Kinderachtig vertier voor kinderachtige vrienden

Nog voor ik met ze in de auto zat had ik het helemaal gehad met die vrienden van mij. Het is gewoon om jeuk van te krijgen hoe erg die mannetjes kunnen zeuren. Het leek ook allemaal wel erg makkelijk te gaan, trouwens. Willem was na zeven jaar weer alleen en had een verzetje nodig. Nu sluimerde in onze vriendengroep al ruim acht jaar het plan ooit nog eens naar Legoland te gaan, maar zeuren kunnen we ook al langer dan vandaag dus er was altijd wel een reden te vinden om het feest niet door te laten gaan. Nu bleek ineens iedereen met Pinksteren best te kunnen en leek alles binnen een half uurtje geregeld.

Zo dachten Willem en ik er althans over. Snel bood ik aan een hostel te boeken. Gezellig op één kamer, tot diep in de nacht zuipen, airhockey spelen en ons misdragen in de algemene zin des woords. Ik begon er zin in te krijgen. Zin die even snel verging als de opkomende vlammetjes van een kampvuur dat prematuur door drie kerels wordt uitgepist. Frank, Ivor en Peer hadden het namelijk in hun hoofd gehaald dat er een auto gehuurd moest worden. De heren waren naar eigen zeggen ‘luxepaarden’ en moesten wel een beetje comfortabel reizen.

Daar zakt je broek toch van af. Willem reed al jaren met plezier in zijn Kadett. Ik had nota bene beschikking over twee auto’s. Met de kleinste rij je probleemloos met vijf inzittenden naar festivals tegen de Tsjechische grens. Die inzittenden zijn dan nog steviger gebouwd en zwaarder bepakt ook. Voor de Golf was vijf passagiers al helemaal geen probleem, wisten we na een lange rit anderhalve maand eerder. Soit, de vrienden uit dat verhaal zijn dan ook erg gauw tevreden, maar waar hadden we het over? Ivor zou chauffeur zijn, dus die had per definitie de beste plek. Peer, onze langste vriend, mocht van mij best de hele tocht op de bijrijdersstoel. Ik, niet de beroerdste, had er geen bezwaar tegen zes, zeven uur middenin op de achterbank te vertoeven. Je stopt toch om de twee uur om de beentjes te strekken. Willem was zelfs opgevouwen in de kofferbak nog meegegaan. We gingen naar Legoland, verdomme!

Helaas, de zaak was al in kannen en kruiken en de argumenten waren aan dovemansoren gericht. Er moest en zou een auto worden gehuurd voor een paar centimeter extra beenruimte. Nou dacht ik te weten dat Frank thuis een auto met iets meer beenruimte had, een Citroën Xsara ofzo. Hij had in ieder geval de grootste auto van onze vriendengroep. Ik wou onze Peugeot wel naar Nijmegen rijden zodat Paulien toch een auto tot haar beschikking had, maar met Franks auto gaan bleek helemaal uit den boze te zijn. Mijn Peugeot deugde niet (Frank kon het weten – hij had ‘m tenslotte aan mij verkocht) en de jongens wilden niet met pech langs de weg staan. Goed, dan kunnen we lang praten of dan kunnen we kort praten, maar als de heren controlfreaks bang zijn in hun eigen auto’s of die van vrienden te rijden, dan valt hier weinig aan te veranderen.

Net binnen en nu al moe (JS)

Ivor huurde een auto waarmee we 700 kilometer mochten rijden zonder bij te betalen. Nu wil het geval dat je daarmee bijna in Legoland bent, dus dan hoef je alleen de kilometers voor de terugrit nog maar te betalen. Zonde dat je voor die huurprijs van 86 euro per persoon niet echt comfortabel zat, maar het bakkie reed wel door. Of liever: Ivor reed goed door. Op Duits grondgebied is hij onze meest ervaren doorrijder. Wat stonden wij dan ook te kijken toen hij rechts door een oud omaatje werd ingehaald. Ivor, Limburgs beruchtste coureur na Jos Verstappen! Hij liet het niet op zich zitten en trapte het pedaal volledig in. Even later schoten we de bejaarde weer voorbij en hadden we een bon te pakken. Geschrokken van de flits deed Ivor het weer wat rustiger aan. De oude vrouw haalde ons opnieuw in – ditmaal schaterlachend – terwijl Ivor fulmineerde dat hierover geen woord meer gesproken diende te worden.

