Kleine Kaukasus, grote bulten

“Welkom op station Tbilisi,” zei de pisgeur. De betonrot leek de hele constructie elk moment in een gat in de grond te kunnen laten verdwijnen. De trein transporteerde ons niet alleen naar andere oorden, maar was op zichzelf al een totaal andere wereld. Verdwenen was het gejaag van het station; in de trein was eenieder relaxed na te zijn neergezegen in de zachte, rode stoelen. Wie in Georgië met de trein reist kent geen haast. Over iets meer dan 100 kilometer zouden we drie uur doen. Een ritje Duizel-Drenthe zou naar die maatstaven omgerekend zes uur duren. En dan vinden mijn ouders het nu al ver.

Drie uur, dat betekende dat we onderweg wellicht konden achterhalen waar we uit moesten stappen. De meeste stations bestonden uit blanco gebouwen, zo er al een gebouw stond. Namen ontbraken – zelfs de mogelijkheid om rare tekentjes te ontcijferen werd ons ontzegd. Na verloop van tijd merkte ik de kilometerpaaltjes langs het spoor op. Tussen het hoog opgeschoten, vergeelde gras stonden bordjes met daarop een serie van vier cijfers. Op de kaart van het Georgische spoorwegennet die we op station Tbilisi bestudeerd hadden, was elk station voorzien van een eigen, viercijferige code. Alles wat we hoefden te doen was in de gaten houden wanneer de code van Marelisi dichterbij zou komen.

Borjomi-Kharagauli Park (EH)

De trein zette een slalom in en verdween in de tunnels tussen de beboste bergen. Hier begon het Borjomi-Kharagauli park. Niet veel later stapten we uit op station Marelisi. Een station dat we niet zagen. Naast de rails lag een stoffige zandweg waar legergroene Sovjetjeeps de passagiers opwachtten. Een man gebaarde ons met hem mee te lopen. Slim, want door een massale rush werden de jeeps snel gevuld. Onze ‘taxi’, een Lada Niva waar je niet te hard naar mocht kijken, leek een eenvoudige prooi voor de monstrueuze kuilen en hobbels die ons de weg versperden. De deuren bleven niet dicht, maar dat deed er weinig toe want stof drong de auto hoe dan ook binnen door diverse openingen die helemaal geen openingen behoorden te zijn. In een land waar Stalin nog altijd de blits maakt wisten wel meer communistische relikwieën te overleven. Ongeschonden bereikten we het toeristencentrum van Marelisi, waar onze chauffeur het tienvoudige verlangde van wat hij de andere passagier vroeg. Soit, tien keer weinig is nog steeds niet veel. Een jonge vrouw opende de deuren van een blokhut voor ons en nodigde ons uit binnen te komen.

Het Tourist Center zag er bijzonder netjes uit. “Kom maar op met die toeristen!”, leek het te roepen. Maar toeristen waren er niet. Alles lag er verlaten bij. Een winkel had het dorpje ook niet, vertelde de vrouw ons; zelfs groenten kopen bij de mensen thuis was er niet bij. Vette onzin natuurlijk, maar we wilden best appels van haar kopen en hier nog even wat kaas, brood en groente eten. Met onze voorraad moesten we het wel redden tot Likani, 41 kilometer verderop. Ons doel voor vandaag: de hut Didi Sakhvlari. Na de verplichte registratie wilden we de brandende middagzon niet langer laten wachten. Hagedisjes (‘khvliki’, zo leerden we later), een ringslang en zwemmende kindertjes veraangenaamden onze tocht door dit vriendelijke berglandschap in de Kleine Kaukasus, ware het niet dat we bijna levend verdampten.

Met de maïsakkertjes en in de bossen verscholen houten huisjes van Marelisi ver achter ons, bereikten we de grens van het nationale park. Weinig adequaat met elkaar verbonden boomstammetjes gingen vanaf hier voor bruggetjes door. Didi Sakhvlari bleek verder dan verwacht. We hadden gedacht het enkele uurtjes na onze start te bereiken, maar niets daarvan. De bewegwijzering was ook niet je dat. Hadden we misschien een afsplitsing gemist? In de regen, vlak voor de schemering zou inzetten, vonden we eindelijk een plekje waar onze tent kon staan. Tussen plassen, omgeven door muggen, maar veel keuze hadden we niet. Vlakke plekjes waren zeldzaam. Voor de zekerheid liep ik nog tien minuten door om te zien of de hut misschien vlakbij was – tevergeefs.

