenrechten een vies woord is. In de Democratie-Index die jaarlijks door The Economist wordt samengesteld komt het land niet verder dan plaats 148. Van de 167. Genoeg om landen als Iran, Oezbekistan en Turkmenistan achter je te houden – dat dan weer wel.

Toch is Azerbeidzjan een voor de regio opvallend stabiele staat die goede banden onderhoudt met de meeste buurlanden. Dat is meer dan bijvoorbeeld Armenië en Georgië kunnen zeggen. In Georgië maken gelovigen heisa om het deels op Azerbeidzjaanse grond liggende klooster van David Gareja, maar politici in beide landen bagatelliseren de kwestie. Waar mogelijk werken de beide landen samen. “De Azerbeidzjanen zijn betere buren dan de Armeniërs en de Russen – ook al zijn het moslims,” vertelt een Georgiër ons later. Met Iran deelt Azerbeidzjan een zelfde geschiedenis, religie, etniciteit en cultuur. De verstandhouding tussen de beide landen is de afgelopen jaren alleen maar beter geworden en de presidenten spreken over een ‘onbreekbare vriendschap’. Turkije vervolgens is het eerste land dat de onafhankelijkheid van Azerbeidzjan erkende. Turkije is dan ook de grootste fan van het land en spreekt van ‘één natie, twee staten’. De verhouding met Rusland is eerder platonisch. Er worden (letterlijk) bruggen gebouwd tussen beide landen en Rosneft en SOCAR (State Oil Company of Azerbaijan Republic) werken sinds een aantal jaar samen.

Azerbeidzjan noemt zichzelf het ‘Land van Vuur’ en niet zonder reden. “Hoe vaak hebben jullie water zien branden?”, vraag ik de kinderen later op onze reis, wanneer ze bang zijn dat een natte doek in brand zal vliegen. “Tsja, één keer maar,” geeft Ilva toe. Vlakbij Astara stoppen we bij Yanar Bulaq, een bron waar een penetrante methaangeur omheen hangt. Naast de bron hangt een zojuist geslachte koe, maar het bubbelende water is interessanter. Het bevat zo veel methaan dat er vlammen op het water beginnen te dansen zodra je er een aansteker bij houdt.

Vol vuur vertellen de Azerbeidzjanen dat we snel naar Baku moeten. “Een tweede Dubai,” klinkt het trots. Voor we naar de hoofdstad rijden, gaan we eerst op zoek naar een geothermisch fenomeen dat nog indrukwekkender is dan brandend water: moddervulkanen. In elk ander land zou de groep van tientallen vulkanen tot in de wijde omgeving staan aangegeven, maar hier zouden we ze niet eens vinden zonder de nauwgezette aanwijzingen in de Trailblazer gids van Mark Elliott. Over harde zandpaden door een dor landschap bereiken we de uitgestorven plek. Geen hek, geen kassa, geen mensen. Niemand die ons tegenhoudt wanneer we besluiten hier te gaan wildkamperen. Wat een verademing na het drukke Iran! Overal om ons heen pruttelt, bubbelt en sist het. Modderstromen druipen uit kraters, hete lucht ontsnapt uit scheuren in de aarde en enorme bellen borrelen met onregelmatige tussenpozen op uit poelen vloeibare, warme modder. Eén keer in de zoveel jaar schieten er huizenhoge vlammen uit de aarde en wordt er een groepje herders geroosterd, maar over het algemeen zijn moddervulkanen volkomen veilig.

Vlakbij de moddervulkanen ligt het Qobustan Nationaal Park, waar ik de bus naast een politieauto parkeer om te vragen waar we entree moeten betalen. De agenten zijn blij om buitenlanders te zien en hebben zin in een praatje. Als ik weer instap en de gordel om wil doen roepen ze me goedgehumeurd na: “Laat maar zitten hoor! Dat hoeft echt niet van ons!” Na een bezoek aan het moderne en interactieve museum met informatie over de petrogliefen van Qobustan vraagt een opzichter die zich voorstelt als Rafael of hij ons de rotstekeningen mag laten zien. Het zijn er duizenden: jagers, sjamanen, vee, herten en een schip dat naar de zon vaart. Volgens Thor Heyerdahl bewijs dat de Vikingen ook naar Qobustan zijn gereisd. In de droge begroeiing tussen de rotsen ritselen agames en kleine, gele slangen. ‘Verander de stenen niet!’, beitelden de Sovjets in een grote rots nadat ze op elke steen met tekeningen een groot nummer hadden gekalkt en de groeven van de petrogliefen met tandpasta vulden voor mooiere foto’s.

