Krijgt u ook zo’n jeuk van padden?

Unde este maşina mea?

Niet te geloven, maar Frank en Paulien waren op tijd. Een stilte voor de storm, zo bleek, want de komende dagen hadden we te kampen met vertragingen in de categorie NS. Na het ontbijt regende het eens te meer stort, dus dan maar een minitoernooitje Catan. Eerste prijs was palinca, de tweede plaats was goed voor een fles bier en voor de verliezer viel er nog altijd een komkommer te verdienen. Voor de alleszeggende 13-7 en 14-5 overwinningen had ik geen Fiepke-geluk nodig; dat gebruikte ik later op de dag om in de winkel een fles rode peperwodka te vinden. De eerlijkheid gebiedt me te vertellen dat dit eigenlijk Frank zijn verdienste was. Hij was de hele dag al bijzonder scherp en alert.

‘s Middags begon de zon weer voorzichtig te schijnen en na gebak, wat kuieren door het centrum en een bezoekje aan het klooster was het alweer tijd voor het avondeten; deze keer in een cabana buiten de stad aan de voet van de bergen. “Tijd voor wat anders,” dacht ik eens te meer. Wat ik bestelde stond niet in het Wat & Hoe boekje (goh), maar uit de afgezaagde botten die uit de homp vlees staken kon ik opmaken dat dit de poot van een varken was geweest. Dat was jammer.

Om me te troosten gingen we ‘s avonds naar de bioscoop. Dude, where’s my car? draaide en wat een verademing bleek dit te zijn nadat ik hier vorige keer Crouching Tiger had gekeken. Een meesterwerk van de categorie Bill and Ted’s Most Excellent Adventure en Wayne’s World. Alles wat een goeie film nodig heeft zit erin: meerdere flauwe grappen per minuut, striptease door vrouwen in konijnenpakjes, aliens, snelle auto’s, nerds en cafésporten. Een leven lang gratis pudding bij een hole-in-one op de minigolfbaan en huisgenoten die zich eenmaal daags laten zien om in de plantenbak te urineren. Dus heb je hem nog niet gezien, koop hem dan snel op video.

De beste friettent van Roemenië (JS)

Dinsdag ging ik op herhaling en mijn gasten sleurde ik mee. Na Bran en Râşnov gingen we deze keer toch echt een hapje eten bij Ioop, cartofi praijiti a la olandez. De eigenaar bleek inderdaad een Nederlander en, hoezee, er werd speciaal voor ons een plaatje van de Vengaboys opgezet. Je zou er bijna heimwee van krijgen. Meneer heeft vast familieleden die hem een keer per jaar op komen zoeken, met zes emmers Remia in de kofferbak.

Terug in Braşov herkende ik een straatnaam uit een metalblad. Hier moest ergens een black-metalband zitten en hun demo moest ik hebben. Op het nummer dat ik me herinnerde zat echter een sjiek tegelzetbedrijf met gigantische showroom. Hmmm. Na een tijdje handen en voeten te hebben laten zien begrepen ze me eindelijk. Ja, er woonde inderdaad iemand die van rock hield. Achterom bleek een tweede ingang en hier ontmoetten we Alex van de band Vielftava. “En dan zeggen ze dat Roemenië een arm land is,” merkte Frank terecht en in hoge mate verbaasd op toen we binnen werden gelaten. Ik denk dat Pauliens en mijn mond te ver open hing om deze opmerking te plaatsen, want de binnenkant van de villa had inderdaad meer weg van een paleis dan een woonhuis.

Het bedrijf bleek van zijn ouders te zijn en Alex (met zijn Immortal t-shirt vol gaten, schitterend contrast met de zithoek bij de open haard) herkende Bogdan, Gabi, Copac en alle bands op mijn foto’s. Enthousiast duwde hij de twee laatste demo-cd’s die hij had in mijn handen. Nee, kostte niks. Henco ook weer blij. Frank praatte nog een hele tijd over Alex’ stoere sik toen we weer richting bus liepen en betuigde zijn spijt dat hij die niet kon namaken in het computerspel Fifa ’99. Voor Frank gingen we daarna nog even langs het voetbalstadion van FC Braşov, waar we de spelersbus net weg zagen rijden. Met als hoofdsponsor een bouwbedrijf bood het vervallen stadion een komische aanblik. Als je ‘betonrot’ in de encyclopedie opzoekt vind je waarschijnlijk een foto van dit bouwwerk.

Peştera Mânăstirea Ialomiţa (JS)

Woensdag besloot ik nog eenmaal een paar poelen in het Bucegi-gebergte te bezoeken. Frank en Paulien moesten mee. Plien stierf duzend doden in de teleferic en later op de dag nog minstens eenzelfde aantal. Maar eerst gingen we naar Peştera Mânăstirea Ialomiţa, een klooster in een grot. Keihard gebruik makend van de goede akoestiek liepen Frank en ik langs ondergrondse meren en watervallen, terwijl Paulien het maar een claustrofobische bedoening vond. Na een beklimming en afdaling die iets teveel voor de Nederlandse toeristen bleek te zijn verdwaalden we ook nog eens in het zicht van de haven. Uitgeput door het inmiddels donkere bos over een labyrinth van paadjes strompelend werden we plotseling door een norse soldaat nabij kasteel Peleş naar de juiste weg verwezen. Om elf uur zaten we eindelijk aan de cup a soup en spaghetteria.

