Koude kermis

Soms maak ik me zorgen dat Oost-Europa steeds kleiner wordt. West-Europa lijkt elk jaar te groeien: Roemenië wordt steeds welvarender, Kroatië maakt deel uit van de Europese Unie en is nauwelijks van Italië te onderscheiden en over de Baltische Staten hoeven we al helemaal niet te beginnen. Misschien is het ook allemaal niet zo vreemd wanneer je bedenkt dat Europa doorloopt tot de Oeral. Dat maakt Oekraïne tot het centrum van het continent en een groot deel van het voormalig Oostblok tot West-Europa. Ik prees me dan ook gelukkig toen we, op een steenworp van Sibiu, in de puinhoop belandden die Hosman heet. Want een puinhoop was het, zo midden in het modderseizoen. De smeltende sneeuwresten moeten niets nieuws zijn geweest op de onverharde wegen van het dorp, maar maatregelen nemen, ho maar.

Grijs, fletsgeel en bruin domineerden het kleurenpalet in dit zigeunerdorp. De dagen dat Hosman onder de Saksische naam Holzmengen door het leven ging zijn lang vervlogen; de Zevenburger Saksen allemaal vertrokken. Zigeuners met platte, zwarte hoeden en indrukwekkende snorren, vrouwen met rode, rijk beborduurde traditionele kleding en smoezelige kinderen met blinkende oorbellen hadden hun plaats ingenomen. De weerkerk was gesloten, de ruiten van de eetzaal ingegooid en kapotgescheurde condoomverpakkingen en lege bierblikjes slingerden rond binnen de ommuring die om de kerk liep. Ander vertier was er niet in dit armetierige dorp. Het straatbeeld in Alţina, Agnita en Dealu Frumos was niet veel anders. Elk dorp had zijn eigen weerkerk, modder, vervallen huizen en in armoede levende zigeuners. West-Europa was hier nog ver weg.

Modder en zigeuners (JS)

Zelfs het in het Făgăraşgebergte gelegen Bâlea Lac was al te ver weg, vond Rune. Vol overgave kotste hij zijn ontbijt van omelet en pufarine door de hele huurauto. En dat terwijl hij de mititei de avond daarvoor goed binnenhield. Mental note: eentje daarvan is voor het manneke wel genoeg. Ik bestel tenslotte thuis ook geen drie kroketten voor hem. Erg lang hoefden we niet met de open raampjes te rijden. Met de telecabina vanaf Bâlea Cascadă wilden we de smeltende sneeuwhopen achter ons laten en naar Bâlea Lac op 2034 meter hoogte gaan. “Wanneer vertrekt de volgende?” vroeg ik de man bij de kabelbaan. “Pas als we tien personen hebben,” antwoordde hij in de uitgestorven wachtruimte. Ik wilde het Eva wel vertellen, maar net op dat moment stapte er een Roemeens bruidspaar met entourage uit diverse auto’s en voor we het wisten zagen we ver onder ons de door sneeuw bedolven Transfăgăraşan kronkelen; één van de meest spectaculaire wegen ter wereld maar elk jaar slechts drie tot vier maanden geopend voor verkeer.

Hoog in het Făgăraş was het nog volop winter. Een sneeuwstorm ontnam ons elk zicht en gedesoriënteerd liepen we zo dicht mogelijk langs het ijshotel dat de Roemenen fantasievol ‘Hotel of Ice’ hadden genoemd, op zoek naar cabana Bâlea Lac. Voor ons doemden twee houten chalets op uit de sneeuwstorm en gelukkig kozen we het juiste. Het barre weer kon in eerste instantie op weinig positieve bijval van de kinderen rekenen, maar dit veranderde zodra de storm ging liggen en de zon af en toe door het wolkendek brak. Van de op een informatiebord beloofde activiteiten was weinig te bespeuren. De skilift en de schaatsbaan op het bevroren meer ontbraken in hun geheel, maar er werden wel binnenbanden verhuurd om keihard mee van de hellingen te glijden.

