Koortsdroom

“Luister goed, meneer. Dit is wat u doet: vandaag rijdt u naar Mary, waar u in hotel Margush verblijft. Morgen reist u verder naar Ashgabat en checkt in bij hotel Mizan.” De Turkmeense douanier heeft er geen boodschap aan dat het transitvisum ons recht geeft op vijf dagen in het meest gesloten land van Centraal-Azië. “Meer dan drie dagen heeft u niet nodig. Overmorgen verlaat u het land. Heeft u dit begrepen, meneer?”

Welkom in Turkmenistan; een land waar mannen geen lang haar of baard mogen hebben en waar schoolmeisjes in smaragdgroene jurken lopen en hun haar in twee vlechtjes moeten dragen. Waar een avondklok geldt in de hoofdstad, grote delen van het land verboden gebied zijn en fotograferen op veel plekken verboden is. Waar een dag van de week naar de moeder van de president is vernoemd en elk jaar Meloenendag gevierd wordt. Turkmenistan heeft geen toeristen nodig. Er zijn maar drie landen op de wereld waar meer aardgas in de bodem zit. Toeristen worden hier dag en nacht in de gaten gehouden door een privégids – tenzij je de gelukkige eigenaar van een transitvisum bent.

“Maar die zijn toch afgeschaft?” vroegen verbaasde reizigers ons in Oezbekistan. Blijkbaar waren we er net op tijd bij. Ik wist alleen dat ze erg vaak zonder opgaaf van reden niet worden toegekend. Zelfs als je visa van aangrenzende landen kunt overleggen, zoals in ons geval die voor Oezbekistan en Iran. Tot 50% van de aanvragen wordt niet gehonoreerd, las ik op de in Centraal-Azië gespecialiseerde website Caravanistan.com. Ik durfde het niet aan Eva te vertellen voor we onze visa een week voor vertrek eindelijk ontvingen. Omrijden via buurland Afghanistan was geen optie en dat betekende dat de paar dagen Turkmenistan een essentieel puzzelstukje vormden van onze reis om de Zwarte en Kaspische Zee.

De douanier leunt voorover en tekent met een paar felle uithalen een route op een kaartje van Turkmenistan. “Hier mogen jullie niet van afwijken,” zegt hij. “Maar we hebben een excursie naar de gaskrater van Darvaza geboekt,” stamel ik. De douanier kijkt me indringend aan. “Vergeet Darvaza! Afwijken van uw transitroute resulteert in een boete van honderden dollars, plus deportatie. Er zijn checkpoints, u wordt gecontroleerd; of u nu in uw eigen voertuig rijdt of niet.” Licht ontgoocheld melden we ons bij de zeven andere loketten waar we verwacht worden en betalen in totaal $133 voor autoverzekering, brandstof- en wegenbelasting, desinfectie, bank- en verwerkingskosten en een handtekening van een arts op een aantal medische formulieren.

Niet alle douaniers zijn zulke zuurpruimen als de eerste en wanneer de hele procedure wel erg lang begint te duren, worden we zelfs uitgenodigd voor een kopje thee. “Hotels zijn toch gratis voor toeristen?” vraagt een jonge soldaat. Hij lijkt het oprecht te geloven. Ik vermoed dat deze jongens wel meer op de mouw gespeld wordt. “Nee, hotels in Ashgabat kosten al gauw $100 per nacht – als het niet het dubbele is,” antwoord ik. We worden prompt bij de douaniers thuis in Türkmenabat uitgenodigd, maar omdat we Darvaza niet bij voorbaat al willen afschrijven besluiten we verder te rijden tot het oude Merv, vlakbij de stad Mary. Het eerste checkpoint van de Turkmeense verkeerspolitie laat niet lang op zich wachten. Na een grondige inspectie van ons transitdocument mogen we doorrijden naar de pontonbrug over de Amudarýa.

