Kabouterhuisjes (kabouters niet meegeleverd)

Het grensde aan arrogantie, de op-de-borst-klopperij van Lonely Planet. “Er bestaan weinig goede kaarten van Alba Iulia – veel hotels gebruiken daarom de kaart van Lonely Planet!” Het duurde niet lang voor we enkele fouten in het kaartje hadden ontdekt. Zelfs de naam van ons hotelletje stond er in de derde editie nog net zo verkeerd op als in de eerste editie. Normaal gesproken zijn latere edities beter, maar deze gids van Roemenië en Moldavië werd juist steeds summierer. Het leek meer een haastklus dan een met liefde gemaakt reisboek. Maar ja, zolang er geen Bradt-gids van Roemenië wordt uitgebracht (op de Hiking Guide na, die al jaren niet meer verkrijgbaar is) zijn we gebonden aan Lonely Planet.

In tegenstelling tot de reisgids waren er in Alba Iulia wel enkele verbeteringen aangebracht. De citadel was beter toegankelijk gemaakt, een verzorgde wandelroute gaf ons toegang tot plaatsen die we nog niet eerder hadden gezien. Binnen de ommuring liepen nu mannen in ouderwetse rode soldatenpakjes; bij een huifkar bereidden een man en vrouw in klederdracht ‘t een of ander in een dampende ketel. Het had allemaal veel weg van toerisme waarover is nagedacht. Op de waarschuwing dat de soldaten op je mochten schieten als je het pad verliet na dan. Niet wat wij deze vakantie zochten, maar wel leuk als tussendoortje.

Het was een stuk minder makkelijk om vanuit Alba Iulia bij het klooster van Rîmeţ te komen. Met de bus naar Teiuş was zo gepiept, maar daar hield het openbaar vervoer op. De kansen op een lift schatten we iets te positief in: na een uur op de enige weg van Teiuş naar Rîmeţ stonden we nog altijd in de regen. Erg vrolijk werden we er niet van. Van taxi’s geen spoor, dus liepen we naar het treinstation – als altijd kilometers buiten het centrum – in de hoop daar een taxi aan te treffen. Het begon erop te lijken dat er vandaag verdomd weinig mee zou zitten toen we geen auto’s met gele bordjes konden vinden.

Lastig begaanbare paadjes (JS)

Gelukkig is er in Roemenië aan zwarte taxi’s geen gebrek. Veel later dan gepland, voor zover het plannen van reizen in dit land zonder eigen vervoer mogelijk is, waren we dan toch op weg naar Rîmeţ. Waarom? Omdat ze daar een klooster hebben. En gorges. Het nonnenklooster was de moeite waard: links en rechts van het spitse kerkdak rezen kaarsrechte rotswanden de lucht in. Het verschil met de monnikenkloosters in Bucovina sprong onmiddelijk in het oog: bloemenpracht onttrok de muren rondom de kerk aan het oog, planten werden verzorg en paadjes en gebouwen schoon gehouden. Zo zou een klooster er op een ansichtkaart ook uitzien, als ze die hier zouden verkopen. De eenheid van houten trappen, rotsmuurtjes met groen, levendig gekleurde bloemen, hoge naaldbomen, dreigende bergwanden en – in het midden van dit alles – de kerk was volmaakt.

De donkere wolken boven ons hoofd trokken langzaam uiteen en voorzichtige zonnestralen zetten het Rîmeţ-klooster in een warme gloed. Aan het riviertje voor het klooster aten we ons brood, waarna we doorliepen naar de cabana aan de ingang van de Rîmeţ-kloof. Een fraaier staaltje contrast mocht ik zelden aanschouwen. Wat een verschil ten opzichte van de perfectie van het klooster! De huisjes zagen eruit alsof je op moest passen met het laten van harde scheten. Kon dit werkelijk in dergelijke staat nog overeind blijven staan? Het houten trapje naar ons huisje had nog slechts één trede over, het geheel helde vervaarlijk naar voren en de deur kon slechts na het doorlopen van een gebruiksaanwijzing gesloten worden. We sloten hem voorzichtig, opdat het loshangende stuk hout boven de ingang niet naar beneden kwam.

