Mannen met een missie

We waren niet de enigen die gisteren in zwaar weer verzeild waren geraakt. Na Brabant over de regenboogbrug binnen te zijn gereden – daarmee nu al verder op weg dan gisteren – laveerden we tussen afgezette wegen, omgewaaide bossen en restanten van daken richting Tilburg. De storm was gaan liggen en ook wij waren tot rust gekomen. Nee, de Bierbrommerij verliep heel anders dan we voor ogen hadden gehad, maar dat hoefde ons er nog niet van te weerhouden erg veel bier te drinken. Met de TomTom op scenic moesten we daarvoor nog even geduld hebben. Na drie uur kleine weggetjes zaten we op het terras bij de Schaapskooi, het toevluchtsoord voor de bierdrinkende monniken van La Trappe.

“Zelf dronk ik altijd de Tripel,” biechtte een aardige monnik aan ons op. “Nou ja, altijd, altijd… als ik bier dronk dan. Nu drink ik liever Isid’or.” De Witte Trappist hadden we net al geproefd en voor La Trappe Puur, de eerste biologische Trappist, waren we net een week te vroeg. “Goh, wat leuk!” beoordeelde de monnik onze t-shirts. “Potverdikkie! Wacht even, jongens.” Vergeefs werd er naar een poster gezocht, maar de beste man wilde ons niet laten gaan zonder aandenken. Buiten de net gekochte sixpacks Isid’or, Tripel en de dure fles La Trappe Quadrupel Oak Aged dan. Het werd een opener. “Die levert toch wel een bonuspunt op, hè?” probeerde de monnik ons te corrumperen. Hij wilde achteraf weten welke Trappist we als lekkerste zouden beoordelen. “En dan kunnen jullie met z’n vieren er natuurlijk vier laten winnen,” stelde de man Gods voor om de lieve vrede tussen de kloosters te bewaren. La Trappe legde de lat hoog voor de anderen.

Na een tussenstop bij de ouders van Jaap, compleet met Tour de France etappe en het ongenaakbare en door ons gewaardeerde commentaar van Maarten Ducrot (“Kijk nou… gouden kettingen, balansbandjes, rozenkransen. Straks nemen ze nog het complete houten kruis van Jezus Christus mee. Jeetje mina…. dat is allemaal gewicht man!”), vervolgden we onze inhaalslag. Om de wanbof van gisteren te compenseren tourden we door naar Westmalle – een aanfluiting van een klooster en daarmee achteraf bezien vrij standaard in de door ons bezochte reeks. Het mocht er dan naar bier ruiken, binnen mochten we er niet. Een torentje, drie monniken op een bankje en een hoge muur om de inwonenden tegen ons, Vikinggespuis, te beschermen. We hadden het er snel gezien.

Hier doen we het allemaal voor (JW)

Sneller dan het terras van Café Trappisten, waar we grote glazen Trip-Trap dronken: een cocktail van de Dubbel en de Tripel. Rinkelend met een dienblad vol glazen strompelde onze garçon op leeftijd het terras op. “Hij werkt hier al 35 jaar en drinkt elke dag zes à zeven Trappisten om op gang te komen,” vertrouwden de vaste gasten aan de belendende tafel ons toe. “En dan ’s avonds gewoon in de auto stappen en op huis aan hè!” Zo reden er hier meer, want met een auto die zich vol gas van zijn bodemplaat ontdeed op een vluchtheuvel, grappende brandweerlieden die de olie van het wegdek kwamen spuiten en het eerste deel van een verloren voetbalfinale (klein zeer vergeleken bij de pech van gisteren) zonder geluid op het terras, hoefden wij ons geenszins te vervelen in Westmalle.

Op camping Gerstekot werden de blauw-wit-rode vlaggetjes juist van de muren gehaald. “Tiens, ze hangen dus werkelijk ondersteboven?” Uit deze zatte Belgen kwam niet veel zinnigs meer, al was hun standpunt jegens de Trappisten ook in deze vertroebelde toestand glashelder. “Moet ge zien in wat voor paleis die daar wonen,” kregen we te zien in een foldertje. “In ’t gevang moesten ze ze zetten!” Ja, wanneer zelfs de Roemenen zich een treetje boven de Belgen verheven voelen op de internationale ladder en non-stop obscene grappen over je maken, is het hoog tijd je achter de oren te krabben over al die misstanden in de kerk.