De brug lijkt er al te liggen sinds kamelen plaats hebben gemaakt voor Lada’s als vervoermiddel. Turkmenen betalen één manat om hem over te steken. Buitenlanders die hun voertuig aan de piepende en krakende pontons die op het bruine rivierwater schommelen toevertrouwen, betalen $54 voor dit voorrecht. Plus dertig manat. Onderhandelen heeft geen zin. Omrijden evenmin: de eerstvolgende brug ligt 200 kilometer ten zuidwesten van Türkmenabat. Niet dat je daar heen mág rijden, met een transitvisum.

Het is een kleine 200 kilometer naar Merv; in één rechte lijn door de Karakum. Niets dan zandduinen, weerbarstige saksaulstruiken en af en toe een kameel onder de brandende zon. Maar ook tere, speelse sporen van hagedissen in het woestijnzand en reusachtige sprinkhanen die verschrikt opvliegen zodra je een voet buiten de bus zet. Tegen het vallen van de avond zien we de eerste ruïnes van Merv. Ooit moet deze stad de grootste ter wereld zijn geweest – volgens Tertius Chandler althans; een historicus gespecialiseerd in populatieschattingen van oude steden. Van de andere kant beweert deze geschiedkundige ook dat Stonehenge wel eens door Spanjaarden gebouwd kon zijn. Hoe dan ook, 200.000 tot 500.000 inwoners (andere bronnen doen er een schepje bovenop en gaan tot één miljoen) was ontzettend veel in de 12e eeuw.

Geen wonder dat Merv zo onvoorstelbaar groot is. Daar komt nog bij dat de nu volledig verlaten oasestad een ‘zwervende stad’ was: nieuwe gebouwen verschenen niet zoals gebruikelijk bovenop oudere lagen, maar ernaast. Doordat waterstromen zich verplaatsten moest de stad meerdere malen in zijn geheel verhuisd worden, met vijf gescheiden maar aan elkaar grenzende steden tot gevolg. Alleen al de oudste drie daarvan beslaan een oppervlakte van ruim duizend hectare. Ons ritje van ongeveer tien kilometer door Merv is daardoor een reis terug in de tijd. Met koude flessen water en limonade met kauwgomballensmaak zijn we klaar voor een nacht wildkamperen aan de voet van de bijna dertig meter hoge muren van het Erk Kala, de stad die de Achaemeniden in de 3e eeuw voor onze jaartelling stichtten. Nee, dit was niet hotel Margush in Mary, maar in tegenstelling tot in Oezbekistan hoeven toeristen zich hier niet dagelijks te registreren. Geen douanier die erin zou slagen ons hier weg te jagen. Datzelfde kunnen we helaas niet zeggen van een reusachtige rolspin die naast ons picknickkleed opduikt. Gillend springen Ilva en Rune de bus in.

‘s Ochtends staat er een hoofdschuddende man naast onze bus. “Turkmeense vrouwen,” zucht hij terwijl hij toekijkt hoe zijn familie de steile modderhelling van het Erk Kala af rent. We krijgen een brood van ze en verbazen ons dan over het gebrek aan surveillance hier, nota bene UNESCO werelderfgoed en de belangrijkste archeologische vindplaats van het land. Ongehinderd lopen we tussen de graven waaruit houten palen met gebedslinten schuin omhoog steken en de gerestaureerde iwans voor de mausolea van de Ashkab, met blauwe, geglazuurde tegels die in Oezbekistan alomtegenwoordig zijn, maar in Turkmenistan een rariteit. Eén van de hoogtepunten van Merv zijn de Grote en Kleine Kyz Kala: uit modder en stenen opgetrokken forten die door de eeuwen heen ten prooi zijn gevallen aan weer en wind. Een groepje archeologen is druk bezig de stukje bij beetje afbrokkelende gevaartes te reconstrueren door modder te pappen. Het lijkt dweilen met de kraan open.

