Ingoesjetië

“Op dit moment hoeft Ingoesjetië niet langer als oorlogsgebied beschouwd te worden.” Het is het meest positieve dat ik op internet over de instabiele republiek kan vinden. Een reputatie die het kleine Ingoesjetië ook recent waarmaakt: na maandenlange massale protesten over grondgebied dat onder pressie van Ramzan Kadyrov aan Tsjetsjenië moet worden overgedragen, stapte president Yunus-Bek Yevkorov eind juni op. Het nieuwe, door Moskou aangewezen staatshoofd wordt door de Ingoesjeten afgewezen. Ingoesjetië heeft al anderhalve maand effectief geen leider.

Tel daarbij op de vele verhalen over door de FSB ontvoerde jonge mannen waarvan nooit meer iets vernomen wordt, beelden van gewapende extremisten in Lada’s met verduisterde ramen en het sluimerende grensconflict met buurrepubliek Noord-Ossetië – waarmee Ingoesjetië op voet van oorlog leeft. Ik had vooraf mijn twijfels over een bezoek aan deze republiek, maar omrijden is geen optie. “Het is de enige plaats in Rusland waar er een pistool tegen mijn hoofd is gezet,” vertelt onze vriend Daniel. “Ik vind het een geweldige plek!”

Lang hoeven we niet in Ingoesjetië te blijven: de weg die dwars door de republiek loopt meet van oostgrens tot westgrens 37 kilometer. Lang mogen we trouwens ook niet blijven. Het liefst zou ik de verdedigingstorens in het ongetemde zuiden van Ingoesjetië bezoeken, maar we krijgen van de FSB geen toestemming de bergen in te rijden. Bij de militaire post waar we de republiek binnen rijden worden er alvast geen geweren op ons gericht – een mooie binnenkomer. Achter de controlepost wacht de willekeur van Ingoesjetië. Verkeersregels lijken niet te bestaan; de markt in het eerste dorp waar we stoppen bestaat uit geïmproviseerde kraampjes en lukraak geparkeerde vrachtwagens. Het contrast met het obsessief aangeharkte Tsjetsjenië kan moeilijk groter zijn.

Toch hebben de Tsjetsjeense en de Ingoesjetische hoofdstad wel wat met elkaar gemeen. Grozny is herbouwd als een soort mini-Dubai in de Kaukasus (met de klemtoon op mini); Magas is de purpose-built hoofdstad van Ingoesjetië. Toen het plaatsje in 2002 officieel tot belangrijkste stad van de republiek werd benoemd, telde Magas 275 inwoners. Nu zijn dat er een slordige 10.000. Overal rijden bulldozers, staan hijskranen en verrijzen splinternieuwe gebouwen als paddenstoelen uit de grond.

Het meest indrukwekkende gebouw in Magas is de Barta gala, de Verdragstoren: een met factor vier uitvergrote versie van een Ingoesjetische verdedigingstoren. De toren is een symbool voor de eenheid van de Ingoesjeten. Niet een ‘normale’ toren die één enkele clan toebehoort, maar gemeenschappelijk bezit van alle 350 Ingoesjetische tejps. Een symbool waar het bergvolk trots op is, merk ik al snel. “Wil je dit niet zomaar rond laten slingeren?” spreekt een man me vermanend toe. Rune heeft een shirt met een afbeelding van de toren gekregen en voor het maken van een foto heb ik het even over de rugleuning van een bankje gelegd. “Dit is onze nationale trots. Trek het aan, of berg het zorgvuldig op.”

Met een hoogte van 99,97 meter is de Barta gala in het Guinness Book of World Records opgenomen als hoogste etnografisch museum ter wereld. Dat je het maar weet. Het pronkstuk van het museum zien we meteen bij binnenkomst in de toren: een toren. Binnenin het kolossale bouwwerk staat namelijk een replica van een verdedigingstoren. Kom er maar op. Vanaf de traditioneel ingerichte woonvertrekken leidt een wandelgang omhoog langs de buitenwanden van de toren. Langs het hellende pad worden Ingoesjetische legenden en geschiedenis op schilderijen verbeeld.

Halverwege de toren rusten we uit in een café. Stromend water is er niet: het water wordt aangevoerd in grote flessen. Omdat afwassen op deze manier niet mogelijk is, krijgen we plastic borden en bestek bij onze gebakjes. Een toilet is er evenmin. “Tsja, dat zijn we vergeten te bouwen,” geeft Ali schoorvoetend toe. “Als je straks weer buiten bent, zie je een noodbarak achter de toren. En daar weer achter staat een hokje met drie gaten in de vloer.”

