Met de billen bloot

Twee ogen houden me nauwlettend in de gaten wanneer ik in het grensplaatsje Feres de straat oversteek. Ik zie een hand naar het contactsleuteltje grijpen en hoor de motor van de pick-up truck tot leven komen. Hij zal toch niet…? Ik versnel mijn pas, maar de man trapt het gaspedaal diep in. De overkant van de weg is te ver – ik haal het niet op tijd! Ik zet me schrap voor de schok. “Waarom heb je geen meloen?” vraagt Rune op beschuldigende toon. “De meloenverkoper ging ervandoor. Toen hij zag dat ik iets wilde kopen, is hij met zijn hele voorraad weggescheurd.” Rune begint te huilen. Een paar dagen geleden klaagden we over agressieve verkooptechnieken in de bazaar van İstanbul. Welkom in Griekenland, waar niemand lijkt te willen werken. Zo’n snelle grensovergang als vandaag hadden we niet eerder. Zonder een deur te hoeven openen rijden we de Europese Unie in. De Grieken zijn niet van plan om ook maar iets te controleren.

De cultuurverschillen zijn markant. De boot naar Samothraki zit vol zingende hippies die op hun instrumenten jammen. Er hangt een doordringende wietlucht op het eiland. Liftsters dragen hele, hele korte rokjes. En dat ik ‘s ochtends meteen borsten zie ben ik gewend, maar nu zie ik ze zodra ik de schuifdeur van onze op het strand geparkeerde bus open. Naakte mannen kijken met hun vuisten in de zij geduwd trots over de Egeïsche Zee uit. Wie meer wil dan alleen blote piemels en borsten kan zich erover verheugen dat het bier in Europa stukken goedkoper is.

Het klinkt heerlijk, die vrijheid, maar ik vraag me af of ik al klaar ben om naar Europa terug te keren. Waar de mensen in de islamitische landen waar we door reisden keurig gekleed zijn en ons enthousiast aanklampen, zijn de Grieken vaak in het geheel niet gekleed en lijken ze zich niet in het minst voor je te interesseren. Ik kan me betere combinaties van deze kenmerken voorstellen. In de Foniaskloof, vol heerlijk koele poeltjes en watervallen waar Griekse meisjes poseren voor selfies, groet niemand elkaar. Wanneer we twee liftsters later nog eens tegenkomen herkennen ze ons en de bus niet eens; apestoned als ze zijn. Maar de zandstranden zijn prachtig – Rune gaat helemaal los in zijn oranje zwemband – en in een taverne in de haven van Kamariotissa wordt gitaar, tamboerijn en luit gespeeld en beginnen de stamgasten spontaan te dansen. Op het menu staat gebakken geit.

Wat ben ik soms toch een zuurpruim. Griekenland is zo verkeerd nog niet, denk ik als ik de bus voor onze derde nacht op Samothraki parkeer. Achteruit tegen een boom. Feilloos manoeuvreerde ik de bus door chaotisch Iran, de nauwe steegjes van Baku en het twintig miljoen inwoners tellende İstanbul. Beteuterd staar ik naar de glasscherven op de grond. “Hé, hoe gaat het?” vraagt een jongen die we eerder een lift van de haven naar de camping hebben gegeven. “Slecht,” zucht ik. “Ik heb net de achterruit van onze bus gesloopt.” Ik betwijfel of het binnenkomt wat ik zeg. “Ik ga naar een feest!” roept de jongen blij. Een snijplank en een rol ducttape volstaan voor een provisorische reparatie. Eva is zo verbaasd over mijn parkeeractie dat ze niet eens boos is. Ik mag de volgende dag gewoon een berg ophollen, zoals ik van plan was.

Om vijf uur ‘s ochtends sta ik op. Het lijkt wel of ik in een horrorfilm ben beland. Hordes zombies stromen uit de strandtenten; het pleintje van Therma zit vol apathisch volk. Blaffende honden jagen me op naar de rand van een bos, waar ik in de schemering een geitenhok en een rokende herder ontwaar. Hij wijst me de weg en even later gaat het steil omhoog, op weg naar de hoogste piek in de Egeïsche Zee. In een kleine vijf uur tijd klim ik van zeeniveau naar 1611 meter hoogte. Een beetje masochistisch is het wel, maar ik zie geen enkele andere wandelaar. Wel veel geiten en hagedissen. Over een bergkam, waar ik balanceer om mijn evenwicht te bewaren, bereik ik een aan weer en wind blootgesteld Grieks vlaggetje dat de top van de Fengari markeert. Het hele eiland is vanaf hier te zien, met overal daaromheen het stille blauw van de Egeïsche Zee.