Het 36 meter hoge Sultan Sanjar mausoleum biedt verkoeling tegen de woestijnhitte. Ooit konden karavanen de blauwe tegels van de koepel al op een dagreis van Merv zien schitteren in de zon, maar vandaag de dag is het gebouw geheel zandkleurig. Vrouwen in traditionele jurken, van smaragdgroen tot karmozijnrood, poseren met hun familie voor de gewelfde toegangspoort. Binnen sieren bloemmotieven de muren; hoog boven onze hoofden scheren zwaluwen van raam naar raam. Buiten wacht ons een muur van hitte. Het wordt me langzaam te veel. Terwijl Eva met de kinderen in de schaduw wacht, strompel ik eigenwijs naar het mausoleum van Hodja Yusup Hamadani. Wel 38 keer liep hij van Merv naar Mekka, vertelt een mecanicien me enthousiast. Dan had hij er vast beter weer bij. Ik heb al moeite de bus te bereiken. Maar ik moet door. De Shahriar Ark, het mausoleum van Mohammed Ibn Zayd – alles wil ik zien. Ik ben maar één keer in Turkmenistan. Tot de ijshuizen me op een gegeven moment gestolen kunnen worden. Timoeridisch? Zoroastrisch? Wat kan mij het schelen. Ik wil alleen nog ORS.

Ilva zit achterin de bus te kotsen. De hitte wordt ook haar te veel. Eva rijdt ons langs een paardenrenbaan met gouden paardenbeelden ervoor; door zandstormen en met regen in de woestijn naar Ashgabat. Het begint al te schemeren wanneer we de Witte Stad binnen rijden. Hotel Mizan zit vol. De buren rekenen $300 voor een kamer, maar een taxichauffeur weet een goedkoper hotel. Om ons heen begint Ashgabat steeds onwerkelijker te voelen. Naast de lege vierbaanswegen staan marmeren kolossen en rijen hotels. Het voelt als een Las Vegas uit een beklemmende toekomstdroom. Overal om ons heen is neonverlichting. Futuristische monumenten in de vorm van een raket, een achtpuntige ster en fonteinen op elke buitenproportioneel grote rotonde. Een chique en opschepperig hotel waar we stoppen kost nog altijd $220 per nacht. Het duizelt me – en dat komt niet alleen door de koorts.

Ziek of niet, dit is te gek. Het is inmiddels donker – wat de feestverlichting meer tot zijn recht doet komen – wanneer we op zoek naar een betaalbaar hotel stranden aan de rand van het centrum. De regeringsgebouwen maken plaats voor aftakelende Sovjetflats en aftandse woonblokken. Bij een bar verzamelt zich een groepje Turkmenen om me heen en even later heb ik een routebeschrijving, in het Russisch, naar Hotel Tourist. We volgen de instructies en stappen uit voor Hotel Sayyihet, wat blijkbaar toerist betekent. Weer een Turkmeens woord geleerd. Het staat zowaar vermeld in onze Bradt reisgids uit 2005: de gelambrizeerde gangen ‘echo the ghosts of the Soviet Union’, de kamers zijn donker, de badkamers ‘fairly grim’. Precies wat we zoeken. Rillend van de kou val ik onder twee dekens in slaap. De rest kan de slaap tijdens deze zwoele nacht moeilijk vatten.

De ontbijtzaal van Sayyihet is leeg, op twee Brabantse jongens na. “Wat is hier aan de hand?” fluistert Michel. Hij en Remco hebben zich duidelijk niet ingelezen en zijn lichtelijk in paniek door wat ze in Turkmenistan aantreffen. Een transitvisum kregen ze niet en hun toeristenvisum houdt in dat een privégids ze nauwlettend in de gaten houdt. Gelukkig vinden de jongens wel dat ze er aantrekkelijk uitziet. Toch voelen ze zich niet echt welkom in dit land. “Toen de Iraanse douaniers het hek achter ons sloten zeiden ze dat de Turkmeense grenspost 27 kilometer verderop was. ‘Maar niet stoppen jongens, want dan schieten ze!’ We hadden geluk dat het bergaf was, want we hadden geen benzine meer.”

Voor onze afspraak met Owadan Tourism hebben we nog net tijd om het grootste overdekte reuzenrad ter wereld te bezoeken. Opnieuw rijden we over verlaten vierbaanswegen. Op het trottoir lopen geen voetgangers. Gewoon, geen. We zien alleen agenten in groene uniformen en met belachelijk grote hoeden. Ashgabat is de persoonlijke speeltuin van president Gurbanguly Mälikgulyýewiç Berdimuhamedow, waar oude gebouwen met de grond gelijk zijn gemaakt om plaats te maken voor overdadige, marmeren appartementen die niemand zich kan veroorloven. Door een uitgestorven arcadehal lopend bereiken we het reuzenrad. Vanuit de hoogte zien we hoe fonteinen, gouden beelden en een heel bos als een fata morgana uit het droge woestijnzand verrijzen.

