Je moest eens weten hoe ze Eiði uitspreken

“Zo’n rustig zeetje,” merkte oma laatdunkend op over de Atlantische Oceaan, die tegen de scheepswanden van de Norröna klotste. Nee, ze was niet van plan pilletjes tegen zeeziekte in te nemen met golfjes als deze. Misschien lijken golven ook wat kleiner dan ze daadwerkelijk zijn wanneer je ze observeert vanaf de achtste verdieping van een reusachtig schip als dit. Misschien had oma ook echt niks te vrezen. Als je een half uur op een blok kaas kunt zitten zonder iets in de gaten te hebben, zul je van die paar golfjes die onder je door glijden ook niet veel last hebben. De Vikingen slikten ook niet preventief pilletjes als ze op plundertocht gingen en als dat nog niet motivatie genoeg vormde werd er ook nog eens afgeraden de medicijnen met alcohol te combineren.

Alcohol en schepen, die twee gaan hand in hand in heel Scandinavië. De auto was geparkeerd – met aanwijzingen van het personeel van Smyril Line op luttele centimeters van andere auto’s, zodat er zoveel mogelijk op het schip mee konden – en voorlopig niet meer nodig. Twee nachten zou de overtocht duren; pas maandagmorgen om negen uur zouden we Tórshavn bereiken. “Zo, dan ga ik maar eens naar bed,” deelde een Belg zijn familie mede zodra de Norröna de haven van Hanstholm in de vallende schemering verliet. “Heb je morgen plannen dan?” vroeg ik hem. Er waren drie minuten verstreken van onze bijna 35 uur durende reis en meneer had het wel gezien op de boot. Toch was er wel het een en ander te doen. Het schip was voorzien van restaurants, bars, een winkelpromenade, fitnesszaal, sauna, zwembad, bioscoop en airhockeytafel. Allemaal parels voor de zwijnen, want de vele Færøerders, Noren, IJslanders, Zweden en Denen waren met enkel en alleen een bar ook content geweest.

Jan-van-Gent (EH)

Midden in de nacht kregen we te horen dat we één van de twee couchettes die we hadden volgestouwd met onze bagage moesten vrijmaken. Een beveiligingsmedewerker kwam ons verblijden met een stomdronken jongen. Nou was het met de deining al moeilijk genoeg om normaal te lopen op zo’n schip, maar overmatige consumptie van alcoholische versnaperingen maakte duidelijk niet dat je in antifase ging schommelen. De amplitude van de bewegingen van deze jongen was schrikbarend groot. Gelukkig werd hij in één van de lagere couchettes gelegd, waardoor alleen oma last zou kunnen hebben van zure luchtjes en/of neerslag. Hetzelfde tafereel werd later die nacht nog eens dunnetjes overgedaan toen dronkenlap numero twee werd gebracht.

Of ze de hele nacht doortanken of gewoon lekker op tijd beginnen weet ik niet, maar op weg naar mijn ontbijt klampte een straalbezopen vrouw me aan. “Hej…”, mompelde ze, gevolgd door wat onverstaanbaars. Of ik haar naar de lift wilde escorteren, herpakte ze zichzelf. Ja hoor. Ik draaide me om, liep twee meter met de vrouw en zette haar in de lift. Stomverbaasd, ofwel omdat de lift zo vlakbij was, ofwel omdat de gebeurtenissen op dit moment iets te snel voor haar gingen. Eva had geen sloten drank nodig om er wat pips uit te zien. De oceaan was toch wel groot en niet helemaal spiegelglad. Zelf vond ik de Scandinaviërs wel een punt hebben en in de taxfreeshop voorzag ik mijzelf van een verrassend schappelijk geprijsd flesje Laphroaig en een sixpack biertjes van Föroya Bjór. Als je toch al op je benen staat te zwalken kun je er net zo goed bij drinken. Lekker bij de film ook, want Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull draaide in het bioscoopje. Föroya Bjór brouwde zelfs Rockall Brown Ale. Blijkbaar is Jan niet de enige die geobsedeerd is door de kale rots in de Atlantische Oceaan.