Als je ooit gaat tuben met je kinderen is het misschien niet verstandig je kind heel hard rond te zwieren. Nog een tip: als je twee kinderen hebt, zwier ze dan in ieder geval niet tegelijk in de rondte. Dan konden ze namelijk wel eens loeihard met hun hoofden tegen elkaar knallen. Zelden voelde ik me zo’n slechte vader. In dit geval was het Ilva die er een lichte hersenschudding aan overhield. Dat ik vervolgens, toen ik haar naar binnen droeg, met Ilva door de vermolmde houten veranda van het chalet zakte, hielp ook niet. Het personeel van de cabana reageerde laconiek toen ze het gat op mijn verzoek kwamen inspecteren. “Je bent toch verzekerd? Dan is er niks aan de hand!”

Het was achteraf een meevaller dat het ijshotel deze nacht volledig volgeboekt was en we er pas de volgende nacht door zouden brengen, want anders waren we van een koude kermis thuisgekomen. Na haar om de twee uur gewekt te hebben, voelde Ilva zich de volgende ochtend alweer veel beter. Met Rune durfde ik het tuben wel weer aan. We deden het voor de zekerheid wel wat rustiger aan dan een groep Engelse toeristen, die in een rubber boot de steilste helling afschoten. Op het laatste moment hield de Roemeense groepsleider een plastic lint waar twee toeristen achter bleven haken omhoog, om met een duik zelf nog in de boot te belanden. “That was not very well organized,” gaf hij beneden eerlijk toe. “You almost got beheaded! But it was fun.” Roemeens entertainment – ik hou er wel van.

Het enige budget ijshotel ter wereld (JS)

De Engelsen bezochten Braşov, Bran, Sighişoara, het ijshotel en Sibiu in drie dagen tijd. Onze tours zijn er niets bij. Toen wij ‘s avonds het enige ijshotel in Oost-Europa binnengingen (en daarmee waarschijnlijk het enige budget-ijshotel ter wereld en het enige ijshotel waar enkele kamers een markante bierlucht uitwasemden), waren ze dan ook al lang vertrokken. Het interieur bestond uit veelkleurige LED-verlichting (‘led’ is Russisch voor ijs) en ijssculpturen op z’n Roemeens: niet bijzonder fijnzinnig, maar wel met grote tetten. Om de stampende discomuziek en bierlucht te compenseren was er ook een kerk uit ijs opgetrokken, compleet met een laatste avondmaal in sneeuw en iconen van Jezus en Maria. En om te compenseren dat de weinige gasten die er waren uitgerekend onze kamer hadden bezet, mochten we de nacht in een veel ruimere iglo doorbrengen.

Wellicht had ik de koude van een nacht in een ijshotel wat onderschat. Hoewel Ilva en Rune het tussen ons in heerlijk warm hadden, was de temperatuur wat Eva en mij betreft toch net aan de onaangename kant. Misschien had ik ook gewoon wat beter naar de dekens moeten zoeken in plaats van onze slaapzakken eroverheen uit te rollen. Eva nam het me niet in dank af. Pas toen de ene na de andere toerist het chalet tijdens ons ontbijt binnen bibberde, klagend over een koude nacht, ontdooide ze een beetje. Toch kon ze zich er weken later nog over opwinden, toen onze juf Russisch de gebeurtenissen als volgt samenvatte: “Dus Joost maakte het bed op? Hij deed al het werk? En jij hebt niet eens naar de dekens gezocht? Jij hing een beetje de prinses uit?” Nee, in die versie kwam ik iets te goed weg met mijn stommiteit.

Samen met een Engels stel dat Bucureşti – Avrig – Bâlea Lac – Bucureşti in drie dagen deed (onze tours zijn er niets bij) en een paar andere toeristen lieten we de winter de volgende ochtend voorgoed achter ons. Van Rune hoefde het nog niet: “Joepie, sneeuwstorm!” Onderaan stond een Roemeen al een uur te wachten, maar de medewerker van de kabelbaan was onverbiddelijk. “We gaan pas als er tien passagiers zijn. Of je betaalt het equivalent van tien volwassenen,” stelde hij behulpzaam voor. Soms moet je een beetje geluk hebben, en ook tijdens het wachten verveelden we ons geen moment dankzij het maken van Ilva’s ijspegelkunstwerk in de sneeuw.

