Ingesneeuwd zonder hasj en illegale drank

Twaalf uur met z’n vieren en een hoop bagage opeen gepakt in een Golf. Het zou een zware dag worden en dat camping Kockelscheuer, net zoals camping Casal vanavond in Canillo, dichtbij de grens met Frankrijk stond, deed daar weinig aan af. Vroeg vertrekken was ons plan, maar de avond ervoor hadden de Luxemburgers ons al te verstaan gegeven dat vertrek van gemotoriseerde voertuigen voor zeven uur ’s ochtends ongeoorloofd was. Vanaf tien voor zeven stonden we met lopende motor voor de receptie te wachten. Far from home we have come/An endless trail in front of my eyes, zongen we uit volle borst mee met Turisas, But the road has just begun. Franse plaatsnamen met daarnaast grote getallen; de weg een eindeloos grijs lint voor ons. Metz, Nancy, Dijon en al die tijd een gordijn van regen voor onze ogen. Vandaag leefden we van het voedsel dat tankstations ons te bieden hadden.

De plaatsnamen veranderden, de grijze lucht niet. Basel en Paris verdwenen van de borden; Lyon en Marseille verschenen, samen met dobbelsteentjes aan de achteruitkijkspiegel. Alles werd meegezongen, van de Band Zonder Banaan, de Veulpoepers en de WC Experience tot Manowar en andere metal. Langzaam veranderde het landschap – de glooiende heuvels die nog veel aan Luxemburg deden denken maakten plaats voor warmere streken in de Languedoc. Nîmes, Montpellier, Toulouse – warmere streken, maar niet droger, want ook hier wist de regen van geen ophouden. “En zo blijft het de komende vier dagen zeker nog wel,” mopperde een Nederlandse toerist op een tankstation. Daar was Jaap het niet mee eens. “De locht heft!” probeerde hij voor de vijfde of zesde keer toen we na Carcassonne en Foix eindelijk Andorra naderden. Het was inmiddels na zessen en elke keer dat de locht geheft was ofzo betrok hij weer even hard om het nog genadelozer te laten plenzen.

Best uit te houden met een fles whisky (GC)

Voorlopig was het eventjes droog en rare verkeersborden als ‘pas op voor vliegende herten’ lieten er geen twijfel over bestaan dat we ver van huis waren. Hoog boven de vallei van de Arriège zagen we ineens resten sneeuw in de bergen. “Kijk daar, sneeuw!” riep Daan uit. “Ons was een sneeuwvrije camping beloofd,” wist ik. “Maar misschien komen we morgen in de bergen nog wel sneeuw tegen.” Een half uur later reden we door een wit landschap. Het regende inderdaad niet meer, maar na l’Hospitalet après l’Andorre beklommen we de Pyreneeën over haarspeldbochten in een sneeuwstorm en moesten de ruitenwissers ook het twaalfde uur van onze rit volop aan de bak. Het was misschien natte sneeuw, maar alles was wit en veel zicht hadden we niet meer.

Daar stonden we, in onze korte broek en t-shirt, in winterse omstandigheden in een ordentelijke rij naast onze auto. Hoe blij wij ook waren Andorra tot op een steenworp afstand genaderd te zijn, de douaniers deelden onze vreugde duidelijk niet. De gezichtsuitdrukking van de serieus kijkende dienstkloppers veranderde niet bij het zien van wat er uit de auto stapte. Hadden ze op dat moment hun latex handschoentjes aangetrokken voor nadere inspectie, dan was hun gezichtsuitdrukking waarschijnlijk nòg onveranderd gebleven. Daan tolkte en deelde ons mede dat de geüniformeerde mannen ons twee opties gaven: “Òf we geven onze drugs nu af, òf we ondergaan de consequenties.” Bibberend kozen we voor optie twee, wat die ook in mocht houden. De autodeuren en klep gingen open en een hond snuffelde overal, ook aan onze ballen. Zonder één verder woord kregen we even later onze paspoorten terug en konden we Klein Land nummer twee binnen rijden.

