Laat dit een les zijn

Waarom moet ik zo nodig alle landen van Europa bezoeken en ben ik niet gelukkig met elk jaar terugkeren naar bijvoorbeeld het warme, gastvrije en prachtige Albanië? In het zicht van de haven bekropen de twijfels me – de spreekwoordelijke haven; niet de haven van Dublin waar de ferry mij vanmiddag samen met het afvoerputje van de mensheid heen had gebracht. Zowel Ieren als Britten deden op deze boot des afschuws een serieuze poging zich kandidaat te stellen tot lelijkste volk van Europa. Onopgevoede kinderen molesteerden het materiaal van de speelhoek en sloegen elkaar hardhandig in het gezicht in de bioscoop, waarin beeld en geluid per toerbeurt werkten. Het schrikbarend hoge gehalte obesitaspatiënten zorgde voor een gevaarlijk diepe ligging in het water van de Ierse Zee. Van veel personen was lastig vast te stellen of ze nu in de eerste plaats als ‘zwakzinnig’ en pas op de tweede plek als ‘spuuglelijk’ moesten worden beschouwd, of toch liever andersom.

Nationale sport (JS)

En nu zat ik op onze camping van €36 per nacht (inclusief slecht werkend Wi-Fi, exclusief douches) met smakeloze fish and chips bij te komen van de cultuurschok. “Welk land rijden we binnen?” testte ik Ilva. “Russisch Albanië!” Nee, dat land bestaat nog niet. Dit was Ierland en de binnenkomst liet in vergelijking met Wales een week eerder te wensen over. Hier waren waterballonnen verboden, lazen we op de liefst twee A4’tjes die het kampreglement in beslag nam. Ook de kaart van County Wicklow kon mijn vraag wat we hier in vredesnaam deden niet beantwoorden: Avoca hand weavers, Olde Shillelagh stickmakers, Quaker farmstead, June Blake’s gardens… Degene die ooit heeft bedacht dat tuinen een toeristische attractie zijn mogen ze van mij standrechtelijk fusilleren, maar in dit land van gemanicuurde gazonnetjes leek ik me op weinig bijval te mogen verheugen.

Bij Glendalough begon ik Eva’s bezwaren tegen IJsland een beetje te begrijpen. De kans is aanwezig dat iedereen die de foto’s zit denkt: “Sowee, daar wil ik ook heen.” Dat dacht ik in ieder geval wel toen Eva me plaatjes van IJslandse watervallen en rotsachtige valleien liet zien. “Maar net links hiervan is een grote parkeerplaats en het balkon deelde ik met tientallen andere toeristen,” deed Eva enigszins afbreuk aan wat zo idyllisch oogde. In Glendalough was het niet veel anders. Met zijn iconische 10e-eeuwse ronde toren, de harmonieus in het landschap opgaande St. Kevin’s Kitchen met zijn leigrijze stenen en talloze ruïnes en grafstenen viel er zo op het oog weinig af te dingen op deze eeuwenoude kloosterplaats. Afgezien van de drukte dan. Vergeet hurling en Gaelic football: de nationale Ierse sport is proberen om ergens een foto van te trekken op het zeldzame moment dat er zich geen enkele andere toerist in je zoekvenster bevindt. De echte kampioenen weten net dat spaarzame straaltje zonlicht op te vangen wanneer de wolken een moment wijken.

Rust, vlakbij de drukte (JS)

De toren deed denken aan de Albanese verdedigingstorens. De ingang bevond zich op vier meter hoogte en net als bij een kulla werd de ladder waarmee je naar binnen ging achter je opgetrokken. Knappe Viking die hier naar binnen kwam. Onze eigen Vikingen toonden trouwens meer interesse in het meer bij Glendalough, waar de kleren ondanks een onheilszwangere lucht snel uit werden getrokken. De vergelijking met Albanië hield hier wel snel op, want we bevonden ons in de EU en zwemmen – evenals een hoop andere dingen – was hier dus verboden. In een snel stromende bergrivier konden Ilva en Rune zich alsnog uitleven, hoog boven Glendalough op weg naar de Wicklow Gap.

“Welcome in Ireland – the Republic of Ireland! There is no IRA anymore. We are focked!” Een weinig coherent overkomende man hield ons midden op de weg staand tegen. In de berm stond een gecrashte auto. Voordat we wisten wat we hier van moesten maken gaf de man me een hand en zwaaide ons uit. De Wicklow Mountains maakten plaats voor het saaie binnenland van Kilkenny en Tipperary, tot we in Cashel ineens één enkele heuvel zich boven de omliggende, zacht glooiende velden zagen verheffen. Van de sympathieke eigenaar van onze kleine camping – vlakbij de ruïnes van de Hore Abbey, die toch echt een letter misten om het leuk te maken – kregen we gratis toegangskaartjes voor de Rock of Cashel. Nog een ronde toren, nog een uit grijze stenen opgetrokken, vervallen kerk en nog meer toeristen opdat we ons verder konden bekwamen in de nationale sport.