Vlakbij Sibiu vormde openluchtmuseum Astra met 12°C een wereld van verschil met de koude bergtop. De winter was definitief voorbij; alleen Rune had wat moeite met loslaten. Luidkeels verkondigde hij dat hij een ‘snowprinses met blauwe jurk’ was, om met zijn allerhoogste stem en op maximaal volume “Let it gooooo!” te zingen. Het zorgde voor wat leven in het uitgestorven museum, waar alle vierhonderd netjes op type en functie geordende gebouwen gesloten waren. “In mei is het hier best mooi,” vergoelijkten enkele oude dametjes. Maar we waren wel weer terug in Sibiu, waar we zestien jaar geleden voor het eerst kennis maakten met Transsylvanië.

Huisvredebreuk, altijd leuk (IS)

Al was dit ons twaalfde bezoek aan Roemenië, de ontmoetingen met Zevenburger Saksen zijn altijd spaarzaam geweest. Zoals een documentaire als Leaving Transylvania laat zien is er simpelweg bijna niemand overgebleven om over de exodus te vertellen. Ooit waren ze met zo’n 750.000. Transsylvanië telt nog altijd honderden dorpen met indrukwekkende weerkerken en natuurlijk de zeven middeleeuwse vestingsteden waardoor het gebied in veel landen als Siebenbürgen of een daarvan afgeleide variant bekend stond. Maar de Saksen zelf zijn vertrokken. Op de druilerige en afgezien van ons verlaten binnenplaats van het historisch museum hield suppoost Karol de dunne façade van een glimlach niet lang vol. “We zijn nog maar met 4.000. En dat is Siebenbürgen, de Banat en de Donau-Zwaben bij elkaar.”

Karol was beledigd dat ik hem in het Roemeens bedankte. Die taal wilde hij niet spreken (en misschien is dat ook wel de essentie van het probleem van de Zevenburger Saksen; een bevolkingsgroep die onvoldoende in staat is geweest zich aan te passen aan veranderende omstandigheden). Moldaviërs en zigeuners hadden hun plaats ingenomen toen ze in de jaren ’90 massaal naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland emigreerden, merkte Karol verbitterd op. We hadden het zelf een paar dagen eerder in Hosman gezien. “Het is alleen maar minder geworden sinds de Wende.” Na aftrek van huur en andere vaste lasten hield hij als Sasks, ooit iets om trots op te zijn maar nu eerder een tweederangs burger, zo’n €15 per maand over om eten van te kopen. Hoe wijn smaakte kon hij zich niet herinneren. Nee, het huidige Roemenië was geen beste plek om te leven. “Kijk naar dit museum,” onderstreepte hij zijn punt. “De hele collectie is Saksisch. Hier is niets Roemeens bij.” Van de gebeurtenissen van de laatste eeuw ontbrak inderdaad elk spoor. Het communisme had in Sibiu nooit plaatsgevonden. “Passau, Regensburg, Ingolstadt… het maakt me niet uit. Als ik hier maar weg ben.”

Karol zou vast ook niet gecharmeerd zijn van onze Roemeense vrienden. Duitse punctualiteit is ze vreemd en toen Bogdan vertelde dat ze om tien uur in Sibiu zouden zijn, ging ik er al van uit dat het half twaalf, twaalf uur zou worden. Kwart over één kwam meer in de buurt en toen waren we net bij toeval op een Dacische citadel gestuit. Ver van de bekendere Dacische vindplaatsen als Sarmizegetusa Regia en Costeşti stond Tilişcă; een goed bewaard geheim en in geen enkele reisgids vermeld. Mocht dit aanlokkelijk klinken, wees dan gewaarschuwd: de reden dat er van deze plaats nergens gewag wordt gemaakt, is dat hier werkelijk geen bal te zien is. Tilişcă was weinig meer dan een leeggekapte heuvel want ja, het blijven Daciërs, dus een beetje nederzetting staat bovenop een lastig te beklimmen berg. Een paar oude stenen en dat was het dan.

