Mijn vriend, de Donau

Op bezoek bij de Sterkste Man van Servië. Leuk, maar hij woonde wel in een stad. Om er geen hele dag te hoeven zijn gingen we ’s ochtends nog eens naar de Jelašnička klisura, waar we de dag ervoor al waren. De kloof ontstond volgens overlevering toen iemand uit Pirot hier een stuiver had verloren. Ja, mensen uit Pirot waren niet rijk. Eigenlijk is een maandloon van 80 tot 100 euro best schrijnend, maar in plaats van medelijden tonen of er hun beklag over doen maakten de Serviërs liever grappen over de situatie. Zo scheen de giraffe het favoriete huisdier in Pirot te zijn. Die kon over de schutting heen uit de tuin van de buren eten. En hagedissen stammen ook al uit Pirot: iemand bezuinigde er nogal op het voer voor zijn alligators.

Gisteravond was een van de grotten in Jelašnička klisura verlicht met lampen in alle kleuren van de regenboog. De mooie locatie bood plaats aan een folkloristisch dansevenement waarvoor nu de laatste voorbereidingen werden getroffen. Over een wankel bruggetje staken we een beekje over naar de grot. Of de werklui hier waren erg beleefd, óf ze vonden echt dat we niet in de weg liepen. Ongelijk dat ze het feestje hier organiseerden gaven we ze niet, toen we later die middag dan toch Niš bezochten. Eigenlijk telde de zigeunerhoofdstad van Servië maar twee plekken die de moeite van het bezichtigen waard waren: het Turkse fort en de Schedeltoren.

Ooit gruweldaad, nu macaber eerbetoon (EH)

Vergeven van graffiti en pisplekken was Niška tvrđava een fort zoals Oost-Europa er zovele telt. Een metersbreed canvas met reclame voor een jazzfestival onttrok de 18e eeuwse Stambol-poort goeddeels aan het zicht. Jammer, want van de oosterse sfeer bleef zo weinig bewaard. Dat Serviërs niet van half werk houden bleek uit het rigoureuze luchtfilteringssysteem dat de hammam ontsierde. De oude badplaats was verbouwd tot café. Ook de moskee had een nieuwe functie gekregen en leidde nu een tweede leven als – overigens op dit moment gesloten – galerie. Toch, dit was een fraai gebouw en ook het uit de Romeinse tijd stammende lapidarium was mooi bewaard gebleven. Hoogtepunt van het militaire complex was zonder twijfel de speeltuin waar Ilva zich mocht uitleven op een schommelaubergine.

Het licht teleurstellende fort en de zigeunerjongetjes die ongevraagd onze autoruiten begonnen te wassen – en er nog geld voor wilden ook – achter ons latend, reden we weer door het verbazingwekkend overzichtelijke verkeer van de derde stad van Servië. Of de tweede – maakt het iemand wat uit? Gelukkig rechtvaardigde de Ćele kula een bezoek aan Niš. In de slag bij Čegar in 1809 zagen Servische opstandelingen zich zo in het nauw gedreven door de legers van de Ottomaanse bezetters dat zelfmoord de enige uitweg was die hen restte. Stevan Sinđelić weigerde zich over te geven en vuurde zijn laatste kogel af in het kruitmagazijn, met zo’n duizend doden aan Servische en drieduizend aan Turkse zijde tot gevolg. Sultan Mahmud II was hierdoor dusdanig over de zeik dat hij de Schedeltoren liet bouwen. Veertien rijen hoofden boven elkaar; vier zijden in de zon blikkerende schedels die vanaf verre de kraaien naar Niš lokten.

My eyes and my heart greeted the remains of those brave men whose cut-off heads made the cornerstone of the independence of their homeland. May the Serbs keep this monument! It will always teach their children the value of the independence of a people, showing them the real price their fathers had to pay for it.