Na de spaarzame verstrooiing in de vorm van de Shetland-eilanden en de incidentele Jan-van-gent die we passeerden waren we maandag wat blij toen de eilanden Nólsoy en Streymoy uit de mist opdoemden. De vlag van de Færøer wapperde in de straffe wind boven de parlementsgebouwen van Tinganes. Met gras bedekte daken, hier en daar een tegen beter weten in geplante boom en kale, fletsgroene bergen. Hoofdstad Tórshavn leek door zijn uitgestrektheid toch nog aardig groot, maar stelt met zijn 19.000 inwoners ook weer niet bijster veel voor. Iedereen kent elkaar in een minuscuul landje als de Færøer. Op het autodek werd het theekransje steeds groter. De meeste auto’s hadden FO op hun kenteken staan en velen kwamen terug van een vakantie in het subtropische Denemarken of zelfs Spanje. Buitenlanders waren over het algemeen niet van plan langer dan de strikt noodzakelijke drie dagen op deze verwaaide eilanden te blijven. Daarna ging de tocht van de Norröna verder naar Seyðisfjørður op IJsland. De douanier was blij verrast dat wij twee weken zouden blijven. “Just snif-sniffing,” begon hij nog met uitleg over wat die hond in mijn auto moest, maar daarna was het één en al vriendelijk lachen.

Altijd lastig, achteruit inparkeren (JS)

Gigant Tórshavn, centrum van de achttien eilanden, was dus wat kleiner dan pak ‘m beet een bruisende Nederlandse stad als Meppel – maar wat wil je ook met amper 48.000 inwoners in de hele archipel en een bevolkingsdichtheid die ruim tien keer zo laag is als in ons eigen land. Ruimte genoeg voor iedereen dus en zo ook op de gratis parkeerplaats van de hoofdstad. Toch presteerde Eva het de deur van de Golf met een enthousiaste zwaai tegen de naast ons geparkeerde auto te zwieren. Nu is Eva thuis ook niet altijd even voorzichtig met deuren, maar ter verdediging moet gezegd worden dat wij dergelijke windstoten hier niet gewend zijn. Zelfs de Færøerders vonden de windkracht vandaag wat aan de abnormale kant. Voor de zomer dan. Gelukkig bleef de schade de rest van de vakantie beperkt. Oma kwakte de deur nog een keer tegen een stenen muurtje, maar daarvan heb ik maar niks tegen Eva gezegd.

Na een wandeling door de knusse Niels Finsengoot, Tórshavns winkelstraat met schilderijen van Thor, speelgoedbijlen en cd’s van meezing-Vikingen Týr, bereidden we ons voor op trektochten door het ganse land. Gewapend met de ‘Føroyar Atlas’ (inderdaad, een heel dun boekje) zouden we eerst van Tórshavn naar Kirkjubøur lopen. De houten, zwart gebeitste sprookjeshuizen met turf en gras op het dak in Undir Ryggi, het oude centrum van Tórshavn, maakten snel plaats voor nieuwere gebouwen en industrie in de buitenwijken. Hier niet langer daken die je water moest geven en af en toe maaien, maar nog altijd hoopvol geplante boompjes die je bijna kon horen huilen in de stormachtige wind. Dat zou hovenier Mattias, hoofdpersoon uit het op de Færøer spelende en ook nog geweldige boek Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? anders hebben aangepakt. Wat zouden onze geiten Donderslag en Bliksemschicht verlekkerd naar de daken hier kijken, als de scheidslijn tussen mens en dier hier niet zo radicaal zou zijn. Bouwen ze in andere landen muren tussen zigeunerwijken en de rest van de stad; hier is het land verdeeld in binnen- en buitenveld.

We verlieten het binnenveld en letten er goed op het hek achter ons te sluiten. Dit was het territorium van de schapen – na papegaaiduikers de grootste bevolkingsgroep op de Færøer. Ze heten niet voor niets de Schapeneilanden. Schapen bepalen de naam, sieren het nationale bier, zorgen voor wol en vlees en hebben een eigen telefoonnummer bij de politie. Maar dat mag je alleen bellen als je er een schept met je auto, wat ons niet is gelukt. Het domein van de schapen was duidelijk minder geschikt voor oma’s dan het relatief vlakke binnenveld. Dapper probeerde ze zich op handen en voeten naar boven te worstelen, maar dit ging ‘m niet worden. Ze wordt boos als je het zegt, maar bergbeklimmen is gewoon niet oma’s ding. Eva keerde met oma terug naar de auto, terwijl Rineke en ik verder klommen door de mist. Na een steile klim werd het allemaal al wat fotogenieker. Cairns van hoog opgestapelde rotsblokken markeerden het pad, schapen graasden op het overal toch wel erg groene gras en bergmeertjes werden zichtbaar.