Terug uit Tilişcă bezoedelde Rune in Cisnădie het enige mooie stuk trottoir in heel Roemenië door er een flink plakkaat op te leggen. De auto stonk een uur in de wind toen we na een typisch Roemeens staaltje miscommunicatie Bogdan, Alina en Calin eindelijk zagen in Cisnădioara – ooit Michelsberg. De Saksische weerkerk – naar goed Dacisch voorbeeld hoog boven het dorp op een heuvel gebouwd – was uiteraard gesloten, maar het hek onderaan de helling bleek eenvoudig te omzeilen. Eenmaal boven was ook alles afgesloten, maar aan de achterkant van de rondom de kerk lopende muur vonden we een houten deur met daaronder redelijk wat ruimte. Tijd voor wat huisvredebreuk dus. Ilva vond het prachtig om stiekem onder de deur door te glippen en maakte een prachtige foto van de kerk voor ons. Daarna was ook Rune niet meer te houden en in niet opgewonden staat lukte het me nipt om me ook onder de deur door te wringen. Twee eveneens binnengedrongen stelletjes wachtten geduldig tot we weer weg gingen.

Vergane glorie in Sibiu (JS)

Op deze manier was Cisnădioara een stuk leuker dan het deprimerende Păltiniş, waar we de volgende dag heen reden. Allereerst had Rune een vakantieabonnement op antiperistaltisch vermaak, al kon onze auto onmogelijk nog erger gaan stinken van weer een nieuwe sloot kinderkots. Een grijze lucht en natte sneeuw waren neergedaald over het miserabele skioord, waar bruine modderplassen de gaten in de zandwegen vulden. Keiharde muziek verwelkomde ons op een skihelling waar de inwoners van Bangladesh nog zouden klagen dat het er druk en nat was. Op de terugweg naar Sibiu ontdekten we een kleine twintigtal mogelijkheden waar we beter hadden kunnen wandelen.

Nog één keer liepen we door Sibiu, waar me vanuit de Turnul Sfatului pas opviel hoe Duits de steden in Transsylvanië eigenlijk ogen. Hooguit wat minder net. Het Brukenthalmuseum, de middeleeuwse torens, de oude pakhuizen – de gebouwen leken stuk voor stuk regelrecht uit het kaartspel van Catan te komen. Buiten de oude binnenstad stonden de in felle kleuren geschilderde Hongaarse en Roemeense huizen, waarvan wel gezegd moet worden dat die verf in tweederde van de gevallen zich in vergaande staat van afbladdering bevond. Daken waren aan reparatie toe en panden stonden leeg, maar volgens Bogdan was Sibiu er niet slechter aan toe dan Braşov, waar de aftakeling ons nooit zo opviel.

De zon verleende de stad een zachte gloed die veel goed maakte. Het was een graad of twaalf en morgen vierden de Roemenen Martişor, het begin van de lente. Jongens gaven meisjes dan geknutselde bloemen. “Flauwekul,” vond Bogdan. Maar wat Bogdan goede ideeën vond – het op zich wel aardige kürtőskalács (zoet, geroosterd brood) en de minder geslaagde Roemeense kebab en jumari (in een krokant laagje verpakt varkensvet dat smelt in je mond) – deed het voor mij ook niet altijd. Nee, eigenlijk waren die houten bloemetjes een stuk leuker, vond ook Ilva. Misschien kunnen we Valentijnsdag de deur uitdoen en Martişor volgend jaar ook in Nederland vieren. Maken we Oost-Europa gelijk een stukje groter.

The Grand Budapest Hotel
Riki-Oh: The Story of Ricky

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*