De povere indruk schrok andere vakantiegangers niet af. Er werd voor huisjes gebarbecued, met autoradio’s die overuren draaiden. Roemenen, een luidruchtig volkje. Er bleek een heel vakantiedorp voor de kloof gebouwd te zijn. Louter Boekaresters reden over het hobbelige weggetje, op weg naar hun kitscherige chalets in Zwitserse stijl. Elk met enorme schotel en/of tuinkabouters. Een eindje verderop in de bossen kamperen was vast leuker geweest, maar ik had een pittige route uitgekozen. Om in Salciua de Jos te komen moesten we óf door de Rîmeţ-gorges, óf heel ver omlopen. De gorges boden verreweg de mooiste route. Nadeel was dat je hier met een rugzak alleen over de bodem door kon. Een bodem waar op veel plaatsen water stroomde. Tot zo’n anderhalve meter diep, als we de auteurs van The Mountains of Romania en de Hiking Guide to Romania mochten geloven.

Dat deden we, bij het zien van foto’s van wandelaars die het niet droog hielden, opgehangen bij de cabana. Omdat we de gorges niet wilden missen besloten we er die middag een stuk in te lopen en de volgende ochtend vroeg er omheen te trekken. We kwamen opvallend veel tuttige meisjes tegen die er op weinig degelijk ogend schoeisel uit kwamen. Waren die helemaal door de gorges gelopen? Misschien viel het dan toch wel mee. Na een tijd zagen we groene, metalen steunen in de rotswand. Al bij de cabana stond de waarschuwing dat dit een extreem lastige route was, maar misschien waren de steunen nieuw en hoefden we niet door het water. Op enkele plekken balanceerden we boven het riviertje om daarna over glibberige stenen verder te kunnen.

Het werd alsmaar mooier, maar op de plek waar het water voor de tweede keer een tunnel door de berg had gesleten ging er geen pad meer om de rivier heen. Het was door het water, of terug. De rotswanden stonden hier nagenoeg tegen elkaar en raakten de steenmassa’s aan de overkant op enkele plaatsen zelfs aan. Wellicht een aangename wandeling op dagen van 30 ºC of warmer. En zonder een rugzak met daarin je kleding die vrij zwaar kan worden zodra het allemaal onder water verdwijnt. Wij moesten passen en keerden terug naar de weinig tot de verbeelding sprekende cabana, waar de enige verkrijgbare levensmiddelen bier, brood en zoutjes waren.

Natuurschoon (JS)

Wat evenmin in het voordeel van cabana Rîmeţ sprak, is dat de niet al te vriendelijke receptioniste de volgende ochtend rond kwart over acht in geen velden of wegen te bekennen was. En ze had mijn paspoort nog. De hele tent zat op slot, maar de metalen vergrendeling en de deur daarachter wist ik vrij snel open te krijgen. Mijn paspoort lag echter nog een slot verder. Na ons ontbijt op het terras en veel geschreeuw binnen later kwam ze eindelijk aansloffen. We konden op weg. Het eerste deel van de tocht maakte deel uit van een pan-Europese route, al werd deze zo te zien never te nooit niet gelopen. Weggevaagde rode strepen, spaarzaam geplaatst en sinds het aanbrengen niet meer bijgehouden, leidden ons door Cheile Mânastirii, omhoog het Trascău-gebergte in.

We waren hier in het land van de Moţi. Eén van de redenen waarom ik zoveel van Roemenië hou is dat je zelfs bij een zesde bezoek nog nieuwe, betoverende dingen tegenkomt. De Moti vormen een minderheid die zich grofweg tot het Apuseni (waartoe het Trascău behoort) beperkt. Wetenschappers denken dat de Moţi, met hun blonde haren en blauwe ogen, rechtstreeks van de Daciërs afstammen. Zoek ‘Ţara Moţilor’ voor de grap maar eens op op Wikipedia. Ik had in ieder geval nog nooit van ze gehoord. Verspreid over het landschap, maar vooral in de hoger gelegen wouden, vind je hun huizen. Houten huisjes met steile, rieten daken. De daken zijn veel hoger en dikker dan bijvoorbeeld ons eigen rieten dak in Drenthe, maar het meest karakteristiek is de nok. Uit het riet steken spitse, houten staken. Degenen die zich altijd al afvroegen wat er nu precies op de cover van Negură Bungets N’Crugu Bradului staat weten het nu.