Camping Casal in Canillo was inderdaad sneeuwvrij, maar de vorst was nog niet lang uit de grond. Op de grijze stenen stonden geen andere tenten. Volgens de digitale thermometer langs de weg was het +0°C. In ieder geval plus dus. Als het nu al zo frisjes was, dan zou het na zonsondergang vast een beetje gaan vriezen. Dat werd vast een koude nacht. Ik was blij dat ik mijn dikke slaapzak had meegenomen. Daan, Gijs en Jaap hadden anders geredeneerd. “Ik heb mijn dunste slaapzak ingepakt, want we moeten niet teveel bagage meenemen,” verdedigde Daan zijn keuze bij vertrek. Kan wel wezen, maar kamperen doen we in het noordelijke Luxemburg, in de Pyreneeën en in de Alpen. In de koude Kleine Landen, met andere woorden. Ja, zo hadden ze het nog niet bekeken. En als het hier al zo frisjes was, hoe zat het dan morgen in de bergen? Vanuit het dorp zagen we schrikbarend veel wittigheid. “Oh, wandelen kan gewoon hoor,” stelde de serveerster van het restaurant waar we die avond zaten ons gerust. Hoe betrouwbaar die informatie zou blijken viel nog te bezien, want ik kende de plaatsnamen in Andorra beter dan zij. Hoeveel plaatsnamen zijn er nou helemaal in dit land? Drie?

Elf graden en regen, luidde het weerbericht. Regen, regen en nog eens regen. We moesten en zouden de bergen in, dus dan maar een poncho mee. Het tikkende geluid op onze tent deed ’s ochtends het ergste vermoeden. Moesten we al in de regen ontbijten? Tot mijn opluchting constateerde ik dat het getik door sneeuw werd veroorzaakt. Vreemd, meestal is dat juist geen prettige gewaarwording wanneer je aan het kamperen bent. Onze Golf was niet gemaakt voor de Pyreneeën en op de B-weg van Canillo naar Ordino begonnen we de remmen na de zoveelste haarspeldbocht aardig te ruiken. De besneeuwde naaldbossen aan weerszijden maakten ruimte voor spectaculaire vergezichten. Overal om ons heen waren we omringd door sneeuwwitte pieken en een strakblauwe lucht. Strakblauw? Nou vooruit, met hier en daar een schapenwolkje, maar vooralsnog geen regen.

Oogverblindend wit (JS)

Vanaf Ordino klom de weg weer langzaam via Romaanse kerkjes en oude boogbruggetjes die me aan Albanië en Georgië deden denken. Het zijweggetje van El Serrat naar natuurpark Vall de Sorteny was totaal verlaten. Op de enorme parkeerplaats was onze Golf de enige auto. Was wandelen hier nu wel zo verstandig? Vast niet, maar dergelijke berekeningen hebben ons zelden ergens van weerhouden. Ons plan om naar de Pic de la Serrera op 2912 meter hoogte te klimmen was natuurlijk tot mislukken gedoemd. Het pad was in eerste instantie goed te volgen, maar na een botanische tuin die uit sneeuw en rotsen bestond en een verlaten berghut werd het lastiger. Voor ons lag een hellend wit vlak met hier en daar wat naaldboompjes en rotsen. Die rotsen droegen soms rood met witte markeringen waar wij naar speurden, maar tot ons ongenoegen lagen de meeste rotsen onder de eindeloze laag sneeuw. Eindeloos is misschien wat overdreven, maar af en toe zakten we er tot onze navel in. Meestal slechts tot kruis of knieën, wat al voldoende belemmerend was om er een hoog wandeltempo uit te persen.

Het leverde wel mooie plaatjes op. Al die Andorrezen die ons op het hart drukten vandaag toch vooral een lekker eindje te gaan wandelen waren zelf ogenschijnlijk iets anders gaan doen, want het pak sneeuw dat hier lag leek maagdelijk. Enkel sporen van dieren doorkruisten het witte deken. Geen spoor van mensenvoeten – of van de juiste route, wat dat betreft. Het moment dat we het pad definitief kwijtraakten kon dan ook niet uitblijven. Knalhard verbrand – wie neemt er zonnebrandcrème mee wanneer het zwaarbewolkt weer wordt? – en uitgeput door het door de sneeuwlaag van een meter diep waden, genoten we van worst, ananassap en de stilte om ons heen. Wat zijn de Pyreneeën mooi. Maar, zo dachten Daan en ik althans, daar boven, daar in de verte bij dat puntje dat je vanaf hier net kunt zien, zijn ze vast nog mooier. Nu was het tamelijk hard aan het smelten. Steeds meer naaldboompjes, mos en orchideeën ontworstelden zich aan de kille omhelzing van de sneeuw en warmden zich aan de zonnestralen. Her en der vormden zich plasjes water. Was het dan wel zo slim om die steile helling zonder begroeiing te beklimmen? Geen enkele Andorrees had ons gewaarschuwd voor lawines, dus Daan en ik waagden het erop.