Een relatief warme dag (EH)

Even dachten we de gebaande paden achter ons te hebben gelaten toen we bij Kealkil een cirkel van standing stones voor ons alleen hadden, maar aan die droom kwam snel een einde. In Ballylickey (ja, ik verzin het niet) draaiden we de Wild Atlantic Way op. Het enige wilde aan deze 2500 kilometer lange marketingvondst uit 2011 was het temperament van Eva en Ilva. Het was natuurlijk naïef van me om te denken dat het zuidwesten van het land. waar de schiereilanden Beara, Dingle en de daartussen gelegen Ring of Kerry toeristen als motten naar een kaarsvlam trekken, rustiger vaarwater zou bieden.

In ieder geval maakten de plensbuien hier aan de Atlantische kust langzaam plaats voor zonneschijn en zagen we zelfs een zandhagedis. Een uitstekend excuus om nog een extra blik dagjesmensen open te trekken en de kabelbaan naar het eilandje Dursey lieten we schieten. ‘Full for an hour,’ lazen we op een aangeplakt briefje en met die info moesten we het doen. Wat heeft het dan ook voor zin iemand achter het loket te laten zitten? Dat hadden de Ieren slim bekeken, net als de handhaving van de snelheidsrestricties in dit land. Wanneer je die onhaalbaar hoog instelt is toezicht op de naleving ervan immers overbodig. We verlieten de mudvolle parkeerplaats en zetten de bus langs de weg naast een verlaten zandstrandje. Het kan dus wel, in deze veelbereisde hoek van Ierland. Bikkel Ilva waagde zich helemaal in het koude water, terwijl Rune zich tevreden stelde met het bekijken van visjes, garnalen en zeeanemonen.

Weer eens wat anders dan een runensteen (EH)

Voor het strandje 300 meter verderop stonden inmiddels vijftien auto’s geparkeerd toen we naar Faunkill-and-the-Woods reden. Ja, mooie naam hè? Ook in de Oghamsteen aan de ruige, maar minder verlaten noordkust dan de reisgids ons voorspiegelde, leek niemand geïnteresseerd. Op een heuvel stond hier een hoge steen met kerven in het oude Keltische schrift; trots tussen de koeienpoep en zonder begeleidend schrijven. Met rustige locaties als deze besloten we overmoedig dat wildkamperen hier ook ergens moest lukken. Op de camping waar we vanochtend stonden vertelde de eigenaar dat wildkamperen officieel niet was toegestaan in Ierland – al deed hij het zelf graag. Buiten het hoogseizoen werd het getolereerd, maar met de drukte in juli – no way! “Het is allemaal de schuld van de… en nu moet ik oppassen met wat ik zeg,” zei de Ier terwijl hij zijn nek uitstak om ons kenteken te kunnen zien, “… Fransen!” Als hij gezien had dat we uit Frankrijk kwamen, dan hadden de Nederlanders vast de schuld van rondslingerend afval en geblokkeerde toegangswegen gekregen. Het klonk in ieder geval als een uitdaging en na een bord Irish stew (tamelijk fantasieloze prut van aardappelen, uien, wortel en lamsvlees – dat dan weer wel) vonden we vlakbij de Ballagheama Gap een geschikte plek.

Niet ver van de bergpas waar we ontbeten bevond zich de hoogste berg van Ierland, Carrauntoohil. Er stond geen woord over in de Lonely Planet, waarvan we al eerder hadden besloten dat het niet onze favoriete reisgids was. In dit geval was het maar goed ook, want anders was ik vast in de verleiding geraakt hier even naar boven te rennen. Nu konden we er tenminste voor zorgen het absolute dieptepunt van onze vakantie zo snel mogelijk achter ons te krijgen: de Ring of Kerry. Het begon nog leuk met een botsing van twee Ieren (“Ah, it’s not much. The other car is focked though. Nah, we’re grand!”), maar al snel reden we in een optocht met alle andere Nederlanders, Fransen en Engelsen. Na een saaie Oghamsteen en hordes toeristen op panoramapunten in de regen daalde de moreel tot onder het vriespunt.

Zandkastelen platrijden (JS)

Mocht je je ooit in een soortgelijke situatie met Eva bevinden, bied haar dan gauw een kopje thee aan. Zo mochten we na het dieptepunt diezelfde dag nog één van de hoogtepunten van onze trip beleven: het strand van Inch op het Dingle schiereiland. Eindelijk werd het speelgoedemmertje eens gebruikt waarvoor het bedoeld was, in plaats van op de achterbank volgekotst te worden. Een vijf kilometer lange schoorwal reikte hier bijna tot aan de overkant van Dingle Bay. En ondanks het brede zandstrand, het heerlijk warme oceaanwater (naar Ierse maatstaven dan) en de zon waren er amper toeristen. Maar het mooiste was wel dat we met de bus over het strand mochten scheuren. Bijna iedereen parkeerde aan het begin van de schoorwal, maar je mocht zo ver (en hard) over het zand rijden als je maar wilde. Een voor Ierland zeldzaam gebrek aan regelgeving. Dat maakte meteen dat Inch één van de weinige stranden in Europa was waar je je oprecht zorgen mocht maken dat je kind eerder overreden zou worden dan verdrinken, maar tot dusver was het strandvertier hier pas één persoon noodlottig geworden.