Zo onderhoudend als het begin van de rit was (één keer geflitst en één keer Ivor hiervoor ternauwernood behoed), zo slaapverwekkend was het om door Ost-Friesland te rijden. Duffe windmolens en een weg die zichzelf wees. Willem en ik waren te eigenwijs om een routebeschrijving uit te printen toen ons hiernaar werd gevraagd. We moesten naar het noorden en vanaf de grens met Denemarken stond Legoland waarschijnlijk met koeienletters aangegeven, zo redeneerden wij. Op de een of andere manier was mijn kaart van Duitsland in de auto beland, maar echt nodig was die niet. Mijn taak bestond eruit de auto door de Drentse bossen voorbij het Dwingelderveld naar de snelweg te navigeren; daarna was het Groningen – Bremen – Hamburg en dan pal naar het noorden. Iemand wist dat Legoland in de plaats Billund ligt en ons hostel in Vejle was ook eenvoudig te vinden. Zes uur lang flauwe moppen en schuine opmerkingen maken en Frank frustreren door de Gorillaz niet te draaien en we waren er al.

De Scandinavische kneuterigheid overviel ons al bij aankomst in Vejle. Niet meereizende vriend Joost had ons vooraf al ingelicht over de term ‘hügli’, burgerlijke gezelligheid, maar ook het toch tamelijk grote Vejle straalde een dorpse sfeer uit. In een op de deur van de receptie bevestigde envelop met mijn naam erop vonden we de sleutel van onze kamer. In het stadje zelf leken we op de set van een zombiefilm beland te zijn. In de gebruikelijke stilte voor de storm, dat wel, want de straten waren uitgestorven. En dat op zaterdagavond tussen zes en zeven. De zombies bleven uit; wel waren de Denen behalve met de term ‘hügli’ ook bekend met het begrip ‘de schuur’. We hadden kunnen verwachten dat ze hier in zo’n landelijke sfeer wel raad mee wisten: de schuur stond wagenwijd open. Frank en ik konden roepen wat we wilden, maar onze vrijgezelle vrinden waren overdonderd en gedroegen zich opvallend schuchter. Na de verhalen in de auto hadden we meer verwacht.

In plaats van achter glimlachende meisjes aan te lopen besloten we nader kennis te maken met de Deense keuken. Kebab, pizza en duur bier. Wij wisten dat. Wij hadden niet voor niets een treetje Breda Bier (Willem), een fles rum (Willem) en een fles wodka (Fiepke) meegenomen. Weinig verbazend dan ook dat we al het nodige bier achter de kiezen hadden toen we ons bij het hostel lieten verleiden tot een potje voetbal. Onze tegenstanders: Polen, dus dronken. Peer en Ivor, altijd openstaand voor andere culturen, hadden hun mening al klaar en vertrokken naar onze kamer. En ja, die Polen hadden meer op dan goed voor ze was, dus onze vrienden hadden nog gelijk ook.

Het ging hard tegen nog harder. De Polen kozen voor laatstgenoemde tactiek. Mijn directe tegenstander (incompleet gebit, angstaanjagende grijns) hield zich geen moment in. Ik probeerde gestrekt been met gestrekt been te beantwoorden en Willem en Frank lieten zich evenmin zonder slag of stoot van de bal zetten. De Polen hadden wissels, leken er niet om te malen als één of twee van hen na doodschoppen het veld moesten ruimen en maakten er een snoeihard gevecht van. Keer op keer moest ik schoppen tegen mijn scheenbenen incasseren, al voelde ik de pijn een dag later pas toen ik weer enigszins nuchter was. De keeper van de Polen maakte fraaie showduiken en buitelde vrolijk over het gras. Wat een atleet – en wat een entertainment! Er was geen woord Engels bij, maar op een gegeven moment werd er op de een of andere manier toch overeenstemming bereikt over een laatste doelpunt. Na een flitsende start hadden de Oost-Europeanen zich op kracht langs ons gewurmd en zonder nog verdere slachtoffers te maken schoten ze nog één keer raak, ons met groengele plekken als souvenir op onze benen achterlatend.