Westvleteren gaat in dezen zeker niet vrijuit. Moesten wij ons daar druk over maken? Op dit moment deden we dat al over de route. “Dit moet wel een heel lelijk stukske Bels zijn als dit de scenic route is,” verwoordde Jaap onze gedachten. Hoe dieper we België binnen drongen, hoe meer haken en ogen we aan ons brommerplan ontdekten. De zeer smalle fietsstrookjes langs de provinciale wegen (zo ze er al waren) wekten niet echt een veilige indruk. Bovendien reden we nu al een halve dag door de stromende regen. In dit deel van Vlaanderen was het industrie tot en met: elk dorp leek op Reetveerdegem uit De helaasheid der dingen. De Sint-Sixtusabdij van Westvleteren paste naadloos in dit landschap, maar wij waren content. In tegenstelling tot de boze vermoedens was het Trappistenbier hier gewoon te koop.

Volgens de website van Westvleteren en iedereen die er iets over denkt te weten is het bier enkel na telefonische afspraak aan de poort van de abdij te koop. Eén krat per kenteken; de monniken bepalen welk bier. Om de telefonische afspraak te maken dien je eerst te bellen, waarna je een ander telefoonnummer plus een tijd waarop je terug moet bellen te horen krijgt. Inderdaad – ons teveel moeite, maar in het winkeltje werden sixpacks van de Westvleteren Special 6 (ook bekend als Westvleteren Badparels) en Westvleteren Extra 8 verkocht. De rekenliefhebbers wisten het al: vier sixpacks maken één krat. Op het terras werd tot onze grote vreugde bovendien de Westvleteren Abt 12 geschonken. Mijn persoonlijke favoriet.

Licht beneveld bereikten we Ieper – een indrukwekkende plaats. De historische ernst van Ieper, bekend uit ’14-’18, drong zelfs in deze staat tot ons door. Hordes Engelsen dromden om de enorme Lakenhalle in het centrum. Eerder al hadden we Flower of Scotland gezongen voor Schotse meisjes op de camping en daarmee een welverdiend applaus geoogst. De bloemen die onlosmakelijk met Ieper verbonden zijn, zijn de klaprozen uit het gedicht van John McCrae. Tijd voor een serieus intermezzo:

In Flanders fields (JW)

In Flanders fields

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.

We ontvluchtten de zwaarmoedigheid door Sas Pils te drinken in café Boerenhol. Het was hier dat een lumineus idee in onze hoofden ontsproot. De Bierbrommerij was dan weliswaar minder episch dan wanneer deze per bromfiets zou zijn geschied – dat nam niet weg dat we niet opnieuw Mannen met een Missie konden zijn. We zouden deze week honderd verschillende bieren drinken. Met de woorden van Nathan Explosion: “I need 100 beers. Exactly, exactly 100 beers.” Na drie dagen touren stond de teller op 27. Nog 73 te gaan dus, in vijf dagen. Op de vestingmuren, met de zon langzaam achter de torenspitsen verdwijnend, wijdden we ons vol overgave aan onze nieuwe taak.

“Zijn jullie niet in rouw?” vroeg een vrouw ons de volgende dag. De massagraven van West-Vlaanderen liggen alweer ver achter ons wanneer we in Chimay aan de Speciale Réserve Poteaupré zitten. Het duurde lang voor we begrepen waar ze op doelde. Voetbal. Of we bij een clubje voor lange mannen zaten, voegde ze er nog maar een onnozele vraag aan toe. “En niet teveel drinken hè?” meende haar man aan de conversatie bij te moeten dragen. Een echte conversatie was het niet, net zomin als in de abdij Notre-Dame de Scourmont. De enthousiaste reacties op onze t-shirts waren nu in het Frans en daarmee merendeels onverstaanbaar. Ons Frans beperkt zich immers tot “Bonjour, je m’appelle une croissant” en “Nous habitons ier neffu.” Lang hoefden we de Franse loftuitingen niet aan te horen, want ook het vierde Trappistenklooster was tamelijk saai.

Nee, dan Orval. De brouwers van het smerigste Trappistenbier – al wagen Daan en Jaap het met mij oneens te zijn op dit vlak – huizen in de mooiste abdij. Hier mochten we tegen al onze verwachtingen in zelfs naar binnen – zij het tegen betaling. De stoere uitstraling van de abdijmuren werd binnen voortgezet: bijna duizend jaar oude ruïnes, een wanstaltig grote basiliek en de oppervlakte van het hele complex leek eveneens te suggereren dat het deze monniken menens was. Vanuit de hemel daalden de zonnestralen goedkeurend neer op de gouden vallei en de helaas forelloze Mathildebron.