We pauzeren bij de stranden van Şıxov aan de Kaspische Zee. Booreilanden in aanbouw vormen een surrealistisch decor bij de populaire badplaats. Onze reisgids maakt met merkbaar plezier reclame voor de stranden: ‘The murky water does appear to clear when the wind direction blows its oily scum out to sea.’ Helemaal opgefrist zijn we klaar voor Baku, waar navigeren niet meevalt nu alles in gereedheid wordt gebracht voor de eerste Formule 1 race van Azerbeidzjan. Met bijbehorende cheesy slogan: ‘The speed is higher in the Land of Fire’. Waar ik me na tien minuten al thuisvoelde in dit land, sta ik nu in vuur en vlam voor Azerbeidzjan. Wat een land! En wat een stad!

Het gebeurt niet vaak dat ik met een stralende lach in een stad rondloop en al helemaal niet als die stad twee miljoen inwoners telt. Maar Baku is een zinderende cocktail van oud en nieuw, van geschiedenis en kitsch, van Azerbeidzjanen en Russen, van kosmopolitisch en gemoedelijk. “Welkom in Baku!” krijg ik op de eerste dag in de hoofdstad wel drie keer te horen. En het is gemeend. Ik geniet van de contrasten tussen oude Lada’s en nieuwe Porsches en Lamborghini’s, tussen brede driebaanswegen en nauwe steegjes waar de bus parkeren een hele toer is en – met Iran nog vers in het geheugen – tussen gesluierde vrouwen en winkels met lingerie.

Het sluit allemaal naadloos aan bij het plaatje van een land waar de politieke elite zichzelf verrijkt en megalomane bouwprojecten de skyline van Baku domineren, terwijl het de buurlanden ogenschijnlijk weinig kan schelen ten koste van wie dit allemaal gebeurt. De futuristische Alov qüllələri, de Vlammentorens die hoog boven de hoofdstad uitrijzen en waarop ‘s nachts een dansende vlammenzee wordt geprojecteerd, maken dat een vergelijking met Ashgabat niet uit kan blijven. Ook hier is de neonverlichting overdreven en zijn de straten smetteloos schoon. Maar op Fəvvarələr meydanı, het Fonteinenplein, werkt geen enkele fontein. Baku is minder extreem en vooral stukken levendiger, met spraakzame verkopers op straat zoals de bijklussende mechanicadocent die zijn tapijten uitstalt over een oude gele Lada.

Baku typeren als een gezellige stad met een indrukwekkend erfgoed zou echter te kort door de bocht zijn. Een kort ritje met de funicular leidt omhoog naar Şəhidlər Xiyabanı, de Martelaarslaan, waar zwart marmeren grafstenen herinneren aan door het Rode Leger gedode Azerbeidzjanen die het Januaribloedbad van 1990 niet overleefden en hen die sneuvelden in Nagorno-Karabach. Die twee gebeurtenissen staan niet los van elkaar: een conflict dat al jaren sudderde laaide op toen in 1988 in de Autonome Nagorno-Karabachse Oblast een referendum werd gehouden waarin de overwegend Armeense bevolking om een transfer van de Azerbeidzjaanse Socialistische Sovjetrepubliek naar de Armeense Socialistische Sovjetrepubliek vroeg. Een periode van pogroms brak uit en nadat geweld in Sumqayit in tientallen Armeense doden resulteerde, stuurde Gorbatsjov het leger naar Baku. In plaats van orde te herstellen slachtte het leger 130 Azerbeidzjaanse burgers af. De oorlog die uitbrak toen de Sovjet-Unie uiteen viel zou nog tot 1994 duren. Nu is Nagorno-Karabach een de facto onafhankelijke staat die internationaal door niemand wordt erkend. Azerbeidzjan heeft het verlies van 15% van het totale grondgebied nooit kunnen verwerken en kampt nog altijd met bijna een miljoen ontheemden.