“Waar overnachten jullie eigenlijk?” wil de directeur van Owadan weten. Ik had hem al gemaild dat we in Hotel Mizan zouden verblijven, maar hij lijkt meer te weten. “In Sayyihet,” antwoord ik. “Hoeveel zijn jullie kwijt voor een kamer?” vraagt hij. Met enige trots vertel ik hem dat we maar $60 betalen. Misschien bevalt het de Turkmenen niet dat we op eigen houtje iets hebben geregeld, want opeens krijgen we een betere kamer voor $50 aangeboden. Chauffeur Döwlet brengt ons erheen in de 4WD van Owadan. Met groen kenteken – net als auto’s van de overheid. Van buiten ziet het extravagante Bagt Köşgi er onbetaalbaar uit. Van binnen trouwens ook. Een glinsterende, glazen bol, gevangen in een marmeren, achtpuntige ster. Steunend op een achtpuntige ster. Steunend op nog een achtpuntige ster, en daaronder nog één. Het logo van Turkmenistan wordt in Ashgabat ad nauseam herhaald.

Een excursie naar Darvaza is geen enkel probleem, wordt ons verzekerd. Zo lang we maar niet op eigen gelegenheid gaan. De 4WD van Owadan wordt bij geen enkel checkpoint gecontroleerd. De juiste vrienden hebben is in Turkmenistan veel waard. Ziek als ik ben krijg ik weinig mee van de rit pal naar het noorden. Bijna vier uur lang rijden we dwars door de onverbiddelijke Karakum. Slechts even verandert het landschap, in de buurt van nomadendorp Erbent. Hier zijn de zandduinen door overbegrazing nog hoger dan op andere plekken. Hopen zand vormen hellinkjes tegen de lage huizen en yurts. Dan, na nog eens 110 kilometer met enkel wilde kamelen (en af en toe het stinkende karkas van een dode kameel), verlaten we de asfaltweg. Een tijd lang schommelt en schuift de auto over los zand, tot we de Poort naar de Hel eindelijk voor ons zien.

Sinds ik van het bestaan van Darvaza weet wil ik erheen. Uren staarde ik naar foto’s van deze surrealistische plek: een brandende krater met een diameter van 70 meter, midden in de woestijn. Een onwerkelijke aanblik, als van een kokende vulkaan, een zinderend hete poel magma. Alleen is het geen magma. In 1971 vonden geologen van de Sovjet-Unie hier, op zoek naar olie, een enorme grot gevuld met aardgas. Hun boorinstallatie stortte in en om te voorkomen dat te veel giftige gassen zouden ontsnappen, staken ingenieurs het gas aan, in de hoop dat het binnen een paar dagen opgebrand zou zijn. Niet dus: 45 jaar later brandt het vuur nog net zo hevig. De hitte vlakbij de randen – waar geen enkel hek je belet je in de diepte te storten – is waanzinnig. Zelfs zonder de penetrante zwavelgeur die uit de krater opstijgt heb je weinig fantasie nodig om in de nimmer aflatende vuurzee een poort naar de hel voor te stellen.

Terwijl de woest oplaaiende vlammen en het geraas van duizend gelijktijdig brandende gaspitten ons hypnotiseert, maakt Döwlet de yurt niet ver van de krater in orde. Nadat hij de shashlik heeft voorbereid rolt hij matjes en slaapzakken uit. “Als ik jullie was zou ik in de tent gaan slapen en niet in de yurt,” zei de directeur van Owadan eerder. “Er zitten spinnen en schorpioenen in de woestijn.” Maar wij zijn eigenwijs. Gekko’s verschuilen zich tussen de tentflappen. Hopelijk houden zij het ongedierte op afstand. En anders de Turkmeense cognac die ik met Döwlet drink misschien. Er gaan geruchten dat president Berdimuhamedow de brandende krater een verspilling van fossiele brandstoffen vindt en het vuur wil doven, maar Döwlet gelooft hier niets van. “Als de president zoiets wil, dan was het al lang gebeurd.”