Zeer realistisch nagemaakt allemaal (JS)

Polen ontmoeten is één ding; er weer vanaf komen een tweede. We gingen er gemakshalve vanuit dat ‘curva’ zoveel betekent als Franks woord van het jaar, want uit veel meer woorden bestond onze jammerlijk mislukte poging tot internationale conversatie niet. Wat ze erg leuk vonden was Willems sigaretten weggooien om ons vervolgens Poolse sigaretten aan te bieden; verder konden we echt geen wijs uit hun gebrabbel. Dan maar binnen een spelletje spelen (ik mocht alleen voor spek en bonen meedoen en won om het vooroordeel te bevestigen) en hopen dat ze straks niet meer voor onze deur zouden staan. De enigen die daar mogelijkerwijs last van gehad zouden hebben waren Willem en ik, want de rest vond het mooi geweest toen wij met onze flessen rum en wodka op avontuur gingen.

Van onze mooie plannen kwam weinig terecht. Na luttele minuten op de ballustrade verpoosd te hebben bemerkte ik dat Willem wel erg ver heen was. Werden grote hoeveelheden rum al met sierlijke draaibewegingen naast zijn blikje cola gegoten om een verdieping lager op de binnenplaats te plensen, nadat er een sterk alcoholisch geurend laagje vloeistof bovenop het blikje stond ging meneer lustig door met inschenken. Vriendelijk bedoelde aanwijzingen dat vol in dit geval toch echt vol is leken op Willem weinig indruk te maken. Bij nadere inspectie bleek zijn fles rum nog bijzonder weinig inhoud te bevatten en ook werd mijn opstandige vriend, die echt niet naar binnen wilde en met mij óf het dorp in wilde, óf de Polen lastig wilde vallen, steeds slechter verstaanbaar. Toen zelfs onderscheid tussen klinkers en medeklinkers een heel gepuzzel werd begeleidde ik Willem zo goed en kwaad als dat nog ging (de volgende ochtend moest ik constateren dat mijn literfles wodka nog maar een bodempje bevatte – wie had dat dan weer allemaal opgedronken?) naar binnen.

Het luide en onsamenhangend gemompel van Willem had onze drie vrienden rap uit hun slaap gewekt. Willem snapte nergens meer iets van en had weinig boodschap aan mijn aanwijzingen. Prima, dan ga je andersom in je bed liggen. Schoenen en broek gingen netjes aan de kant, maar stil werd meneer nog niet van in het donker in bed liggen en dat werd hij ook niet toen hij er even later uitdonderde. Frank prees mijn ervaring met het werken met kleuters, want die kwam nu goed van pas. Broek uit; grote jongen. Terwijl ik de rest uitlegde hoe onze kameraad er aan toe was flikkerde hij nog eens uit zijn bed. Gelukkig lag hij niet boven in de stapelbedden. Ivor lag dat wel, maar dat weerhield Willem er niet van midden in de nacht de ladder op te klimmen en een hand in Ivors boxershort te steken. Als een klein meisje gilde Ivor het uit – en terecht, natuurlijk. Frank verplaatste gauw de ladder die voor ons stapelbed stond, waarmee ook de barrière die mij van de dronkenlap scheidde wegviel. Gelukkig hield die zijn escapades nu beperkt tot het nog eens uit bed vallen en ‘s ochtends stiekem biertjes drinken toen de rest ging ontbijten. Ontbijten was er voor mij niet bij, want ik had met de nawerkingen van de wodka meer te stellen dan met de capriolen van dronken Willem. Die dronk intussen stevig door, onderwijl druk telefonerend met meisjes in Nederland.

Willem en ik stonden na onze escapades van de voorgaande avond niet letterlijk te springen van vreugde, maar toch waren we blij in de auto naar Legoland te zitten. Peer en Ivor vroegen zich nog even af of Willem meenemen wel zo’n goed idee was, maar al hadden we hem moeten dragen, dan was ie nog meegegaan. Al stonk meneer nog wel een beetje naar rum. Al bij de ingang stonden we ons met grote ogen te vergapen aan zoveel moois. Een poort van Duploblokken heette ons welkom in dit paradijs op aarde. Een kinderhand is snel gevuld. Via het mooiste kassameisje werden we al voor de echte ingang afgeleid: een tuinman met grasmaaier van Lego! Het kon wel eens lang gaan duren voor we alles in dit pretpark hadden bekeken. Overal moest uiteraard een foto van worden gemaakt waar bij thuiskomst niemand buiten ons vijven op zat te wachten.