Het monument met eeuwige vlam biedt een weids panorama over de stad, maar jezelf omdraaien en foto’s van de omgeving van de Martelaarslaan maken is niet toegestaan. Zwaar bewaakte regeringsgebouwen staan hier achter de alles weerspiegelende panelen van de Vlammentorens. In Baku is het aan de orde van de dag dat bulldozers hele wijken platgooien om plaats te maken voor hoogdravende nieuwbouw. Ook op de Bulvar moet iedereen wijken voor het nieuwste hobbyproject van president Ilham Aliyev. Azerbeidzjanen klagen dat het neerstrijken van het Formule 1-circus niet voor de bewoners van Baku bedoeld is, maar voor rijke buitenlanders. Terechte kritiek: de goedkoopste tickets kosten €500. Onbetaalbaar in een land waar het gemiddelde maandloon een half toegangskaartje bedraagt. Het enige wat de lokale bevolking van het spektakel meekrijgt zijn de dranghekken waardoor ze flink om moeten lopen.

Hoe openlijk de bevolking durft te klagen is natuurlijk de vraag in een land waar de president volgens officiële lezing 85% van de stemmen kreeg in 2013. Ik denk dat zoiets mij ook wel zou lukken als de oppositie zich officieel uit de verkiezingen terugtrekt. Ilham Aliyev is zich intussen van geen kwaad bewust en heeft al plannen voor een vierde termijn. De appel valt niet ver van de boom: in 2003 volgde hij zijn vader Heydar Aliyev op, het voormalige KGB-hoofd van Azerbeidzjan. Die moest zich ook regelmatig verantwoorden voor hoge verkiezingspercentages. “Mensen houden van me. Daar kan ik niks aan doen.” Wel netjes dat hij dan burgemeesters terugbelde zodra die van plan waren ergens een standbeeld van hem te plaatsen. “Jongens, wacht daar tenminste mee tot ik dood ben.”

Dat heeft zoon Ilham goed onthouden. Na de dood van de president, de architect van het autocratische model volgens welk Azerbeidzjan wordt bestuurd, bouwde Ilham de persoonlijkheidscultus rondom zijn vader verder uit. Overal in het land zien we gigantische portretten van de streng statige Heydar Aliyev. Op het gebied van vrijheid van meningsuiting heeft de Vader van de Azerbeidzjaanse Natie zijn onderdanen weinig gebracht, al heeft Ilham Aliyev de laatste tien jaar wel enigszins een vuist kunnen maken tegen corruptie, volgens de Global Corruption Barometer: van een plek bij de laatste vijf naar plaats 123 van de 176. Intussen wordt er gretig gebruik gemaakt van de vrijheden die Azerbeidzjan wèl kent. Hier mag je gewoon met een arm om je liefje over straat lopen en hoewel de Ramadan nu officieel begonnen is, staan mensen in de rij bij de dönertent. Wat wil je, met döner voor €0,75. Samen met Ilva dwaal ik door de kronkelige steegjes van het İçərişəhər, de oude stad, op weg naar het Şirvanşahlar Sarayı. Binnen in het paleis vinden we de zoveelste keurig bijgehouden interactieve tentoonstelling, waar Ilva kennismaakt met de klanken van gaval, santur en saz.