De bruine kabouterhuisjes vallen vaak pas op wanneer je ze dicht bent genaderd. Vanaf hoger gelegen hellingen zagen we ze verstopt tussen de bomen liggen. Hoe de bewoners er kwamen was ons een raadsel, want meestal leken er geen wegen heen te leiden. Veel van de huizen van de Moţi waren vervallen, het rieten dak overgroeid met mos of met gaten erin. De meeste huizen die nog intact waren, werden als stal voor het vee gebruikt. Een mooi herdersmeisje wees ons de weg, maar na een tijd waren we de rode tekens echt kwijt. We moesten bergop om aan de andere kant een andere vallei te bereiken, zoveel meenden we te weten. We staken een bergweide over met bidsprinkhanen, bloeiende kruiden en vreemde vlindertjes die samen een bloem nabootsten (Zygaena carniolica) en bleven klimmen.

Eindelijk bereikten we het hoogste punt, vanwaar we een onverhard weggetje onder ons zagen kronkelen. Dit moest de weg naar Brădeşti zijn – op onze kaart wit gekleurd en dus zonder al te veel verkeer. Ik hoopte naar het dorpje, zes kilometer verderop, te kunnen liften. Het aantal auto’s dat ons in anderhalf uur passeerde was op één hand te tellen. Stuk voor stuk zaten ze vol, waardoor Eva en ik naar het dorp moesten lopen. Op zich geen ramp, maar het was geen spannende weg met spectaculaire vergezichten en eenmaal in Brădeşti waren we er nog niet. Eva baalde er flink van. Ze was moe en het was nog drie tot vier uur lopen naar Sălciua de Jos. Over een drum forestier, een weg waarover geen autoverkeer mogelijk was.

In Brădeşti spraken we daarom af eerst lang te pauzeren. We zouden wel zien waar we onze tent vannacht opzetten. In het centrum, maar het was ook de rand van het dorp, raakten we in gesprek met een man die in het gras lag te slapen tot wij vlakbij hem kwamen zitten. Ooit was hij chauffeur en hij kon zich herinneren wel eens in Nederland te zijn geweest. De man wees ons het dorpswinkeltje, dat na een poosje schijnbaar met tegenzin werd geopend door een vermoeid ogende vrouw. Macaroni, tomatensaus en ingeblikte groente. Meer was er niet en meer hadden we ook niet nodig. Nu nog water om onze lege flessen mee te vullen.

Kabouterhuisje (EH)

Dat was lastiger. De bron was vlakbij volgens de chauffeur, maar het water vlakbij het winkeltje vertrouwde ik niet. Vanuit een naburig huis werd ik door een jongetje doorverwezen naar een lager in het dorp gelegen bron. “Het is niet ver, maar je moet wel langs een valse hond,” waarschuwde hij me. Dat was zuur. Ik hou niet van honden. Inderdaad, voor het volgende huis stond een groot, zwart beest te grommen. Snel kondigde ik mijn komst aan, waarna de hond door zijn even nors kijkende bazin werd teruggefloten. De vrouw van het winkeltje. De bron was nog verder bergaf. Best ver, eigenlijk. Langs groene weiden en een verborgen Moţi-huis bereikte ik de plaats waar het heldere bergwater uit de bergwand stroomde.

