Naar de Balkan, elke pruimentijd weer

IJsland – de naam alleen al klonk betoverend en met zulke goede herinneringen aan de Færøer kon ik niet wachten om het land van sagen te bezoeken. Wat een geluk dat Eva voor haar werk naar het ruige noorden mocht! Land van gletsjers, geisers en zo krachtig en meeslepend bezongen door Árstíðir Lífsins. Maar lang mocht ik niet genieten van het blijde vooruitzicht. “In August the 20th you guys are coming to Romania for our wedding,” las ik in een mail van Bogdan. Naşpa. Het werd dus voor de negende keer naar Roemenië en, omdat de herfstkleuren in de bergen bij Rila nieuwsgierig maakten, naar Bulgarije. Een zomer met lei, lev en lek. Wat een gedoe.

Tsarevets (JS)

Een week eerder reed ik ook al door Bulgarije tijdens mijn Zeven Zeeën Tour. De melancholische sfeer van grijze motels langs de snelweg en een sluier van regen boven de heuvels was bedriegend geweest, want het zou nu prachtig weer zijn. “Nul procent kans op regen. Niet tien, niet vijf – nul procent kans!” glunderde een Nederlander die erg in zijn nopjes was met de Balkan. Volkomen terecht dus dat ik geen enkele lange broek had ingepakt, maar de rest van het gezin dacht daar anders over. “Wie is er een grapjas?” vroeg Eva. “Papa,” vond Ilva. Na een ritje door Albanië, Griekenland en Turkije wist ik niet beter dan dat het overal in Europa prachtig weer was. Na een verregende zomer in Nederland waren anderen hier minder zeker van. Ook na mijn mededeling dat ik het Bulgaarse woordenboekje vergeten was en per abuis het Russische had ingepakt vond Ilva me een grapjas. Dat was dan misschien wel terecht.

De Bulgaren op Sofia Airport waren net zo gecharmeerd van ons dochtertje en hadden daarom een spiksplinternieuwe huurauto van een maatje groter dan beloofd voor ons klaargezet. Smoesjes natuurlijk – ze hadden vast niets anders op voorraad. De in het oog springende afwezigheid van een kinderstoeltje deed in ieder geval vermoeden dat ze niet al hun zaakjes even goed op orde hadden. “Geen probleem hoor, die halen we wel op bij een ander verhuurbedrijf.” Dat veranderde drie telefoontjes later in “Rij maar achter hem aan naar het warenhuis, dan kopen we er even één.”

De omweg was de moeite waard: met een nog niet door andere kindjes bezweet stoeltje achterin reden we richting Veliko Tarnovo; hierbij gelijk alle tips uit de reisgids in de wind slaand. “In general it is probably best to avoid driving at night, as unlit roadworks and potholes are a danger,” vermeldde de beroerd geschreven Bradt gids. Veel licht gaf de bloedrode maan boven ons niet, maar de Bulgaarse wegen waren zo slecht nog niet. Dat wil echter niet zeggen dat je er hard op door kunt blazen en het was al behoorlijk laat toen we voorbij een indrukwekkend verlichte Tsarevets heuvel door Veliko Tarnovo reden, op weg naar Arbanasi. Hier was het te doen volgens de Bulgaren, want als je nog nooit raki had gedronken en de kloosters van Rila en Bachkovo en het dorp Arbanasi niet had bezocht, was je leven als een lege koffer.

Meer heb je niet nodig (JS)

Altijd iemand die een goede metafoor op waarde weet te schatten zag ik een paar dagen in dit dorpje wel zitten. Zeker met de gigantische tuin, keuken en fijne kamer in guesthouse Debar waar we voor €25 per nacht zaten. Dat betaal je in Bulgarije ook voor een crappy motel en dankzij de algehele malaise in de lokale toeristenbranche en het daarmee verbonden ontbreken van andere gasten, hadden we nu een heel huis voor ons alleen. Een Oost-Europees afgewerkt huis, dat dan weer wel: 19e-eeuws ogend met smetteloos witte muren en donkere, houten balken diagonaal tussen het overhangende dak en de muren, maar wel met kunststof kozijnen. Ook de buurman was authentiek Oost-Europees. De stenen muur om de besloten tuin wist zijn drang tot delen niet in te dammen en elke ochtend mochten we na een fluitsignaal dan ook een grote tas met pruimen, appels, tomaten of pepers ophalen.