“Als Azerbeidzjan een adelaar is die richting de Kaspische Zee vliegt, dan is het Abşeron schiereiland zijn door eczeem geplaagde bek.” Ik blijf erbij, er is geen reisgids lyrischer geschreven dan die van Mark Elliott. Baku maakt langzaam plaats voor rommelige buitenwijken die overgaan in de voorstad Suraxanı. Na wat zoeken vinden we de Atəşgah vuurtempel. Of Atəşgah nu een zoroastrische vuurtempel was, een pantheïstische vrijplaats waar gelovigen Moeder Aarde vereerden door de borsten van naakte vrouwen te kussen, of een hindoeïstische tempel waar mystici zich verzamelden voor de vuurgodin Jwala Ji, is niet helemaal duidelijk. Maar waar rook is, is vuur: verscheidene inscripties in Sanskriet geven de hindoes het voordeel van de twijfel. Toen de tempel in 1879 aan de Baku Oliecompagnie werd verkocht, verloor de plek ook zijn religieuze betekenis. De natuurlijke gasvoorraad onder de tempel werd aangeboord, wat een einde maakte aan een onrendabele verspilling van grondstoffen. Tegenwoordig spuwen de vier torentjes op het gebouw alleen nog vlammen wanneer de gaskraan wordt opengedraaid. Vandaag bleef hij dicht.

Even voorbij Suraxanı ontvouwt zich een post-apocalyptisch landschap van in onbruik geraakte jaknikkers en andere littekens van de hier meer dan een eeuw oude olie-industrie. Jaren geleden droomde ik dat ik in Baku was. Op het schiereiland is het precies zoals het er in mijn droom uitzag. Giftige oliepoelen verontreinigen het schrale landschap; borden waarschuwen dat fotograferen hier verboden is. Aan de waslijn wappert kleding van gezinnen die tussen de zwarte plassen leven. Verstopt tussen alle narigheid ligt Yanar Dağ, de Brandende Heuvel. Onderaardse gassen die hier aan de oppervlakte komen werden in 1958 aangestoken. Het brandt nog altijd. Een spectaculair gezicht, al oogt het na Derweze in Turkmenistan wat gewoontjes.

We laten het Abşeron schiereiland achter ons en rijden langs de Kaspische Zee naar het noorden, in de richting van de Kaukasus. Aan de horizon zien we ver voor ons de rotsen van Beş Barmaq verschijnen. De natuurlijke vesting vormt een heilige plaats waar islamitische en animistische gebruiken hand in hand gaan. Veelkleurige gebedslinten wapperen in de aanzwellende wind. Naast de steile trappen en schuilend tussen de rotsen bedelen oude vrouwtjes om briefjes van één manat. En ook al is het Ramadan, helemaal boven worden we onthaald met thee, snoep en pannenkoekjes. Tegelijk met ons dalen de gelovigen af en wanneer de roestige Lada na enig aanhouden eindelijk wil starten, is Beş Barmaq al snel verlaten. Tussen de grazende paarden draaien we de bus zo op de winderige bergvlakte dat het tentdoek van het dak zo min mogelijk flappert.

Het stormachtige weer is een voorbode van wat komen gaat. Hoe dichter we de Kaukasus naderen, hoe slechter het wordt. In Quba, de laatste plaats van betekenis, slaan we nog wat essentiële zaken in: kersen, baklava en bier. Daarna kronkelt de weg de bergen in, almaar hoger en hoger, langs steeds kleinere dorpen. Het regent de hele dag. Langs een brede rivierbedding van rotsblokken leidt een opvallend goede weg naar het dorp Xınalıq. Tien jaar geleden lag hier nog geen weg: de enige manier om het dorp te bereiken was lopend, of je ruggengraat riskerend in een dwars door de rivier rijdende UAZ-truck.

Xınalıq ziet eruit alsof er nog altijd geen weg heen leidt. Grove stenen huizen torenen boven op een berg hoog boven de vallei uit. Met horten en stoten slipt onze bus over wegspattend grind de steile helling op, tot voor het huis van Rehman Serkerov op 2335 meter hoogte. Het is koud in Xınalıq. “9°C en vannacht daalt de temperatuur tot het vriespunt,” waarschuwt Rehman, waar we te gast zijn. Het is 12 juni. Zomer. Dat betekent 2100 inwoners – het dubbele van het aantal dat hier overwintert. Mannen die vanaf de platte daken naar de voorbij glijdende wolken turen, kijken ons wantrouwend aan. “Slechts 30% van de inwoners heeft een baan,” zucht Rehman. “De andere 70% leeft van handeltjes. De meeste mannen met een baan werken als herder, voor 300 manat per maand.” Het is zwaar werk, waarbij ze voor een maandloon van €175 regelmatig dagen achtereen van huis zijn; blootgesteld aan het vijandige klimaat hoog in de Kaukasus.