Van alle landen ter wereld heeft Ierland de hoogste dichtheid bed and breakfasts (echt waar – zoek het maar op als je me niet gelooft) en Dingle vormde wat dat betreft geen uitzondering. Tussen twee B&B’s vonden we gelukkig het Rainbow Hostel. Eva constateerde verheugd een zekere gelijkenis tussen Rainbow en het door ons zo geliefde hostel in Vuno, Albanië. Er waren hier inderdaad ook gedeelde toiletten en douches, maar daarmee had je de overeenkomsten wel gehad. Hier stroomde gewoon warm water, de toiletdeuren konden op slot en er waren bedden in het hostel. En hier klaagden de bezoekers over de flutzomer (de vissers durfden de komende drie dagen de oceaan zelfs niet op, zo slecht was het weer) en over de Afrikaanse, Poolse en Litouwse bendes die Ierland onveilig maakten en de drugsdealende IRA. “Voor moord zit je hier hooguit tien jaar,” mopperde een Ierse.

All hail the mighty mammoth! (JS)

Alsof het niets is; tien jaar in Ierland. Zij liever dan ik. Maar ondanks het gemopper begon de dag met stralend weer toen we het stadje Dingle in reden. Als concessie aan de kinderen bezochten we Dingle Oceanworld, voor we ons bij Coumeenoola verbaasden over een karikaturaal tableau vivant waarin een groep badgasten ‘Iers zomervertier’ uitbeeldde. Stevig ingepakt tegen de regen en koude wind (de zon liet zich al een tijdje niet meer zien, al zou het vanavond pas echt gaan stormen) zaten enkele Ieren weggedoken tegen de kliffen bij een klein strandje. Op het strand werd hurling gespeeld, want zwemmen was in verband met een gevaarlijke onderstroom verboden. Het weer begon nu zelfs Rune op te vallen en bij de Fahan clocháns (beehive huts) zette hij de deuren van de knusse, stenen hutjes open zodat de wind naar binnen kon. “De wind heeft het buiten koud.”

Gelukkig waren er op het schiereiland ook bezienswaardigheden binnen, zoals het Celtic and Prehistoric Museum. Het was een tamelijk excentrieke en lukrake verzameling hier, maar wel een interessante. Behalve een intact holenbeerskelet (mijn spellingcontrole wil hier ‘holenbeverskelet’ van maken) en de grootste mammoetschedel ooit gevonden, werden hier Hadrosauruseieren, een Psittacosaurusfossiel, bijlen en schaatsen tentoongesteld. En wat voor weer het ook is, in Dingle zelf mag je Murphy’s niet overslaan. “Unlike anything you’ve ever tasted before,” volgens de National Geographic Traveler. Ik vond het anders verdacht veel naar ijs smaken, al waren het zeezoutijs en het bruine broodijs misschien wel de lekkerste smaken die ik ooit had gegeten.

Dit begint erop te lijken (JS)

De mist rolde van de berghellingen omlaag toen we over de Connor Pass Dingle uitreden. ‘Turn back now!’ schreeuwden waarschuwingsborden langs de weg. Alles wat te lang, te zwaar en te breed was, kon onmogelijk over de hoogste bergpas van Ierland, werd hier beweerd. Het zou in ieder geval weinig praktisch zijn op het kronkelende en nauwe weggetje. Van de bergmeren zagen we slechts flarden toen de mist enkele tellen week; een ander meertje boven een waterval bleef in de nevel verstopt. Bij mooi weer was het hier vast prachtig, net als zo veel plekken in het zuidwesten van Ierland, maar na Glendalough, de Ring of Kerry en Dingle hadden we het idee dat het misschien slim zou zijn om bepaalde highlights in dit land te vermijden. Een les waar ik me helaas maar moeilijk aan kon houden, want een beetje hardleers ben ik wel.

In plaats van de Cliffs of Moher kozen we daarom voor de kliffen bij Kilkee. Met de hele dag stromende regen en asgrauwe luchten (een beeld dat volgens de weersverwachting nog wel een dag of vier aan zou houden) maakte het misschien weinig uit, maar in The Burren mochten we toch echt vaststellen dat we in een minder druk stuk Ierland waren aangekomen. Ruim een uur lang reden we over grindwegen en langs uitgestorven erven op zoek naar een niet bestaande camping. In deze naargeestige omgeving leek het alsof we in een aflevering van Father Ted waren beland. Overal stonden stenen muurtjes en zonder bergen was er extra veel ruimte voor de grijze tinten in de lucht. Tussen de grillige stenen viel nauwelijks iets van een bodem te bespeuren. Wel groeiden er tal van bijzondere bloemen en planten in dit merkwaardige landschap. We reden voorbij Vaughan’s Pub, waar jaarlijks een Father Ted Festival plaatsvindt, voor we in the middle of nowhere een kleine camping vonden waar je het toilet met een emmer water moest doorspoelen. Misschien was dit dan toch eindelijk het Ierland dat we hoopten te vinden. Afgezien van het bedroevende weer dan.

No point complaining
Do us a bad review!

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*