Vies bier, veel plezier (JW)

Met veertig bier op de achterbank waren we inmiddels hard op weg naar de honderd, en we waren niet de enigen die dronken waren in Gedinne. Hoewel Daan later buiten in slaap viel en Jaap van binnenuit de uitgang van de tent niet meer kon vinden, waren we niet gevallen voor de avances van de barbecuende heksen die het op ons voorzien hadden. “Als we nu in Oost-Europa waren, dan werden we zeker uitgenodigd,” liet ik me tegenover Gijs ontvallen. Ik had het nog niet gezegd of het tiental ons wat te oude en veel te lelijke vrouwen poogde ons in te sluiten. Of we wijn lustten en met ze wilden dansen. Blijkbaar waren ze het dansen met de parasol beu en hadden ze al het andere manvolk uit de wijde omgeving al weggejaagd. Voor ons reden het op een lopen te zetten.

Aan vrouwen die ons bang maakten geen gebrek, maar wat leuke meisjes betreft bleef het bij dagdromen. Wat nu als er meisjes rondliepen met soortgelijke plannen als wij hadden? Vier meiden waarvan de brommers stuk waren gegaan en die nu voor hun tentjes een Trappist zaten te drinken. Jaap werd bij het idee alleen al erg vrolijk en verdeelde de vier gezellige meisjes met strakke brommershirts in gedachten al: de blondste voor hem, die met de hoogste dichtheid voor Gijs, de oudste voor mij en de vrijgezelle voor Daan. Zoiets zouden we thuis zelfs aan onze vriendinnen kunnen verkopen, vermoedden we.

Hoewel navraag dit later bevestigde moesten we ons tevreden stellen met de abdij Notre-Dame Saint-Remy van Rochefort. U raadt het al: een suf gebouw waar je niet binnen mag. Hier was zelfs geen winkel of terras voorhanden. Wel brouwden ze er volgens Gijs de lekkerste Trappist. Hoe sober de abdij ook mocht zijn, in de grotten van Lorette in het centrum van Rochefort maakten ze er wel een kermis van. Met een onderaards stroompje, stalactieten, stalagmieten en stalaggordijnen behoefden de grotten geen enkele opsmuk, maar dit zagen de Belgen toch anders. Onder begeleiding van pompeuze muziek en een weinig ingetogen lichtshow liet onze gids een heteluchtballon opstijgen om te tonen hoe hoog boven onze hoofden het grotplafond zich bevond.

Niet minder indrukwekkend was de bewering van een man in café Jupy dat Luik een kroeg kent die we beslist eens moeten bezoeken. Tussen zijn opmerkingen richting hoogblonde meisjes in wel zeer korte rokjes door vertelde hij over een café met “mille et une bières”. Al hadden Daan en Jaap vandaag per persoon vier liter speciaalbier op en stond de teller reeds op 96 verschillende bieren, we noteerden het adres en maakten plannen voor een twee weken durende trip naar Luik. De Bierbrommerij zat er immers bijna op.

Wat restte in het land van bier was een kayaktochtje over de Lesse langs Château de Walzin, een paar stroomversnellinkjes, maar vooral veel ondiepe stukken. Luidkeels liederen van Alestorm en Turisas zingend ploegden we door het enige mooie landschap van onze hele tour, maar uiteraard hadden we nu geen camera bij ons. Na een laatste friet samurai lieten we België achter ons om onze tent in Borkel en Schaft op te zetten. De Dommelvallei was een vreselijke camping vol opgeschoten jongens die hun voetbal zo hard mogelijk in een rondrijdende auto met open ramen en kofferbak probeerden te knallen en om half vier ’s nachts besloten dat het een goed idee was straalbezopen in diezelfde auto te gaan zitten om te kijken of de claxon het nog wel deed.

Met de finish in zicht waren dit niet meer dan de befaamde laatste loodjes: de Achelse Kluis, op de grens met Nederland en daarmee eigenlijk Brabants (op de lijn is in, nietwaar), was de zevende en laatste Trappistenbrouwerij van onze tour. In de winkel was zelfs Westvleteren te koop en het assortiment was indrukwekkend. Onze bierlust had op aanraden van onze lever echter een historisch dieptepunt bereikt. Plichtsgetrouw maakten we de honderd vol door een paar enkel in de abdij geschonken Trappisten te drinken. Onze Bierbrommerij zat erop. Tijd voor een volgende missie. Er staan nog ergens vier brommers die gerepareerd moeten worden.

Eindelijk weer een echt boevenland
Extreem veel pech in extreem weinig tijd

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*