Dan heeft Rehman het beter bekeken, al heeft hij zijn huis pas opengesteld voor gasten toen zijn dochtertje ziek werd en hij een manier zocht om de ziekenhuisrekeningen te kunnen betalen. Al zijn schapen heeft hij verkocht. “Maar ik heb wel een wc,” zegt Rehman. In Xınalıq is dat blijkbaar iets om over op te scheppen. Een badkamer is in ieder geval helemaal een unicum in dit dorp, waar de meeste vrouwen hun kleren bij een kwalijk riekende gemeenschappelijke bron wassen, waarachter zich een lawine van plastic heeft gevormd. Al het vuilnis wordt achteloos van de bergwand afgegooid. Niemand bekommert zich in Xınalıq om de openbare ruimte en een rottend kadaver van een lammetje ligt dagenlang op straat. Kalveren, kuikens, schapen en ezels struinen rond tussen de grijze huizen van Xınalıq, waar de geverfde houten kozijnen en de was aan de lijnen de enige eilandjes van kleur vormen – de groene bergen en zich terugtrekkende sneeuwvelden niet meegerekend.

De wereld is klein voor mensen die hier geboren worden. De eigenaar van de plaatselijke winkel is zo verheugd een onbekende klant te zien, dat hij me vraagt iets in zijn gastenboek te schrijven. “Waar komt je vader vandaan?” vraag ik aan een man in het dorp. “Hier, uit Xınalıq,” antwoordt hij. “En je moeder?” Ik dacht het al: “Ook uit Xınalıq.” Een herder geeft hetzelfde antwoord. Rehman ook. De inwoners van het dorp zitten niet op import uit de regionale hoofdstad Quba te wachten. Trots vertelt Rehman dat hij dit jaar al drie Nederlandse gasten heeft gehad. Het is nogal wat, in een dorp zo afgesloten van de wereld dat ze een eigen taal spreken.

Echt kosmopolitisch is het gezin Serkerov in ieder geval niet, al doet een eerste blik op een handgeschreven poster in het Engels waarop wandeltochten in de bergen worden aangeprezen anders vermoeden. Rehmans kinderen hebben op school les in het Azerbeidzjaans, Engels en Xınalıqı, wat binnen het gezin de voertaal is. Maar de wandeling naar een verderop in de bergen brandende vlam zit er helaas niet in. De komst van een militaire basis in Xınalıq betekent dat grote delen van de omgeving van het dorp inmiddels effectief verboden gebied zijn. “Vroeger was alles beter,” vat Rehman het samen. “In de Sovjettijd werkte iedereen samen. Er was zelfs geen ruzie met Armenië. Het is allemaal de schuld van Gorbatsjov.” Maar hoezeer Rehman het verlies van Nagorno-Karabach ook betreurt, een reden om oorlog te voeren is het volgens hem niet. “Iedereen wil tenslotte vrede. Ook de Armeniërs – wat de politici ook beweren.”

Rehman loopt met ons mee de vallei in. Voor we het dorp verlaten passeren we stapels drogende mest – Xınalıq kent drie varianten: kukwa, !kd en gomra – en een grijsaard met een imposante bontmuts. “Het leven is hier slecht,” verzucht hij. “Er is geen geld, geen toekomst.” Zelfs de herdershonden hebben het hier zwaar. Herders knippen de oren van de dieren af om ze agressiever te maken. Dat mag weinig diervriendelijk klinken, het werkt wel. “You’d be angry, too!”, schrijft Mark Elliott. Onderweg naar een waterval komen we een kudde schapen en meerdere herdershonden tegen. De dieren blaffen woest en komen net te dichtbij om ons comfortabel te blijven voelen. Stenen oprapen en stug door blijven lopen helpt, al blijven we angstvallig over onze schouders kijken.