Alphonse de Lamartine, 1833

Van de 952 gevallenen zijn vandaag de dag nog 58 schedels over, maar het monument is er niet minder indrukwekkend door. Ook Sinđelić’ hoofd rust nog altijd in de kapel die na de bevrijding van Niš in 1878 om de toren werd gebouwd. Met macabere episodes als deze in de aanloop naar een onafhankelijk Servië was het nauwelijks verrassend dat de inwoners bereid waren ver te gaan hun grenzen te verdedigen. Gelukkig hoefde Vladan vandaag niet te werken en kon hij nog snel even een grote fles bier halen. Bojan stelde ons voor aan zijn zwangere vrouw Milena. De handbalster uit Montenegro had een tafel vol ćevapčići, meer vlees, friet, feta (wat hier vast anders heette), bier, rakija en šljivovica gezet. Een drankgelag werd het evenwel niet, maar de rakija uit Montenegro was bijzonder goed. Alsof ons trakteren en een gezellige avond bezorgen niet voldoende blijk van gastvrijheid was, kreeg Ilva het eerste pianootje van Bojan cadeau. Ook de Servische vlag die ze uit de kast plukte mocht ze houden.

Parkeerplek zat in Golubački grad (JS)

Tip: mocht je ooit naar het gastvrije zuidoosten van Servië rijden, of zelfs verder naar Bulgarije of Turkije, verlaat de tolwegen dan vóór Niš en reis liever verder over secundaire wegen. Wij gingen noordwaarts en hadden derhalve nergens last van. Het ging vlot over de snelweg, en daarna naar Golubac, waar we na bijna twee weken de Donau weer zagen. De rivier was hier immens; ruim vijf kilometer breed stroomde het water tussen Servië en Roemenië voor het zich de Đerdap-kloof inperste. Vroeger versperde een metalen ketting elk schip de toegang over de rivier. Wie Golubački grad in handen had, controleerde de Donau. Nu resteerden van het kasteel slechts ruïnes.

Boze tongen beweren dat een bezoek aan dit kasteel niet de moeite waard zou zijn, omdat je er niet echt in kunt. Leugens! Je kunt er zelfs met auto en al in. Vooral wanneer vrachtwagens dit voornemens waren leverde het kolderieke taferelen op. De belangrijkste verbindingsroute tussen Beograd en Bucureşti loopt dwars door Golubački grad. De negen minstens twintig meter hoge torens staken imposant af tegen de hemel en het vrachtverkeer kon niet anders dan zich aanpassen door stapvoets door de benauwende tunnels te manoeuvreren. Wanhopige chauffeurs die zich tussen twee poorten gestrand zagen wuifden verkeer van beide kanten aan hun opleggers voorbij. Golubac veilig passeren was nog altijd een minder hachelijke onderneming dan de afbrokkelende restanten van het kasteel beklimmen, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan. Aan de overkant lonkte Roemenië.

Het door ons zo geliefde land moest nog even wachten. Vandaag kampeerden we op camping Toma in Brnjica, waar bandieten de boel bestierden. Ik bedoel niet de kale hooligans uit Nederland die we hier aantroffen, maar de ons minachtend opnemende Serviër die voor een overnachting in tent heel wat meer rekende dan wat een kamer in andere delen van het land kostte. Voor de graten met daartussen een beetje vis die hij op onze borden kwakte wilde hij het dubbele van wat we voor een goede maaltijd in de rest van Servië betaalden. De plurk gaf geen krimp tot we hem voor bandiet uitmaakten. Dat begreep hij tenminste. Kwaad wilde hij onze paspoorten hebben, maar het bleef bij wederzijdse vervloekingen.