In de rij staan hoefde niet vandaag. Het dreigde vies weer te gaan worden en dat had waarschijnlijk veel potentiële bouwers thuis doen blijven op deze zondag. Wat niet wil zeggen dat we meteen door konden lopen bij de ingang. Ineens zoefde Peer weg om door een verder van ons weg gelegen poortje naar binnen te gaan. Wij waren het roerend met hem eens. Bij elk poortje stond iemand geheel in Legostijl verkleed; bij Peers poortje was dit een prinsesje in paarsroze jurk en met gouden kroontje. Zelden zag ik Peer zo stralen. Liefde op het eerste gezicht voor ons allemaal, maar Peer zag haar het eerst. Ook Willem moest op de foto, maar dan met een slaperige, oude, kale kerel van Lego die op een bankje zat uit te rusten. Zo dronken was Willem dat de kater nog lang niet had ingezet.

Walhalla (JS)

Vol bewondering aanschouwden we even later met z’n vijven Miniland. Dit was waar je als kind van droomde: miljoenen en miljoenen steentjes. Zover het oog reikte een landschap van huizen, kerken, paleizen, monumenten en hele steden van Lego. Kopenhagen was hier nagebouwd, andere Deense plaatsen, houten Noorse kerkjes, vliegvelden, havens, racebanen, Hollywood, slot Neuschwanstein, het Eilean Donan kasteel dat ik in Schotland had gezien en ook Nederland ontbrak niet. En alles bewoog. Treinen van de NS reden vol plichtsbesef hun rondjes, de space shuttle op Cape Carnaval stond te roken voor de lancering, schepen voeren door sluizen en vrachtwagens remden voor bruggen die werden opgehaald. Een emotioneel moment voor ons allemaal, behalve Frank, die het allemaal al eens had gezien. Toch vond hij al die bewegende dingetjes het langst leuk.

Aan realistische details geen gebrek in dit Madurodam van Lego. Een ooievaar zat te broeden op een nest, vaders hadden kinderen van Lego op hun schouders, in Amerika wonen ook donker gekleurde mensen en toen we weer bij Nederland uitkwamen lag de NS-trein ontspoord langs de rails. Toen Peer en ik terugkeerden van een Lego-safari (weinig beenruimte in die kindertreintjes – we hadden onze huurauto het park in moeten rijden) was de rest ook bijna klaar met Miniland. Uitgelaten renden we naar Legoredo, ons alvast voorbereidend op wild-westtaferelen door onze vingers als revolvers te gebruiken (“Piew! Piew!” en ook: “Pang!”).

Dit was nog leuker dan Miniland, al durfde Ivor daarover te redetwisten. Zo hard als hij op de snelweg durft, zo snel is hij bang in attracties die sneller dan stapvoets gaan. De kleinste achtbaan aller tijden (meer dan een niet honderd procent gelijkvloers aangelegd rondje was het niet) bekeek hij al liever vanaf de zijlijn. Eens te meer gedroegen wij ons als kinderen, met Ivor als onze surrogaat-papa. Na elke ronde gezwaaid te hebben renden Peer en ik naar de volgende rit: een wildwaterbaan die ons door het Noordamerikaanse prairielandschap voerde. Bisons, coyotes, gieren en een plens water in de boot om de pret compleet te maken. Voor enkele Deense kronen wurmden we ons met z’n vijven in een hokje waar rode lampen en warme lucht Peer en mij droogden en de rest verwarmden. Dit was nog leuker dan alle attracties die ook daadwerkelijk als attractie bedoeld waren! Weer luidkeels in de lucht schietend renden we voorbij een vredespijp rokende, metershoge indiaan en Mount Rushmore naar Piratenland.

Net als in de andere delen van het park konden bouwers zich hier naar hartelust uitleven. Waar ouders netjes in de rij wachten tot je vooraan staat is er voor kinderen altijd gelegenheid naast de rij wat blokjes op elkaar te stapelen. Overal staan bakken Lego klaar. En heb je even geen zin om daarmee te spelen, dan kun je ook mensen irriteren. Dat deden wij dan ook, maar het mocht ook door een soort ontstekingsmechanisme in te drukken waardoor er bij ritjes over het water ergens wat ontplofte, met metershoge fonteinen van water tot gevolg, waardoor inzittenden kletsnat werden. Wij irriteerden nog liever de medewerkers van het park, zoals de als piraten verklede jongen en meisje bij een Fata Morgana-achtige boottocht door een grottenstelsel waarin zich een piratenbende had verschanst. Het tweetal hakte met zichtbaar plezier in op kinderen die in de bootjes plaatsnamen. De plastic sabels waren hier niet alleen voor de sier.

