Kan sporen van vogelpoep bevatten

Bij mooi weer moet je meteen naar Mykines gaan, raadde de reisgids van Bradt aan. Vogelrijk Mykines was berucht om zijn afgrijselijk slechte weer. Vaak was het eiland dagenlang afgesloten van de rest van de Færøer, onbereikbaar voor de ferry en helikopter. ‘Mooi weer’ leek ons hier een vrij elastisch begrip. Het had de hele nacht geregend, was nu zwaar bewolkt en buiten grijstinten was er buiten ons huisje weinig te zien. Maar goed, het regende niet. Niet hard althans. Kon maar zo wezen dat dit hier als mooi weer werd bestempeld. We reden dus naar Sørvágur, vanwaar het veerbootje de bijna twintig kilometer lange tocht over de fjord en de Atlantische Oceaan zou beginnen. Veerbootje, want was dit plastic speelgoedbootje zeewaardig? Het zat in ieder geval al vol Nederlanders en Færøerse kinderen met een hoog incasseringsvermogen. Eén voor één werden ze door moeder aan boord getild en als de vorige zich dan nog niet uit de voeten had gemaakt, werd ie gewoon door broer of zus omver gekegeld. Huppekee! Maar daar deden ze niet flauw over.

Mykines (EH)

De Nederlanders deden wel flauw over het sportieve boottochtje. De ferry danste als een kurk op de metershoge golven. Oma hield haar commentaar voor zich, een meisje sprintte ineens naar de rand van de boot en een oude vrouw liet zien hoeveel druk erachter stond en deed haar maaginhoud met een indrukwekkende boog in het water belanden. Wij hikten er ook aardig tegenaan, maar uiteindelijk voeren we langs de steile kliffen van Mykines’ zuidkust, toneel van een heuse vogelplaag. Het moeilijkste moest echter nog komen: inparkeren in de natuurlijke haven van het dorpje Mykines. Enkele gigantische betonblokken braken de golven; een loodrechte klif liep landinwaarts richting de aanlegplaats. Als de ferry niet met de juiste snelheid door de stroming sneed, werd de boot tegen de klif of uitstekende rotsblokken geveegd. In de eerste poging had de schipper weinig vertrouwen, maar na een rondje werd het bootje opnieuw in stelling gebracht en schoot het door de verraderlijke stroming. Nu nog uitstappen. Stilliggen deed de ferry niet en af en toe werd het bootje te ver van de wal getrokken. “Ho, ho!”, riepen de schipper en een inwoner van Mykines dan, tot je de sprong wel kon maken.

Hoog boven de haven liep het pad naar het enige dorp van het eiland. Dat Mykines maar negentien inwoners telde was nu, in de zomer, niet te zien. Er was heel wat bedrijvigheid buiten de vrolijk gekleurde huisjes. We passeerden een papegaaiduikerplukplaats en snoven de penetrante geur van guano op. Waar je ook keek, alles zat onder de vogelpoep. Honderden donsveertjes en afgerukte vleugeltjes en feloranje pootjes bewezen dat we midden in het vogelvangseizoen zaten. Een delicatesse, papegaaiduiker, maar schijnbaar één die moeilijk te verkrijgen was. Het dorp kwam later wel – eerst beklommen we de heuvel boven Mykines om het meest westelijke puntje van de Færøer te bereiken. Het was maar goed dat Eva geen hoogtevrees meer heeft (ze heeft nu alleen nog ‘hoogtespanning’), want op een monument viel te lezen hoeveel eilandbewoners er tijdens de vogeljacht, het eieren rapen of bergbeklimmen in de diepte waren gestort. Ook op zee was een heel contingent verdronken. Vanuit dat licht bezien was het eigenlijk zo vreemd nog niet dat het gehucht een eigen zwembad had.

Papagaaiduiker (EH)

Een brug overspande de kloof tussen Mykines en Mykineshólmur. Door de spleten tussen de planken zagen we onder ons de oceaan tekeer gaan. Papegaaiduikers, Jan-van-genten en een keur aan meeuwensoorten en andere hogesnelheidschijters zorgden ervoor dat alles hier onder een tapijt van langgerekte poepvlekken verscholen ging. Het geheel deed wat aan The Birds denken. Wolken van zwarte vlekken cirkelden boven ons hoofd en het mag een wonder heten dat ik maar één keer werd geraakt. Dat krijg je nog niet zo makkelijk uit je jas, trouwens. Mykineshólmur bood wat beter begaanbaar terrein. De schapen leken erg verbaasd te zijn ons te zien; de papegaaiduikers waren wat minder bang en bleven vaak op enkele meters afstand zitten. Wat een domme beesten. Het lijken wel vliegende gehaktballen. Landen lijkt op goed geluk en met de vleugeltopjes voor de ogen geslagen te gebeuren; lopend zien ze eruit als iets uit een Monty Python sketch. Pas in zee lijken de grootgebekte diertjes op te houden de draak te steken met de theorie van natuurlijke selectie.