Regelmatig zakten we tot aan onze navel in de sneeuw. Het witte spul leek soms meer op drijfzand, wanneer we draaiden en vochten om ons uit een vers ontstaan gat te wringen. Drijfnat van het zweet bereikten we een pas met uitzicht op de aangrenzende vallei. Sneeuw, zover het oog reikte. Dat daar waren mogelijk de contouren van een ondergesneeuwd bergmeer en daar lag een onder een dik pak sneeuw bedolven berghut. Maar of ons pad hier ergens liep, ergens in al dit oogverblindend wit, was onmogelijk te zeggen. Nu we onze poncho toch mee hadden genomen, konden we die net zo goed als slee gebruiken, meende Daan. Het was hier steil genoeg. Helaas was het pak sneeuw zo dik dat Daan en ik er te ver in zakten om naar beneden te kunnen roetsjen.

De rest van Andorra la Vella zuigt (JS)

De sneeuw die we met onze schoenen opschepten was inmiddels gesmolten en soppend aanvaardden we de terugtocht. Hele stukken van onze route waren haast onherkenbaar veranderd. Frisgroene boompjes baadden in het zonlicht dat ons vuurrood had doen kleuren; voor de bruine grassen ertussen begon vandaag de lente. Een lente die ook in Andorra la Vella gevierd werd. In mijn herinnering was de hoofdstad één grote slijterij. Sloffen sigaretten, flessen whisky, wodka en obscure dranken met dode hagedissen op de bodem van de fles, dat staat me nog bij uit een jeugdbezoek aan deze dwergstaat. In de aan Andorra la Vella vastgegroeide buitenwijk Escaldes-Engordany begon de drukte al. Iedereen had haast om per auto het terras te bereiken, leek wel. Na veel getoeter, bumperkleven en weinig goede manieren overwonnen we de verkeerschaos. Een parkeergarage vormde ons toevluchtsoord. Het bleek een Pyrrusoverwinning: de drukte lag achter ons, maar tegen welke prijs?

Van die parkeergarage heb ik nu nog nachtmerries. Hier eindigt de Kleine Landen Tour, vreesde ik. Om bij de hogere verdiepingen te geraken moest ik de Golf vrijwel verticaal omhoog rijden. Zelfs met een niet met het blote oog waarneembare snelheid resulteerde dit in geschraap met de bodemplaat over de bikkelharde vloer. Dit was funest voor onze auto – wie meer dan vijfduizend kilometer moet rijden doet er beter aan geen spoor van vonken te trekken bij het binnenrijden van parkeergarages. Bijkans hyperventilerend stapte ik de hitte van Andorra la Vella in. Wat een bof dat ik toen nog niet wist dat het vele malen verschrikkelijker zou zijn om weer uit de garage te komen. De uitgang zat namelijk niet op de begane grond, zoals logisch zou zijn, maar op de vijfde verdieping. Vanaf daar stond me een hellerit over een genadeloos steil naar beneden zigzaggende baan met door het grillige bergklimaat geteisterd asfalt te wachten. Zelfs in de eerste versnelling met de rem er constant op vereiste deze vrije val welhaast bovennatuurlijke stuurmanskunsten om met een intacte auto en zonder blijvende psychische schade tot een goed einde te brengen. Deze parkeergarage heeft me drie jaar van mijn leven gekost. ’s Avonds heb ik de Golf geknuffeld.

Op het moment van parkeren dacht ik het ergste achter de rug te hebben en probeerde ik dat andere probleem te verwerken: hitte. Sinds wanneer spreken we bij 11°C van hitte? Andorra staat om weinig dingen bekend, maar toch zeker niet om zijn meteorologen. Andorra was bovendien tof vanwege de schitterende natuur; niet vanwege het gebrek aan attracties in de hoofdstad. Van het Barri Antic, het historische stadscentrum, hadden we meer verwacht. Hijskranen verpestten het aangezicht van het Casa de la Vall, het onbedoeld grappige parlementsgebouwtje van Andorra. De verkeersborden die waarschuwden voor hijskranen waren wel origineel.

Andorra la Vella was suf. Liever reden we naar Soldeu om nog wat flessen drank tegen afbraakprijzen in te slaan. De whisky van gisteren was alweer op en de fles 96% alcohol die Daan kocht zou garant staan voor leuke anekdotes later deze tour. “Niet puur drinken,” waarschuwde de verkoopster nog. Hoe achterlijk dacht ze dat we waren? Verontwaardigd propten we ons weer in ons autootje. Na een regionale specialiteit in een restaurant in Canillo (salade Catalán, bestaande uit vlees, vlees en nog meer vlees) bestelden we nog een pizza voor onderweg. Teruglopend naar de camping maakten we ons op voor een tweede koude nacht in Andorra. Aan de grond vroor het inmiddels alweer, maar het sneeuwde tenminste niet meer.

Schandalig rijk en exorbitant rijk, netjes van elkaar gescheiden
Vous roulez, zeggen ze in Kleine Landen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*