De mist trok zich terug en hing nu alleen nog maar voor de eilanden Koltur en Hestur, nu ineens zichtbaar aan de overkant van de Hestsfjørður. Ook Sandoy was in de verte zichtbaar, maar het verhaal van eerstgenoemde twee eilanden was romantischer, over een jongen van Koltur die verliefd was op een meisje van Hestur. Met eb zwom hij altijd over de Kolturssund naar haar toe, om later als het vloed werd weer terug te keren. Tot de vader van zijn lief hem met een bijl stond op te wachten op het strand en hem dreigde te vermoorden zodra hij een voet aan land zou zetten. De jongen keerde terug, vocht tegen de sterke stroming maar werd nooit meer ergens gezien.

Kirkjubøur (JS)

Als er al een moraal in dat verhaal zit, is het vast dat je nooit om moet keren als je er bijna bent. Dus toen Rineke en ik met uitzicht op Kirkjubøur alsnog verkeerd liepen en maar buiten de omheining van het binnenveld bleven dwalen, keerden we niet terug. Enkele muurtjes en schrikdraden later stonden we bij de Ólavskirkjan; een wit kerkje dat uitkeek over de van het eiland losgeslagen ruïnes op Kirkjubøurhólmur en de onvermijdelijke oceaan. Van de nooit afgebouwde kathedraal die hier meer dan zeven eeuwen geleden werd gebouwd was niet veel te zien dankzij renovaties. Het voor een gehucht als dit enorme geval was netjes ingepakt in een zwart gebeitste, houten bekasting, waarmee de bezienswaardigheden beperkt werden tot het kerkje en de Roykstovan. In de middeleeuwen had nog niet iedereen recht op een rookvrije werkplek en rookkamers als deze waren schering en inslag. Eens temeer met turf op het dak en zwart aan buiten- en vast ook binnenkant. Rondwandelend over de pier van Kirkjubøur, tussen hier uitgespreide schapenvachten en reddingsboeien uit Nuuk, zag ik de Golf aan komen rijden over het smalle weggetje. Oma had ineens een wandelstok. Best een stoere, maar niet de mooie houten die ze eigenlijk had gewild. De paspop die deze in zijn hand had bleek een echte meneer te zijn die niet los wilde laten.

Uitzicht vanuit ons huisje in Bøur (JS)

De Færøerders maken er een sport van elk woord anders uit te spreken dan het geschreven wordt. Aan het eind van de middag reden we dan ook van Tsjiertsjubeuwoe (Kirkjubøur) via Toewshaawn (Tórshavn) over de onuitspreekbare Oyggjarvegurin. Deze oude bergweg is sinds de aanleg van een tunnel in onbruik geraakt, want volgens Johan Harstads boek Buzz Aldrin nogal gevaarlijk. Zeker ‘s nachts. De weg stond zelfs met een museumtekentje op de borden aangegeven om er toch nog een paar auto’s heen te lokken. Het was mistig, wat de desolate aanblik die het binnenland van de eilanden bood versterkte. Niets dan in wolken gehulde bergtoppen met namen als Sátan, rotsen, afgronden en bochten. Twintig kilometer kronkelde de weg tussen Streymoys hoogste pieken, zonder een dorp te passeren; daarna volgde de toltunnel die ons op het eiland Vágar deed belanden.

Op Vágar volgden we de enige weg naar Bøur. Hier hadden we pal aan de Sørvágsfjørður een huisje gehuurd. Het paste net met z’n vieren. Van ons uitzicht op de in zee staande rotsformaties Drangarnir (een soort triomfboog over het water), Tindhólmur (een 262 meter hoge piek die als paleis in de betere fantasyfilm niet had misstaan) en Gáshólmur (een tamelijk onspectaculaire platte flap in vergelijking met de eerder genoemde twee) mochten we lekker lang genieten. “We hebben nog geen gordijnen,” wees verhuurster Gunvey op iets wat we zelf ook wel zagen. Toen wisten we nog niet dat het op de Færøer deze tijd van het jaar pas om half één ‘s nachts donker begint te worden. Dat oma meteen over ‘s ochtends naaktzwemmen bij het basaltstrandje voor onze deur begon, was ook niet bevorderlijk voor een goeie nachtrust. Regen, regen en nog eens regen buiten ons huisje gaven toch enigszins de indruk dat het al avond was.

Kan sporen van vogelpoep bevatten
Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*