Eenmaal teruggerend bleek Eva wat uitgerust en haar (goede) humeur enigszins hervonden te hebben. Helemaal toen het gedeelte tussen Brădeşti en Sălciua de Jos het mooiste stuk van de route bleek te zijn. Lieflijk golvende heuvels, gehuchtjes waar de tijd had stilgestaan en nog meer kabouterhuisjes. Het weer zat zelfs mee. Konden alle wandeltochten ons maar door zulke mooie streken voeren. Het landschap werd wat ruiger op een plaats waar een rivier ondergronds verdween, om ruim twee kilometer verderop uit Huda lui Papară weer tevoorschijn te komen. Die grot wilden we bezoeken, maar we liepen te ver. Geen ramp, want nu werden we door een jongetje uitgenodigd om een kijkje in een Moţi-huis te nemen, Er stonden jonge kalfjes in de stal en hun moeder werd net binnen geloodst. Een oud vrouwtje kwam bij ons zitten nadat ze tevergeefs had gepoogd andere koeien naar de stal te leiden. Ondanks het zware (en dit keer vruchteloze) werk was ze erg vrolijk. Glimlachend praatte ze een tijd met ons, voor we te horen kregen hoe we naar de grot moesten lopen.

We liepen een stukje terug omhoog, waar we een vrouw voor ons zagen lopen. Opeens begon ze met haar stok wilde bewegingen te maken. Eva en ik riepen nog, maar we waren te laat. Een onschuldige Gladde slang (Coronella austriaca) lag dood op de grond. Deze slangen kwamen ‘s nachts aan de uiers van koeien hangen, legde ze uit. Spreek je redelijk Roemeens, is het om dergelijke prietpraat aan te moeten horen. Ik legde haar uit dat de Gladde slang niet giftig is en insecten en andere kleine dieren eet. Een nuttig beestje, voor degenen die het graag vanuit een antropocentrisch standpunt uitgelegd willen hebben. Ze lachte niet begrijpend en begon maar over iets anders te keuvelen. Moordenares.

We hadden geluk, want onze wegen scheidden al gauw. We daalden af door loofbos naar de grot Huda lui Papară, waar we een mooi plekje vonden om te kamperen. Toch maar even netjes vragen voor we de tent opzetten, vond ik. Voor het dichtstbijzijnde huis stond een man met een enorme bierbuik. “Dat moet je aan die dikke vrouw vragen,” antwoordde hij; ‘dik’ nog eens extra ondersteunend met weidse gebaren. De vrouw in kwestie was, volgens Eva, een soort juffrouw Beulstronk uit Roald Dahls Mathilda. Ze was niet alleen dik, maar had ook een snor en keek alsof ze het niemand gunde snorloos en niet dik te zijn. Haar kinderen hoedde ze op dezelfde wijze als haar vee.

“Nee!” was haar resolute antwoord op mijn vraag of we in de wei mochten kamperen. “Nee!” kreeg ik ook op de vraag toen ik een tweede, beschutte plek aanwees. Op een klein stukje gras direct aan de oever van het riviertje mocht het wel. Snel zette ik onze tent op voor ze zich bedacht en even gezwind ontstaken we een houtsvuur zonder hiervoor toestemming te vragen. Je snel aanpassen is de sleutel om in Roemenië een fijne tijd te hebben. Koken op vuur, dat deden we sinds we niet meer op Proosdij wonen toch al elke dag. Het was een goed idee van Eva geen gasbrandertje mee te sjouwen.

De grot zelf was onbereikbaar sinds de toegangstrap van dikke, houten balken was ingestort. Je kon er in theorie door de rivier een stuk inwaden, maar in de praktijk hadden we daar verdomd weinig zin in. De ravage was groot en we vroegen ons af of hier ooit doden bij waren gevallen. Erg jammer, want de Hiking Guide beloofde ons een grot die de moeite waard was. Gewekt door hordes Hongaren liepen we vrijdag geen dag te vroeg naar Salciua de Jos. Een dag later werd hier namelijk de Carpat Express Rallye Raid verreden en dan werd elke uitvluchtroute aan deze zijde van het Trascău geblokkeerd. Houd dieren en bejaarden binnen, viel er te lezen op aanplakbiljetten. Het parcours sloot zware ongevallen niet uit, maar wij gingen ons vertier elders zoeken.

Een echte grot is donker en alles
Verhalen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*