Uitzicht op Mykines (EH)

We bereikten de vuurtoren en keken uit over vrijstaande rotsen met de enige Jan-van-gentenkolonie van de Færøer. Vierhonderd kilometer oceaan lag hier tussen ons en het dichtstbijzijnde land, IJsland – of, echt pal naar het westen, Groenland. En uit die richting bereikten steeds blauwere luchten ons. In de zon liepen we terug naar Mykines, waar het mooi weer bleef. De hele dag. Rineke en oma wachtten op ons voor het hostel Kristianshús, waar we in gesprek raakten met enkele toeristen. Twee Amerikanen en twee Færøerders. De Amerikaanse jongen droeg een shirt van de Green Bay Packers, maar praten over de Færøer was toch interessanter dan meedoen aan de hype rondom Brett Favre of nieuwe grasmaaiergrapjes verzinnen. We kregen stukjes gedroogde walvis en in de wind gedroogd schapenvlees. Overal stonden hokjes met spleten waar de wind doorheen kon blazen. Hierin werd het vlees opgehangen en door de wind maandenlang droog geblazen en gezouten. Eva vond het lekker; ik vreemd genoeg niet. De walvis smaakte nog sterker en oma liet dan ook graag weten dat ze het walgelijk vond.

Grasdaken op Mykines (EH)

De Færøerse vrouw kwam uit Klaksvík en had in Denemarken gewerkt. Wat miste ze de wind, als ze niet op de Færøer was. Raar volk, die eilandbewoners. Nadat Eva haar broek had schoongemaakt (bij de vuurtoren was ze in een schapenflats gaan zitten, al hield ze zelf bij hoog en laag vol dat het Jan-van-gentenpoep was – het resultaat was in ieder geval een grote, bruine vlek) wandelden we door zonnig Mykines. Opnieuw groene daken, meterslange vogelnetten tegen de zwartgeverfde muren en kinderen die op straat touwtrokken. In de zomer was Mykines een vrolijk dorpje door de vele kinderen. Zeker nu de bellen die ze bliezen zo mooi glansden in het zonlicht. Boften wij even dat we er wat langer van mochten genieten. Hoewel het weer was opgeklaard, waren de golven ineens teveel voor de ferry. We kregen te horen dat het bootje de tocht over drie uur nog eens zou proberen te ondernemen vanuit Sørvágur. En anders pech gehad – één nachtje zonder tandenborstel en schone onderbroek is geen ramp.

Het veerbootje komt aan (EH)

Twee Duitsers waren het op dit punt grondig met mij oneens. Morgen vertrok voor hen de boot naar IJsland. Stranden op Mykines paste niet in hun plannen. Leuker was het daarom om met twee Ierse archeologiestudenten te praten, die onderzoek deden naar een waarschijnlijk in de zesde eeuw door de Ierse monnik St. Brendan op Mykines gebouwde kerk. St. Brendan was de eerste die misschien over de Færøer en Mykines in het bijzonder had bericht. Met “Veel vogels hier…” sloeg hij de spijker op de kop. Ook de Færøerders zelf waren in voor een praatje, nu het hele dorp kwam kijken hoe de boot niet kwam. Zonder twijfel het hoogtepunt van vermaak op dit afgelegen eiland. Om half negen ‘s avonds verscheen de ferry eindelijk aan de ingang van de baai. De golven leken inderdaad wel wat hoger dan vanochtend. Keer op keer moest het bootje draaien, vaart maken en het opnieuw proberen. Na vijf, zes vruchteloze pogingen dacht ik dat de schipper het een dag zou noemen, maar dit was een ervaren meneer. Was hij in Oost-Europa op een spontane ovatie getrakteerd, hier op de Færøer reageerde men wat nuchterder. “Zo, instappen en varen maar weer.”

Natuurkundige wetten tarten
Je moest eens weten hoe ze Eiði uitspreken

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*