In het donker is de gaskrater nog indrukwekkender. Maanden later heeft Ilva het nog over de ‘vuurkrater’; voor haar één van de hoogtepunten van de reis. ‘s Ochtends zitten er geen schorpioenen in onze schoenen. Een bidsprinkhaan loopt verdwaald over Ilva’s pyjama. Döwlet laat ons nog twee kraters zien: één met brandende modderpoelen op de bodem en grote opspattende bellen en één gevuld met blauwgroen water waaruit kleine belletjes opborrelen. Daarna rijden we terug door de woestijn, tot we na ruim drie uur het nieuwe vliegveld van Ashgabat zien, waarvan de vertrekhal overvleugeld wordt door een honderden meters brede, glimmend stalen valk. Een gouden president Berdimuhamedow heet ons welkom vanaf een eveneens gouden paard, bovenop een hoge marmeren klif.

Döwlet zet ons af bij hotel Bagt Köşgi, dat geïsoleerd ten westen van de stad in de dorre vlakte ligt. “Hoeveel kost een kamer?” vraag ik voor de zekerheid. “Wat hebben ze ook alweer tegen je gezegd?” vraagt de receptionist onzeker. “Volgens Owadan is het $50,” antwoord ik. “Ja, dat klopt,” knikt hij. We zijn de enige gasten in het hotel, dat tevens dienst doet als Huwelijkspaleis. Het is de Turkmenen blijkbaar wat waard om ons in de gaten te houden. Wanneer ik een uur later uit het raam kijk, staat Döwlet nog altijd op de parkeerplaats. Ons maakt het weinig uit. Of we willen of niet, ze volgen ons toch wel. Echt onopvallend zijn we ook niet, met ons Nederlands kenteken en een bus die eruit ziet alsof iemand er kamelenstront op heeft gesmeerd. En dat in een land waar je auto volgens de wet blinkend schoon moet zijn. Wanneer we de weg naar de dichtstbijzijnde wasstraat vragen aan een groepje tuinmannen dat het leven van de worstelende boompjes in de berm probeert te rekken, stopt achter ons een zwarte Mercedes. Twee mannen in strakke pakken stappen resoluut op dezelfde arbeiders af. Dankzij aanwijzingen van de tuinmannen blijft een boete ons bespaard.

Er is nog tijd voor een laatste ritje door Ashgabat. Voor het Onafhankelijkheidsmonument, een 118 meter hoge kolom van goud en marmer in de vorm van een wc-ontstopper, staat een verzameling standbeelden van prominente Turkmeense dichters, historische leiders en figuren uit legenden. Elk van hen rijkelijk voorzien van gouden ornamenten. President Berdimuhamedow valt met zijn gouden maatpak ietwat uit de toon tussen de ruig bebaarde Turkmeense helden. En die 118 meter, zit daar nog een verhaal achter? Jazeker. Turkmenistan werd onafhankelijk op 27 oktober 1991: 27 plus 91 is 118. Reken maar na.

Op de ochtend van de vijfde dag van ons transitvisum verlaten we het gesloten Turkmenistan. Even buiten Ashgabat, voorbij de Neutraliteitsboog met bovenop een laatste, gouden presidentsbeeld, passeren we een controlepost. Daarna is het nog 27 kilometer door het Köpetdag gebergte naar de echte grensovergang. Naast de weg staan wachttorens met scherpschutters. Op de weg tellen we 53 schildpadden. Het is de mooiste natuur die we in dit land zien. Buitengewoon goed beschermde natuur, bovendien. We mogen pas stoppen wanneer de weg het hoogste punt bereikt. Achter het hek wappert een enorme Iraanse vlag. De grenscontrole is niet meer dan een formaliteit. “Any carpets?” wordt er nog gevraagd. Maar eigenlijk weten ze alles al.

Wat als je niet van jurken houdt?
Volg de vastgestelde route

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*