Het piratenmeisje zag er leuk uit en omdat mijn vrienden het niet deden nodigde ik haar maar uit om samen met ons een ritje te maken. Ze draaide zich om, schudde met haar billen en bedankte vriendelijk. “Misschien volgende keer, jongens!” Haar piratenvriendje dacht van niet en haalde met zijn sabel uit tegen mijn hoofd. De volgende keer kwam sneller dan verwacht. Er stond geen rij, dus we renden meteen terug naar de bootjes, opnieuw een venijnige klap van de sabel incasserend. Het meisje had ons dit keer niet gezien, maar na weer langs de vaten rum (schaapachtige lach van Willem), schedels en vleermuizen te zijn gevaren zag ze ons zwaaiend uit de grotten tevoorschijn komen. Helaas, ze ging niet in op onze avances, wat ons deed besluiten dat het prinsesje eigenlijk toch veel leuker was. En lieten we die nou net tegen het lijf lopen! Nou ja, we moesten er wel wat moeite voor doen, om precies te zijn keihard die kant op sprinten waar we haar zagen lopen, maar Peer kon nu op de knieën om haar hand te kussen. Het moest immers wel netjes blijven, want een man met grijze baard, vermoedelijk haar vader, vergezelde haar.

Omdat het prinsesje ons naar het kasteel stuurde was er geen discussie over mogelijk waar nu naar toe te gaan. Willem vroeg zich nog af waar het kasteel was, maar dat was gewoon dat gigantische grijze gebouw dat overal hoog bovenuit torende en dat hij nu plotsklaps ook zag. Echt, het werd alleen maar beter vandaag! Was het met het piratenmeisje al leuker dan bij de cowboys en indianen, nu liepen we langs maliënkolders van blokjes die aan de waslijn hingen te drogen en vrolijk zwaaiende draakjes het kasteel binnen. Wist Ivor veel dat dit eigenlijk een achtbaan was. Het hield niet op met de Lego-attributen waarover we ons mochten verheugen. Dit keer zagen we zelfs prei en knoflook van Lego! Veel mooier kon het toch niet worden vandaag, dachten we. En alweer kregen we ongelijk.

Ja echt, Walhalla (FW)

Buiten het kasteel begon net een kindervoorstelling die we ontzettend spectaculair en buitengewoon komisch vonden. Een dikke koning (wij wisten dat, want hij had een kroon) stond bovenop zijn kasteeltje hoog van de toren te blazen. Figuurlijk dan, want in de toren zelf zat een prinses met volgens Ivor veel te dikke bovenarmen. Een soort prins. Hoewel, ze zag er heel wat meer mans uit dan de prins die haar wilde bevrijden. De prins, die met zijn korte haar weinig overtuigend overkwam, haalde allerlei strapatsen uit om over de slotgracht te geraken. Hij viel van ladders, zwierde aan touwen en duwde zijn hulpje herhaaldelijk in het water, wat op welgemeend gelach van de aanwezige kinderen en ons kwam te staan. Intussen stond de koning, onze held, bovenop het kasteel ook zijn mannetje. Met de brandslang hield hij iedereen op afstand en om niet voor de prins onder te doen duwde ook hij herhaaldelijk zijn hulpje in het water, wat op welgemeend gelach van de aanwezige kinderen en ons kwam te staan. Het verhaal eindigde ermee dat elk personage uit het toneelstuk diverse malen kopje onder was gegaan in de slotgracht, liefst in de vorm van Olympisch ogende buitelingen en duiken. Het feit dat er geen woord Deens of Engels werd gesproken droeg bij aan ons vermoeden dat de Polen waar we gisteravond tegen gevoetbald hadden hier een beetje aan het bijklussen waren.

Willem en Ivor gingen daarna op avontuur, maar Frank, Peer en ik vonden het: Viking River Splash. Nog spectaculairder dan het hilarische toneel van zojuist. Helemaal omdat we welkom werden geheten door echte Scandinavische Vikingmeisjes. Frank maakte gauw een foto van mij en een lief lachend meisje, waarna zelfs een koude douche in deze wildwaterbaan de grijns niet van mij gezicht kon spoelen. Met de armen de hele rit omhoog lieten we elke vloedgolf over ons heen gaan. En zodra Willem en Ivor even later de foto zagen moesten we er weer heen. Het was echt onwaarschijnlijk dat het mooiste moment van de dag nog moest komen, na deze overdosis aan jolijt. En toch vormde de Power Builder het onbetwiste hoogtepunt van heel Legoland. Ivor durfde er niet in, Peer mocht er niet in omdat hij langer dan 1,95 meter is en ook ik moest in eerste instantie buiten blijven. Met loshangend haar van 50 cm of langer kwam je er niet in. Kleine kinderen konden fluiten naar deze attractie, net als zwangere vrouwen en mensen met een notenallergie. Het selecte gezelschap dat hier naar binnen mocht behoorde waarlijk tot de uitverkorenen.