Mijn vriend, de Donau (EH)

Die nacht spookte het. Gedonder vulde de kloof waartussen de Donau steeds wilder voortraasde; alsmaar zwellend, gevoed door de urenlange regenval. ’s Ochtends bleken onze verwensingen verhoord. Het grootste deel van camping Toma stond blank. In het onder water staande restaurant zou voorlopig niemand eten. De Donau, mijn vriend. De storm van vannacht had ook in de bergen huisgehouden. Met kruiwagengrote rotsblokken midden op de weg was het bochtige parcours door Nationaal Park Đerdap geen moment saai. Het was zwaarbewolkt, zo nu en dan regende het, de bezienswaardigheden stonden nergens aangegeven en ontbijt hadden we niet. Nou en? De spectaculaire route langs de Donau maakte alles goed.

Ontbijten kon trouwens ook later op de dag. We reden het dorpje Boljetin in, waar sap zo te zien niet het meest verkochte artikel was in het armetierige winkeltje. Om negen uur die zondagochtend zaten er al (of nog?) zes mannen aan het bier. Ander vertier was er niet in het dorp. Vlakbij Boljetin wel, in het Lepenski Vir-museum. Maar dat was dicht. Gesloten wegens constructiewerkzaamheden, stond er op een bord waar je makkelijk langsaf kon lopen. De zevenduizend jaar oude sculpturen van vissengoden werden ons derhalve door de neus geboord, maar de van het eiland Poreć geredde authentieke huizen met overdekte veranda’s en typische hoge schoorstenen konden we gewoon bekijken. Dat ze nog altijd bewoond werden maakte niets uit. In West-Europa krijg je dan een grote mond omdat je met je eigenwijze kop langs een hek bent gelopen terwijl de boel duidelijk gesloten is. Hier een kop koffie.

Na Donji Milanovac perste de Donau zich de bergengte van Kazan in. Hoge bergwanden vormden hier een landschap dat rechtsreeks uit The Lord of the Rings gekopieerd leek te zijn. De Roemenen schenen deze gedachte met me te delen en hadden de films van Peter Jackson zo te zien nauwgezet bestudeerd. ‘Over on the Romanian side of the river, you may notice the head of a mysterious warrior figure that has been fashioned in the cliff face by the deft use of explosives. Somehow the ingenuity of this enterprise is eclipsed by its own tastelessness’, concludeerde de Bradt-gids. Niks mysterieus – dit was duidelijk Decebal, de koning van de Daciërs. Misschien minder tof dan de Electricity God, maar zeker de moeite waard. Via een goed verborgen voetpaadje daalden we af naar de oever waar ik een groepje stonede en/of bezopen Servische jongeren naar hun mening vroeg. Ook zij vonden het een prachtig beeld. “De Roemenen zijn krijgers! Het zijn onze vrienden.” De Roemenen begrepen tenminste hoe het zat met Kosovo. “En de Russen?” vroeg ik. Ja, die ook. En de Spanjaarden. “Vergeet de Bulgaren niet,” meende een andere jongen. “Nee, de Bulgaren zijn boeven!”

Met slechts drie vrienden hadden ze ons er graag te gast gehouden, maar we sloegen een rondje rakija af en reden naar de Đerdap-dam, grensovergang met Roemenië. Hier werd de Donau getemd en ook reizigers dienden als mak vee aan de dam voorbij te gaan. Fotograferen van dit staaltje hydrotechniek was verboden en daarom o zo verleidelijk. Een doodlopend weggetje inrijdend om het staatsgeheim van dichtbij te observeren werden we betrapt, maar ik had een smoes paraat. “Waar zijn de ruïnes van Diana?” vroeg ik de man in uniform die op onze auto afstapte. “Oh, eh… daar,” wees hij me enigszins van zijn apropos de richting. Vanaf de Romeinse ruïnes hadden we veel beter zicht over de Đerdap-dam, al was de opzichter de 300 meter met ons meegelopen en hield hij ons van een afstandje nauwgezet in de gaten. Overdreven, want zo bijzonder was deze grensovergang helemaal niet. Een dag later, aan de grens bij Vršac, zou het er heel wat spectaculairder aan toe gaan.

Cursus geduld uitoefenen, les 1: Roemenen
Radioactief, dus gezond

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*