De plannen waren nu wat onzekerder. Overal krabbend zetten we na een regenachtige nacht onze tocht in dezelfde richting als gisteren voort, om ruim een kwartier later Didi Sakhvlari te vinden. Beetje jammer. Wat nu? Nog steeds naar Likani, desnoods met een extra overnachting? Als we de bordjes mochten geloven, bevonden we ons nu op een veel langer pad dat over de hoogste bergen in het park leidde. De weg moest eerder vertakt zijn, maar dit was ons ontgaan. Vanaf hier liep er ook een pad naar de Megruki-kloof. Klonk spectaculair, maar binnen een halve kilometer moesten we tot twee maal toe de rivier doorwaden. Wat een gedoe, steeds de schoenen uit en weer aan.

Grote poten (EH)
Enfin, we zagen het even niet meer zitten. Terug naar Marelisi dan maar, tot ik tien minuten voorbij onze kampeerplek vloekend constateerde dat er een pad omhoog de bergen in liep. Dit hadden we gisteren niet gezien. Bewegwijzering ontbrak. Toch, even proberen kon geen kwaad, dachten we zo. Een gedachte edoch waarbij we geen rekening hielden met beren. Na een pittige, steile klim ontwaarden we aan de zijkant van het pad een markering. Voor euforie was het niet het moment, want Eva vond de bergen steiler dan ik. Om uit te rusten kozen we een bergwei vol muggen, dazen en nog grotere steekbeesten. Onze kuiten begonnen er al behoorlijk pokdalig uit te zien.

Ineens was het pad verdwenen. Zomaar. Na een bocht was het er nog wel, maar volledig overwoekerd. Groot hoefblad, omgevallen bomen, hoog opschietende planten en later ook brandnetels en berenklauw versperden ons de weg. Toch, dat hier een pad loopt – of liep? – was duidelijk te onderscheiden. Aangezien er vanaf de bocht geen ander pad te vinden was, waadden we vanaf hier kniediep door de planten, om er later geheel in onder te gaan. Niet moeilijk doen en verder dus – wat kon ons het schelen dat zich zo weinig wandelaars in deze wouden waagden? De rivieroversteekjes werden lastiger, het pad was steeds moeilijker te volgen. Het uitzicht werd ons ontnomen door manshoge begroeiing.

De berensporen waren ons niet ontgaan. Al een tijdje begeleidden ze ons. Bij het uiteenduwen van het onkruid stonden ze daar telkens weer. Ontzettend veel, verse berensporen in de modder en allemaal liepen ze dezelfde richting op als die waarin wij ons begaven. Uren later zagen we een gebouw. Een schuilhut? Een aanwijzing over de te nemen route? Niets ervan. Het was een verlaten kerk, met daar vlakbij een bron en een leegstaand herdershutje. Het pad liep hier definitief dood. Een muur van brandnetels trotserend rustten we uit in het kerkje, na ons ervan vergewist te hebben dat er zich geen beer tussen de schaduwen van de muren schuil hield. Het gevaar bleef beperkt tot horzels, maar Likani konden we vergeten. Terug naar Marelisi was nu onze enige optie – in de tegenovergestelde richting van de beren.

Vlak na het overwoekerde pad, toch wel een beetje opgelucht ogenschijnlijk niet langer tussen de beren rond te dolen, vonden we het: een pijl omhoog, de bergen in, naar de berg Lomis. Vloeken, tieren, maar het hielp allemaal niets. Hoe konden we die missen? Vast op dezelfde manier als we de pijl vlak na de rivieroversteek gisterenochtend misten. Het steile pad vonden we, maar dat het echt naar Lomis ging zagen we nu pas bevestigd. Jammer dat alles zo slecht was aangegeven, en zonder kleurcodering die aangaf op welke van de negen routes je je bevond. Uitgeput bereikten we tegen de schemering het Marelisi Ranger Shelter. Een weinig spraakzame boswachter wees ons de kampvuurplek waar we mochten koken en bracht ons kaas, groente, brood en chacha. Chacha, warm en verraderlijk als vrouwen. De nationale drank van Georgië wordt (als je geluk hebt) gemaakt van graan of vruchten. ‘t Smaakte gewoon naar palinca! Wie maalt er dan nog om dat de spaghetti godsakkers al dente is?