Een dag later trek ik er in mijn eentje op uit, een andere richting in. Hoog boven Xınalıq ligt een besneeuwde rotsmuur. Niet al te ver weg, zo lijkt het, maar het blijkt een verraderlijk eind. Na uren klimmen bereik ik de voet van de bergwand. Erachter ligt het dorp Laza, hoor ik later. Op de terugweg word ik door nomaden uitgenodigd om thee te komen drinken. Kleine kinderen en kippen kijken me onderzoekend aan. Van juni tot en met september wonen ze hier, op 3200 meter hoogte. Dan gaan al hun bezittingen – tenten, kleding, kookgerei en waarschijnlijk een e-reader, want een boekenkast zie ik niet – per Lada Niva naar Qobustan. De herders zelf gaan te voet, met hun kudde schapen. Het is 25 dagen lopen.

Op de terugweg herkennen we de weg haast niet meer. We rijden door het met bloemenweiden omgeven Cek (met ook hier een eigen taal) en de Cloudcatcher Canyon, waar imkers hun tenten hebben opgezet en theehuizen hun deuren openen in opwachting van de dagjesmensen uit Baku. De lucht is helder, het is warm en op de heenweg witte bergen zijn nu smaragdgroen, met hier en daar een waterval. Met zoveel schoonheid om ons heen zou het gemakkelijk zijn te vergeten dat Azerbeidzjan een land van contrasten is. Het is onze tiende dag in dit land, waar je je als buitenlander binnen tien dagen dient te registreren. Hotels doen dit automatisch voor je, maar het zelf regelen kan in theorie ook. In theorie, want de Azerbeidzjanen houden er een volledig incompetent registratiesysteem op na. Een online registratieprogramma is nog niet operatief en op e-mails wordt steevast in het Azerbeidzjaans geantwoord dat er nog gegevens ontbreken. Na in Quba vriendelijk bedankt te hebben voor een petfles wodka en in plaats daarvan gratis thee in een theehuis geaccepteerd te hebben, zien we vanuit onze bus een migratiekantoor. “Buitenlanders kan ik hier niet registreren, maar ik zie in je paspoort dat dit jullie tiende dag is,” zegt de agent achter de balie met gefronste wenkbrauwen. “Je moet je vandaag registreren, anders heb je een probleem. Rij maar naar Xaçmaz en vertel ze daar dat ik je gestuurd heb.”

Xaçmaz ligt dertig kilometer verderop en na de verplichte Heydar Aliyevprospekt, het Heydar Aliyevpark en het gouden Heydar Aliyevbeeld voor het plaatselijke Heydar Aliyevmuseum vinden we met wat hulp het migratiekantoor. Er wordt nogal verbaasd gereageerd op het briefje dat we uit Quba meekregen. “Wie heeft jullie gestuurd?”, vraagt een grijze man met snor in het Russisch. “Op welk adres verblijven jullie? Waar ben je geweest?” Soepel is anders en echt geruststellend vind ik het niet dat ze onze uitgeprinte elektronische visa innemen, maar de vrouwen achter de balie vinden het hoog tijd dat ik weer opstap en verzekeren dat we nu geregistreerd zijn.

Dankzij de uitlopers van de Kaukasus moeten we eerst helemaal naar het zuiden rijden tot vlakbij Baku, waarna we definitief afscheid nemen van de Kaspische Zee en verder rijden door een geel woestijnlandschap. Onderweg stoppen we alleen bij Yeddi Gumbaz, de tombes van de Khans van Şamaxı op een sprookjesachtig door gras en onkruid overwoekerd kerkhof, en om gedroogde fruitflappen te kopen bij een kraampje langs de weg. Daarna verlaten we de hoofdweg en rijden we opnieuw de bergen in. Die zijn hier niet langer groen en afgerond. Verticale schalielagen geven de indruk dat de hele kloof naar Lahıc een kwartslag gedraaid is. Het is een feest om in de Kaukasus te mogen rijden.