Arbanasi was met z’n ommuurde tuinen, oude kerkjes en kloosters en huizen met houten bovenverdiepingen en ranke schoorstenen een plezierig dorpje om in rond te dolen. Onder het plateau waarop het dorp zich bevond zagen we de vele torens van Veliko Tarnovo liggen, met ver daarachter in het zuiden de vage contouren van de dwars door Bulgarije lopende Stara Planina. Veliko Tarnovo werd na de Ottomaanse overheersing tot hoofdstad van Bulgarije uitgeroepen en was deze noemer – in tegenstelling tot de poepvlek die Sofia is – meer dan waard. De door de uitzinnig kronkelende Yantra gevormde schiereilanden waren door hun strategische, natuurlijke afbakening te aantrekkelijk om niet tot de rand toe vol te bouwen met stadsmuren, verdedigingstorens en andere fortificaties. Heel Tsarevets leek één onneembare vesting, al kun je er vandaag de dag voor een paar lev zo naar binnen lopen.

Waar je ook keek, overal waren kantelen en machtige muren – tenzij je je blik natuurlijk op de fier wapperende Bulgaarse driekleur voor de Patriarchale kerk richtte. Daar vanaf zou je in theorie een prachtig uitzicht over de hele stad hebben, als je geen rondrennend dochtertje van twee jaar oud in de gaten moest houden. De executiesteen hoog boven de Yantra en de kopergroene koepels van de kathedraal verderop in de stad waren slagroom op de taart bij ruïnes die voor de verandering eens niet werden ontsierd door graffiti of een penetrante pislucht. Erg verfrissend in Oost-Europa.

Niks geen mooie ronde lijnen (JS)

Als je met kleine kinderen reist moet je daar een beetje rekening mee houden, dus toen ik in de Bradt gids iets over een monument met 500 traptreden las gingen we daar natuurlijk heen. Ilva had trappen klimmen deze week namelijk als nieuwe hobby ontdekt, maar eerst liepen we door het Balgarka nationaal park van het dorpje Potok naar Ezero. Als er over deze afgelegen gehuchten iets te vertellen is, dan is het wel dat ze illustreren dat luxueuze villa’s en dure auto’s volkomen overbodige bezittingen zijn. Zolang je een boomgaard vol pruimenbomen en een destilleerapparaat hebt, zijn frisse berglucht en een dak boven je hoofd alles wat je nodig hebt. En eventueel een hoop bemoste stenen waar een bosbeekje uit de bergen ontspringt.

Van dergelijke bekoorlijkheid was bovenop de Shipkapas geen spoor te bekennen. Een immens vrijheidsmonument torende boven een wat overdreven aantal traptreden uit en stak dreigend af tegen de bewolkte lucht. Zesduizend Bulgaren en Russen hielden zich hier ooit staande door – bij gebrek aan munitie – rotsblokken en lijken naar een meer dan vier keer zo talrijke Ottomaanse overmacht te gooien. Opdat deze heroïsche dag niet vergeten zou worden, was hier een aantal daadkrachtig ogende beelden uit steen gehakt. Even hoekige als vastberaden soldaten maakten duidelijk dat het allemaal wel lukt, als je het maar samen doet. Communistische propaganda, of misschien kunst, zoals we het graag zien in Oost-Europa. Ook Ilva had het hier naar haar zin. “Hé, nog een trapje!” riep ze na ruim 300 treden met nog altijd welgemeend enthousiasme. Van bovenop de bergpas keken we uit over de grillige bergrug die hier dwars door Bulgarije liep. In het zuiden lag de Thracische vlakte, maar onze blik was noordwaarts gericht – op Roemenië. Bulgarije was mooi, maar echt spannend was het allemaal niet.

Nunţa extremale
Geen zee te hoog

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*