Kalmukkië

Het dorpsmuseum van Tsagan Usn is een oriëntaals gebouwtje, van de steppe afgeschermd door een mintgroen metalen hek. De geurende alsem en de oostelijke groene padden die tussen de planten kruipen, trekken zich weinig van het hek aan. “In de danszaal tegenover het museum werd vroeger elke week muziek gemaakt,” vertelt Liza. De meeste ruiten van het gebouw zijn gebarsten of ingegooid. Een boom onttrekt een mozaïek van Jangar, de held uit het nationale epos van de Kalmukken, grotendeels aan het gezicht.

We hebben uren over de glooiende steppe gereden. Een monument met drie saiga’s, een lokale antilopesoort met een snuit als van een buitenaards wezen, heet ons welkom in de enige boeddhistische republiek van Europa. De witte kristallen van zoutmeren schitteren als een fata morgana naast het eindeloze asfaltlint dat de leegte doorklieft. Heel af en toe bieden de kleurrijke mozaïeksteentjes van een verlaten bushokje onze ogen een moment van verademing. Daarna is het landschap weer even leeg als daarvoor. We zijn blij dat we Liza zien staan. Tsagan Usn ligt niet op onze route, maar we geven de verbaasde Kalmukse graag een lift.

Aan het eind van een weg vol gaten in het asfalt staat haar minstens even verbaasde zoon Danzan bij zijn Lada te wachten. “Niederlandia… oi!” Danzan, een beroepsmilitair die in 2014 op de Krim en recenter in Syrië heeft gediend, gokt dat we Kalmukse thee met een klontje boter niet op waarde weten te schatten en schenkt ons koffie in. Voordat hij een potje gaat voetballen met de jongens uit Tsagan Usn haalt Danzan trots een glimmend houten doosje met medaille tevoorschijn. “Deze kreeg ik als aandenken voor mijn inzet in Syrië.” Op het deksel staat een foto van Assad en Poetin. Ze schudden elkaar vriendelijk de hand.

Achter Tsagan Usn ligt de ‘vrije zone’ – land dat aan niemand toebehoort. We rijden over zandwegen door de steppe, naar een prachtige wildkampeerplek in het grote niets. De wind ruist zacht door het steppegras. In het warme licht van de ondergaande zon voelt het alsof onze heenreis erop zit. Hier willen we zijn.

De volgende ochtend hebben we een afspraak met Hongor. Hongor is een ranger in het Mekletinsky natuurreservaat. Kalmukkië heeft niet alleen boeddhistische tempels en stoepa’s met gebedsvlaggen, maar ook natuurgebieden. Hier leven saiga’s, pelikanen, marmotten, langooregels, steppevossen en zandboa’s. Terwijl Rune angstvallig probeert uit de buurt van een paar kamelen te blijven, nodigt Hongor ons uit in zijn yurt. Hij pakt de dombura die tegen de bank staat en begint aan de snaren te plukken. Het lied dat hij aanheft gaat over in keelzang – volgens Hongor vergelijkbaar met het geluid van bronstige saiga’s. “En voor het gemekker van kalveren hebben we in het Kalmukse alfabet letters die je in het Russische niet hebt,” lacht zijn collega Badma.

Badma neemt ons mee naar een miniwoestijn die op de steppe verscholen ligt. Wolvensporen doorkruisen het woestijnzand. We hebben pech, want het is vandaag bewolkt. “Op hete dagen is het eenvoudig om saiga’s te spotten,” vertelt Badma. “Dan komen ze bij elkaar bij meertjes om te drinken.” Het is niet nodig om onze verwachtingen te temperen, want ook zonder de antilopes is het roze meer waar we even later over lopen een bijzonder natuurverschijnsel. “In de Dode Zee blijf je drijven, maar ons roze meer is zo zout dat je erop kunt lopen!” Kinderen, althans. Volwassenen zakken vroeg of laat door de harde zoutkorst. En laat betekent in dit geval dat je dieper wegzakt in de stinkende, zwarte modder onder het oppervlak.

Behalve een woestijn en een knalroze meer heeft Badma nog een verrassing voor ons: een bron waar zout, sterk ijzerhoudend water opborrelt. Zonder meer een mooie plek, maar de saiga’s laten het opnieuw afweten en het water smaakt voor geen meter. Misschien heeft dat ook met een andere eigenschap van de bron te maken, want zodra Badma er een aansteker bij houdt, vliegt het water in brand. Of toch in ieder geval het gas dat met het water naar boven borrelt.

We nemen afscheid van Badma en Hongor en rijden terug naar de woestijn voor een laatste nacht in Kalmukkië. “Natuurlijk mag je wildkamperen in het natuurreservaat,” zegt Hongor, al lijkt de yurt hem comfortabeler. “Het gaat regenen,” waarschuwt hij. Dat klopt. Het rommelt rondom ons, maar in de woestijn blijft het droog. Ook de volgende dag schieten er overal bliksemschichten uit de loodgrijze wolken. Nog een paar levenloze zoutmeren, nog een laatste boeddhistisch tempeltje. Dagestan is vlakbij, maar de bergen zijn nog ver.

Dagestan
Oostwaarts

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*