Donderdag was weer een vervelende werkdag. Ik kwam erachter dat ik (inmiddels) allergisch ben voor vuurbuikpadden en liep de hele dag te niezen, neus te snuiten en pijn te hebben met ademhalen. Bovendien waren er twee vervelende zigeunerjongetjes zich de hele tijd met me aan het bemoeien en ik kreeg ze maar niet weggejaagd. Ik hield het daarom om een uur of drie maar weer voor gezien, maar kon me door vertragingen en een overschot aan studenten in Sinaia niet douchen voor het avondeten. De avond bleek gelukkig een stuk rustiger en voor de tweede keer speelden we een Catan minitoernooi. Winnen gaat immers nooit vervelen.

Vrijdag gingen we Mircea in Turda opzoeken. Deze jongen hadden we vorig jaar bij de Cheile Turzii leren kennen. Frank en ik zouden herkenbaar zijn aan hawaii-blouse en strak jaren ’70 oranje voetbalshirt met naam Fiepke en rugnummer 13. “Da’s goed,” zei Mircea, “dan doe ik een blauwe spijkerbroek en wit t-shirt aan.” Stomme drol. Er was die avond nog een andere, oudere Mircea, maar die was de hele tijd depressieve verhalen op aan het hangen en daar gaat de lol ook snel vanaf. We gingen nog de stad in voor bier en gebak, maar Frank koos weer eens smerig, groen bananengebak, dat erg chemisch smaakte. Gelukkig was ik er ook nog.

Hier moet ik nog even opmerken dat Frank na maandag aanzienlijk minder scherp en alert was. Een greep uit de overvolle doos voorbeelden:

– “Wat zijn dat voor witte korrels?” Broodkruimels, Frank.
– Als je drie sneetjes brood hebt, en twee stukjes kaas, is het niet niet meer dan logisch dat Paulien tweederde stukje kaas afsnijdt voor haar boterham. Frank stond met grote ogen op uitleg te wachten.
– Ja, een stoeltjeslift kan vanaf de bergtop waar je met de teleferic aankomt bergaf gaan, ook al is het inderdaad veel leuker om dat stuk te skieën. Maar Frank, zou je diezelfde stoeltjeslift dan misschien niet ook kunnen gebruiken om weer bovenop de berg uit te komen?

Strakke shirts, altijd goed (JS)

Zaterdag ging de wekker in het holst van de nacht. De bus naar Câmpeni vertrok rond een uur of zes, maar de oudere Mircea kwam niet opdagen. Rouwig waren we daar niet om. Omdat er maar één bus per dag reed kon het wel eens lastig worden op de terugweg naar Turda. Zin om in Câmpeni een uur te wachten op de bus naar Scărişoara hadden we niet, dus namen we een soort taxi naar Gîrda de Sus. De Dacia jeep voerde ons over wegen waarvan je zoiets had van ‘als ze die niet aan hadden gelegd had het vast minder gehobbeld,’ maar het thema van vandaag was toch al attack of the wobblies. De lamme chauffeur wou snel geld verdienen en ons afzetten in Scărişoara, maar ik bleef volhouden naar het volgende dorp te willen. En inderdaad, hier begon het wandelpad.

We liepen samen met een jonge man en vrouw uit Timişoara, en zoals het goede toeristen betaamt begonnen Frank en Paulien al gauw te kankeren. Wat was het ver, we liepen verkeerd, het kwam door die mensen en vooral door de koppige vrouw die vast altijd haar zin doordreef. Ik weet niet of het feit dat ze later die middag speciaal voor ons 25 kilometer omreden (en weer terugmoesten, dus eigenlijk 50 kilometer extra voor hen) om ons bij de bushalte in Câmpeni af te zetten, zonder daar geld voor te willen zien, afbreuk deed aan deze negatieve gedachten. Paulien zeurde daarna in ieder geval nog wel over de snoeiharde techno die ze in de auto draaiden.

Koud, zo'n ijsgrot (PS)

Bij de ijsgrot kwamen we Belgiër Dirk van Herck met een groep scouts tegen. Hij kwam al zeven jaar in Roemenië en uit Leuven, maar de rest van de groep was iets minder enthousiast: “Veel plezier in de grot. Not!!!”. Da’s scouting hè. Al was de leuning van de trappen erg koud (daar hadden we niet op gerekend!), het sprookjeslandschap van ijspegels, ijsbeelden en een ijslaag van 200 meter dik (maar we kregen alleen het oppervlak te zien) maakte veel goed. Maar aan alles komt een eind (ook aan de regel dat aan alles een eind komt?), dus ging ik zondagochtend maar weer eens richting Sinaia om me mentaal voor te bereiden op de komende werkweek. Frank en Paulien gingen nog met Mircea naar de zoutmijnen in Turda, maar daar ga ik misschien nog wel eens voor terug. Vooralsnog staan er vijf (lood)zware werkdagen voor de boeg, een bezoek aan Peleş met Frank en Paulien en twee te winnen Catanpotjes, en dan zie ik, op dag 100 van huis, Eva eindelijk weer!

Dat je het maar weet
Knock-out tegen het beton

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*