Zoals beloofd: grote bulten (EH)

De praatgrage boswachter (beroepstrekje) had zijn handen eerder die avond in de richting van twee bedden laten wapperen, ons weinig overtuigend uitnodigend de nacht in de blokhut door te brengen. Die is gek. De deur moest dicht want er waren muggen op de gang, maar zelfs de ramen stonden wagenwijd open. Toen meneer later ook nog één van de twee bedden zelf ging beslapen zetten wij in een zee van vuurvliegjes ons tentje op. We werden ‘s ochtends gewekt door het woest blaffende hondje van de ranger. Een andere hond stond aan de poort van het natuurpark, met vier paarden, berijders incluis. De hond mocht het park niet in. Een auto mocht dat diep in de nacht wel, hadden we gehoord – de precieze regels waren ons vooralsnog onduidelijk, maar in ieder geval had het Borjomi-Kharagauli park een beleidsplan. Dit in tegenstelling tot eender welk ander stukje natuur in Georgië. De hond werd in een leegstaand hok gepropt waar ‘tourist information booth’ op stond. We vroegen ons al af waar dat ding toe diende.

Onze oningepakte lichaamsdelen werden inmiddels gesierd door een soort van bolletjestruimotief, nu een zwerm mini-mugjes de weinige onontgonnen plakjes had gelokaliseerd. Omdat de boswachter ‘s morgens vroeg niet spraakzamer was gaven wij het goede voorbeeld en zeiden “Houdoe!”. Een hazelworm later vonden we een mooi plekje om ons te wassen. Een fris stromende bergrivier in het ochtendgloren, stoere wouden om ons heen, de zon zichzelf verheffend aan den einder. Het klonk bijna vies om zo één te zijn met de natuur. Gauw dook ik kopje onder in het ijskoude water om mijn stroomafwaarts drijvend flesje shampoo aan de stroming te ontrukken. Opdrogend in de prille ochtendzon zagen we onze Ranger over het zandpad naar het dorp wandelen. Hij zwaaide zowaar.

Vanuit Marelisi kregen we van de bakker een lift tot de ‘grote’ weg. Er was dus wel een winkel, maar nu hoefde het al niet meer. Bewegwijzering ontbrak, maar aangezien dit nauwelijks een echte weg genoemd mocht worden deed dat er niet toe. Ik wist de weg naar het nooit geziene station nog. Wat stof en grind later waren we er, pak ‘m beet een uur voor de trein naar Kutaisi zou arriveren. Een beetje jammer was wel dat er nog maar één ticket voorhanden was. Zoals gezegd, echt druk zag de hoofdweg er niet uit, dus onze alternatieven waren beperkt. Was er nog plaats in een andere wagon? Er werd weer gebeld met iemand die wel een computer had. De logica ontging ons, maar nu kon het ineens wel. Twee kaartjes voor wagon 18. Eerst zaten we in 16, wist ik nog. Erg lang was het perron in Marelisi niet (wat deden die flatgebouwen in de bergen naast het station?!), dus we wachtten voorbij het perron.

Wie niet communistisch is moet slim zijn. De inwoners van voormalige sovjetstaten weten dit soort problemen vakkundig te tackelen. Ik meende goed vooruitgedacht te hebben, maar enkel de locomotief hield halt aan het perron. Zo haalden we onze wagon nooit op tijd! Dan heb je twee mogelijkheden: als een deerne in nood gaan schreeuwen tot ze een deur voor je openen, of heldhaftig proberen meer dan een tiental wagonlengtes naar achteren te sprinten om op de juiste plek te geraken. Voor iemand die er prat op gaat vooruit te denken maak ik soms knap stomme beslissingen. Achter me hoorde ik geschreeuw. Ik realiseerde me dat Eva, in tegenstelling tot mijzelf, voor de eerste optie heeft gekozen. Een hulpvaardige Georgiër hees haar met tas en al twee meter vertikaal de trein in.

Wellicht was het nog niet te laat om van tactiek te veranderen. Ik riep wat naar verwonderd starende gezichten achter een raampje. De schrille fluit van de locomotief klonk door de vallei; log zette de trein zich in beweging. Vertwijfeld begon ik de andere richting in te lopen, terug naar waar ik vandaan kwam. Een conducteur had me inmiddels gezien en klapte met geoefende bewegingen een trapje naar beneden. Half rennend pakte ik de stangen aan de zijkant vast en hees me naar binnen. Eva stond klaar om te springen, zag ik vanuit mijn ooghoek. Was ze nog aan boord – zag ze dat ik het op het nippertje gered had? Badend in het zweet wachtte ik op Eva. Wat een achterlijk systeem, hijgden we even later meer opgelucht dan verontwaardigd. Het was nog ver naar wagon 18, waar we zeker een kwartier nodig hadden om de hartslag weer wat te laten zakken.

Een Abkhazische vluchteling gaat snel vervelen
Te veel Lord of the Rings gekeken

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*