Lahıc is voor de helft authentiek en voor de helft een trekpleister voor toeristen. Wat ons betreft is het glas halfvol: talloze werkplaatsjes openen hun deuren naar de geplaveide hoofdstraat die dwars door het stadje kronkelt. Kopersmeden laten zien hoe ze sieraden en waterkruiken maken. Bij onze gastheer is het glas eerder half leeg. De gezelligheid is ver te zoeken bij Dadash, een conservatieve moslim die zijn wekker om drie uur ‘s nachts zet om voor zonsopkomst te kunnen eten en die tijdens de Ramadan niet bij zijn vrouw slaapt. Zijn andere gasten, Christiana en Patricia uit Duitsland, liften graag met ons mee naar Şəki. De weg leidt langs glooiende korenvelden, waar met behulp van hemelsblauwe trekkers en ezel en wagen de oogst wordt binnengehaald.

Het bijzondere aan de grootste bezienswaardigheid van Şəki is dat je er kunt overnachten. De oude karavanserai heeft ook nu nog zijn oorspronkelijke functie van hotel. De langgerekte, donkere kamers moeten het meer van atmosfeer hebben dan van comfort, maar het uitzicht op de binnentuin vanaf onze balustrade mag er zijn; zeker in de schemering wanneer de gewelven zacht verlicht worden en het gezang van de muezzin vanuit het stadje klinkt. Na de madrassa’s van Oezbekistan is het mooi om in het 18e-eeuwse Xan sarayı te zien hoe divers de islamitische kunst is. Niet overal golden dezelfde strikte regels: motieven van bomen, bloemen, vogels en scènes van veldslagen sieren de kleurrijk beschilderde vertrekken van het paleis.

Rune is boos dat hij niets lekkers krijgt en heeft het op een zeuren gezet voor het paleis. “In Azerbaijan, we don’t let children cry,” helpt een man Eva met de opvoeding wanneer hij Rune hoort jammeren. Dat klopt misschien, maar in Azerbeidzjan hebben alle kinderen zwarte tanden, was ons al opgevallen. Erg zuinig zijn ze niet op hun lichamen, blijkt ook in Kiş. In het dorp vlakbij Şəki bezoeken we een oude Albanese kerk. Albanië in de Kaukasus – niet te verwarren met het huidige Albanië – bestond van de tweede eeuw voor onze jaartelling tot ongeveer de achtste eeuw. De Azerbeidzjanen beweren dat de kerk in Kiş in het jaar 78 is gesticht. Buitenlandse wetenschappers zijn wat minder scheutig met de leeftijd van het gebouw en houden het op de 12e of 13e eeuw, wat dan weer lastiger te rijmen valt met het Albaniëverhaal. Hoe dan ook, er lagen buiten meer dan 2000 jaar oude menselijke resten onder tamelijk provisorisch ogende glazen platen. “Aren’t you worried the skeletons will decompose?”, vroeg Patricia bezorgd. Nee, dat waren ze niet. Misschien had ze beter kunnen vragen: “Will the skeletons decompose?” Van de andere kant, zulke gave tanden hadden we nog niet veel gezien in dit land.

De Albanese kerken worden steeds talrijker naarmate we dichter bij de grens met Georgië komen. In bouwstijl onderscheiden de kerken zich nauwelijks van die in buurlanden Georgië en Armenië, met hun sobere torens en octagonale puntdaken. We stoppen nog in Zaqatala, waar de platanen niet zoals beloofd 700 jaar, maar 270 jaar oud zijn. Over rollende, beboste heuvels bereiken we de grens tussen Balakən en Lagodekhi. “Waar zijn jullie visa?”, is het eerste wat gevraagd wordt. Dacht ik het niet. “Zorg dat je je zaken op orde hebt,” denk ik, maar in plaats daarvan vertel ik over onze registratie in Xaçmaz. De douanier wil er in eerste instantie niets van weten. Zo eindigt ons verblijf in het Land van Vuur zoals het begon: met een vurig betoog aan de grens. Nu niet om langer te mogen blijven in dit land waarvoor mijn liefde nog lang niet is uitgedoofd, maar juist om het te mogen verlaten.

Overmoed
Goede mensen en botte plurken

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*