Helemaal bovenin de toren vindt een internationaal schaaktoernooi plaats. Vandaag neemt ‘s werelds jongste grootmeester Sergei Karjalin het op tegen de Kalmukse grootmeester Ernesto Inarkiev. Wie denkt dat schaken geen echte sport is heeft het mis: behalve stromend water en toiletten moet Barta gala ook een lift ontberen. Vooruit, nog één constructiemisser om mee af te sluiten: de hele 1,7 kilometer lange toegangsweg tot het uitzichtplatform is rolstoelvriendelijk. Op de laatste twee hoogtemeters na dan, waarvoor je alsnog een trap moet beklimmen. Het is de inspanning waard: na de klim lopen Eva en Rune aarzelend het glazen balkon op. Ilva kijkt al lang over de gouden koepels van Magas uit.

Onderaan de toren maken we kennis met Astemir en Ruslan, twee judotrainers uit Nazran en Magas. Ilva en Rune vertellen enthousiast dat ze ook op judo zitten en het klikt meteen. Astemir, een beer van een kerel, nam zes keer deel aan het EK judo. “Maar het is belangrijker om een goed mens te worden dan om medailles te winnen,” zegt hij over zijn leerlingen. Astemir en Ruslan nodigen ons uit ergens iets te gaan eten. “Als jullie terugkomen bezoeken we samen de torens in de bergen,” belooft Astemir. “Daar ligt het echte Ingoesjetië van onze voorouders.” Tijdens het eten leren we meer over de Ingoesjetische cultuur. “Bij ons mag een man vier vrouwen hebben,” vertelt Ruslan. “Maar van de tweede moet je evenveel houden als van de eerste. Koop je een mooie jurk voor je eerste vrouw, dan moet je je tweede vrouw er ook een geven. Een tweede huwelijk betekent een nieuw huis bouwen dat even mooi is als het huis waar je al woont.” Goed, er zitten dus wat haken en ogen aan polygamie. Misschien wordt het iets aantrekkelijker doordat het voor Ingoesjeten verboden is hun schoonmoeder ooit te zien.

Door de prachtige nieuwe gebouwen, onze kinderen die lachend door het water van fonteinen rennen en de gastvrijheid van de sympathieke judoka’s zou je bijna vergeten hoe onzeker het leven in deze republiek is. “Drie van mijn familieleden zijn verdwenen,” vertrouwt Astemir me toe. “Spoorloos. Jonge mannen die ervan verdacht worden banden met islamitische extremisten te onderhouden worden door de FSB ontvoerd en verhoord. We leven in een Russische kolonie. Het leven in Ingoesjetië is niet rustig. Het is hier niet veilig.” Het klinkt verschrikkelijk, maar Astemir en Ruslan houden moed. In plaats van met hun gezin te vluchten blijven ze hier om aan een betere toekomst te werken. Dagelijks geven ze met hun judolessen honderd kinderen iets om naar uit te kijken. Het gaat inderdaad niet om de sportieve prestaties. Ingoesjetië heeft goede mensen nodig.

De zon zakt langzaam achter de horizon wanneer we onder de bogen van een pompeuze stadsboog doorrijden en Magas verlaten. Aan de rand van het veel grotere Nazran, de voormalige hoofdstad van Ingoesjetië, staat een gedenkteken voor de Slachtoffers van Politieke Onderdrukking. In 1944 werd de voltallige Ingoesjetische bevolking naar Kazachstan gedeporteerd. Ongeveer dertig procent overleefde de treinreis en de eerste winter op de koude steppe niet eens. Negen door prikkeldraad met elkaar verbonden verdedigingstorens herinneren aan de genocide. Toen de overlevenden dertien jaar later terugkeerden, was een groot deel van het Ingoesjetische grondgebied inmiddels overgedragen aan Noord-Ossetië. Oud zeer dat nog altijd niet verwerkt is, met als dieptepunt de gijzelingen van Beslan in 1992 en 2004. In de schemering rijden we naar de Noord-Ossetische grenspost, waar zwaar bewapende militairen ons opwachten.

Zelf naar Ingoesjetië? Met mijn reisbureau Tot hier en verder organiseer ik reizen naar de Noordelijke Kaukasus.

Noord-Ossetië
Tsjetsjenië

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*