Ik ben doodop. Als ik mijn schoenen nu uittrek, dan beginnen mijn voeten vast te roken. Maar ik moet nog even door. Bovendien ben ik verdwaald. Na een lange afdaling vraag ik de weg aan twee rokende hippies. “Is dit de weg naar Therma?” Ze kijken me glazig aan, voor er met wat moeite een antwoord wordt geformuleerd: “We don’t know…” Tweehonderd meter verderop vind ik het dorpje, waar meer mensen moeite lijken te hebben hun grip op de realiteit te herwinnen. Voor zich uit starend aan de picknicktafel voor het supermarktje lijken ze zich af te vragen wie ze ook alweer zijn. In zeven uur lopen heb ik maar drie mensen gezien, maar dat haal ik met Eva, Ilva en Rune snel in, wadend door het verkoelende water van de Gria Vathra rivier en klauterend langs watervalletjes.

“Twee keer per jaar komt de politie van het vasteland hierheen,” vertelt een liftster die de hele zomer op het eiland werkt. “Dan slingeren ze alle wildkampeerders op de bon.” Dat is gelukkig niet vandaag. Op de Kiposkaap horen we alleen het klotsen van golven en het gemekker van geiten. Met Kipos, Fengari en het culturele erfgoed waarvoor de meeste drugsgebruikende en naaktlopende toeristen zich nauwelijks interesseren, heeft Samothraki aardig wat rustige plekjes die de moeite waard zijn. Zoals het Iero ton Megalon Theon, het Heiligdom van de Grote Goden van Samothraki. Grote Goden dus, waarbij vergeleken de goden van de Olympus bleek afsteken. De moedergodin Axiéros, Hecate (godin van magie, geesten en necromantie), Afrodite (godin van liefde, seksualiteit en vruchtbaarheid), Kadmilos (god van de fallus) en andere goden werden hier aanbeden tot dergelijke heidense gebruiken in de vierde eeuw in Griekenland verboden werden. Hoe dat aanbidden in zijn werk ging blijft gissen – bijwonen van de mysterieuze rituelen mocht op voorwaarde van strikte geheimhouding. Dat vijf marmeren zuilen veel later weer overeind zijn gezet om het heiligdom wat fotogenieker te maken, is geen geheim.

“Fijn, het is hier tenminste niet zo heet als in Turkije,” zegt Ilva als ze op de thermometer in Alexandroupoli leest dat het 37°C is. Het Carglass filiaal buiten de stad heeft airconditioning en terwijl er een nieuwe ruit in onze bus wordt gezet, maak ik van de gelegenheid gebruik om een Volkswagengarage in Thessaloniki te bellen. Een dag later gaan de in Georgië geïnstalleerde T3-veren eruit en komt de bus weer wat hoger op zijn wielen te staan. Wat rijdt het lekker, nu we na zes weken eindelijk geen gerammel meer horen. Onderweg naar Meteora stoppen we in Vergina bij de tombe van Philippos II van Macedonië. Binnen de koninklijke begraafplaats bevinden zich vier tombes en een kleine tempel. Op één geplunderde tombe na was wat archeologen vonden nagenoeg intact: rijk versierde schilden, met goud versierde harnassen, sieraden, een met 313 gouden eikenbladeren bezette diadeem die Philippos II tijdens zijn begrafenis droeg, de purperen lijkwade en de diadeem van zijn vrouw Meda (die zich naar goed gebruik offerde op de begrafenis van haar man) en een gouden larnax waar Philippos’ botten in werden verzegeld. Zijn zoon Alexander de Grote zorgde ervoor dat dit het meest memorabele begrafenisfeest in de geschiedenis werd.

Voor we van het Griekse Macedonië doorrijden naar het land dat niet zo mag heten, brengen we nog een paar dagen in Meteora door. We beklimmen de eindeloze trappen naar Agiou Nikolaou Anapausa en Megalo Meteoro. De kloosters zien er kwetsbaar uit; in een precair evenwicht balancerend op rotspunten die alle stenen en sedimenten om hen heen overleefd hebben. In het gouden licht van de zonsondergang kan ik me niet langer achter mijn nukken verschuilen: ja, ik ben klaar voor Europa. Deze volmaakte harmonie van natuur en menselijke bebouwing, deze het voorstellingsvermogen tartende rotsformaties maken Meteora zo mogelijk nog mooier dan Cappadocië. Al blijven het natuurlijk religieuze fanatici die niet onder doen voor de moslimautoriteiten in Iran. Vrouwen mogen geen broeken dragen, mannen moeten hun armen en benen bedekken en de fresco’s die tonen wat zondaars te wachten staat laten niets aan de verbeelding over. Ach, niemand is perfect. Op de camping in Meteora groeten de mensen elkaar, speelt Ilva met jonge poesjes en eten we heerlijke moussaka en saganaki. Misschien moet ik eens ophouden met zoeken naar verschillen tussen Griekenland en de landen daarvoor, tussen Europa en Azië. Het is een stuk zinniger om te kijken naar wat ons met elkaar verbindt.

Lijf
Laag over laag over laag

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*