Willem was nog te beduusd om verstandige beslissingen te nemen, maar toen ik mijn haar in een staart had en Frank binnen zag waar hij zich aan ging wagen, droop ook hij af. Goed, de twee met de meest instabiele magen bleven dus over voor ziekmakend geslinger aan robotarmen. In een donkere fabriekshal zagen we stroboscopen en gekleurde lampen een futuristisch ogend schouwspel verlichten waarin ingekapselde personen wild rond werden gedraaid, geschud en gemangeld. Onzeker lachend keken we elkaar aan. Gingen we hier echt in? Van die onzekerheid was even later geen spoor meer over toen we op een videoscherm onze eigen minuut aan de robotarm mochten samenstellen. Vastberaden drukten we op het onderste en wildst bewegende icoon. Een scherm dat vol stond met wat leek op bewegingen die iemand met een epileptische aanval zou kunnen maken lachte ons toe. Grijnzend kozen we voor optie 69, die er nogal wild uitzag, en vier andere bewegingen die wel voor een onderhoudend ritje moesten zorgen. We werden volledig ingesnoerd en toen de ondergrond waar onze voeten op stonden weggleed naar het centrale platform, bungelden we vol verwachting in het niets.

Vanachter een metalen omheining keken onze drie vrienden ons ook vol spanning aan. Wat voor bizars zouden ze zometeen te zien krijgen? Hadden we onszelf overschat? Zou Willem alles binnenhouden? De tien robotarmen in de zaal begonnen synchroon aan hun bewegingen. Bij ons hield dat in dat we achteruit omhoog werden gekatapulteerd en nu opsekop in het luchtledige hingen. We hadden het niet meer van het lachen en gierden het uit, wat tot in de hele hal te horen was, volgens Frank. Even later hingen we net boven de betonnen vloer, alleen steunend op onze borst en het steuntje dat tussen onze benen zat geklemd. Abrupt werden we weer omhoog gezwierd, ditmaal zijwaarts, waarna de robotarm schijnbaar een poging deed alle losse Deense kronen uit onze broekzakken te schudden. Met tranen in de ogen van het lachen ondergingen we de vijf door ons geselecteerde bewegingen, geen van alle erg subtiel van aard, waarna we nog drie minuten de slappe lach hadden. Ja, hier gingen we de komende weken van dromen. En mooier dan dit werd het niet. Echt niet.

Nog nagiechelend bouwden we met z’n vijven een metershoge toren van Duplo; toen ie op instorten stond had plotseling alleen Frank hem nog vast. Ook binnen mochten we nog ergens bouwen en ons kinderachtig gedragen. We werden door medewerkers beschoten, zagen een leger van ondode Lego-poppetjes in 3D en ook Ivor mocht tenslotte dolgelukkig op de foto. Niet met een meisje, maar met de Death Star, een gigantische doos Star Wars Lego. Als ik ‘s avonds in het restaurant Eva’s digitale camera niet had laten liggen was de dag helemaal geslaagd geweest. “Waar heb je je camera eigenlijk?” vroeg Peer na een avond vol spelletjes en airhockey. Hij vond het al gek dat ie het ding op onze hostelkamer nergens kon vinden. De hele terugreis maakte ik me zorgen, want in het restaurant had niemand het ding gevonden. Zelfs om plaatsnamen als Egtved en Årsnæd kon ik op dat moment niet lachen. En ook om de perverse porno die Frank op een tankstation kocht kon ik me niet echt vrolijk maken. Eva had ik al een nieuwe camera beloofd toen ik later hoorde dat het allemaal een misverstand was. De camera was terecht en na geld overgemaakt te hebben was hij enkele weken later weer terug bij ons. Met de foto’s. Het apparaat zelf deed het alleen niet meer, maar ik had Eva toch al een nieuwe beloofd. Volgende keer gaat ze mee naar Legoland. Dat wordt dan geen overdosis wodka, geen gestunt met Polen en geen foto’s met Vikingmeisjes. Maar de camera is dan wel een stuk veiliger.

Pirates of the Caribbean: At World's End
Population 436

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*