Nectar en ambrozijn

Roemenië leek een communistisch Sovjetland. De incidentele koude verlichting langs het spoor toonde ons een bakbeest van een locomotief. Het grijze gevaarte stond onaangeroerd weg te roesten – de Roemenen lieten het verleden rondslingeren in het heden. Het leek alsof er geen geld was om de overstap naar de toekomst te maken, maar in de volgende weken zagen we dat ook maar weinig mensen behoefte leken te hebben aan die sprong. In Roemenië ging alles langzamer, minder efficiënt en rustiger.

Echt waar, morgen ruimen we 't op (JS)

Veel langer waren onze tickets niet meer geldig. Met piepende remmen reed de gammele trein Curtici binnen, waar de Roemeense douane niet onderdeed voor haar Hongaarse evenknie. Oude mannen in vale blauwe jasjes sloften langs de trein, er onderwijl met regelmatige tussenpozen tegenaan slaand met een vreemd soort hamer. Soldaten met kalashnikovs hielden de wacht onder de Roemeense vlaggen. De trotse adelaar, het wapen van Roemenië, sierde het station levensgroot aan beide zijden. Politieagenten in blauwe camouflagepakken kwamen de passagiers ondervragen en gaven hen een klein papieren strookje waarbij wat onverstaanbare woorden werden gemompeld. Het was niet de bedoeling dat er alcohol, drugs en wapens het land in werden gesmokkeld, werd ons verder verteld. Met een trapje klommen ze in de ruimtes boven de toiletten om daar wat Iraanse verstekelingen uit te halen. Tsja, 65 gulden voor zo’n sticker in je paspoort is ook wel aan de hoge kant.

Na zo’n drie kwartier stil te hebben gestaan vroegen we ons af of het onderhand gedaan was met het gedouanier opdat we uit mochten stappen. De conducteur zei dat dit nergens voor nodig was. Voor 20 DM (Duitse Marken – ja ja, die hadden ze toen nog) de man mochten we gewoon blijven zitten tot Arad.

Wij bedankten feestelijk en stapten het perron op en de op zijn eind lopende nacht in. Op een bankje voor het stationnetje aten we wat en verbaasden we ons over de witgeverfde bomen. Daar was dan weer tijd genoeg voor, maar een trein opruimen ho maar. Geld wisselen kon in het kleine grensplaatsje niet. Hoe kwamen we ook op het idee. Gelukkig was ook de caissière van de CFR (Căile Ferate Române) de beroerdste niet. Zo’n Duitse Mark wordt toch steeds meer waard, dus voor 1 DM mochten we samen met de stoptrein naar Arad.

Tot zover hadden we de vakantie gepland, maar wat nu? Tussen de grijze flats van Arad liepen we verdwaald rond. Onze etensvoorraad was nagenoeg geconsumeerd, we hadden nog geen Roemeense lei, spraken de taal niet en waren met onze zware rugzakken op zoek naar een slaapplaats. Na een onlogische kriskrasroute vonden we ergens een bankgebouw waar meteen bleek dat de Roemenen best een schappelijk volkje zijn. Onze Marken werden gewisseld tegen een veel gunstigere koers dan we bij de grens gekregen zouden hebben.

Met de portemonnee centimeters dik gevuld (de grootste biljetten waren die van 100.000 lei, ofwel om en nabij de tien gulden) na 300 DM gewisseld te hebben, gingen we onze tweede zorg bestrijden. Verse perziken en Frutti Fresh (de nu al legendarische frisdrank uit Transsylvanië) hielpen ons op de been te blijven op zoek naar een camping. Op de landkaart stond er een vlak bij Arad, maar niemand in het centrum wist er iets vanaf. Althans, degenen die we duidelijk konden maken wat we bedoelden niet.

Wapen Roemenië
Arad was met zijn vele Jugendstilgebouwen nog best te pruimen. Dit zag er echt niet uit als het grijze Oostblok dat we van MacGyver kenden. Bovendien wist iemand ons op een gegeven moment zelfs te vertellen waar we de camping konden vinden. Na een lange voettocht konden we eindelijk rusten. De tent (de enige op de camping) stond. We waren klaar voor Roemenië.

Na een eerste kennismaking met de Roemeense douches en sanitaire voorzieningen (de serene sfeer van sprookjeshutjes tussen de onder hun vruchtenlast gebukt gaande pruimenbomen, weelderige plantengroei en onwesterse hoeveelheid ruimte voor onszelf stemden ons mild) besloten we niet zelf te gaan koken. Een eerste indruk wat betreft uit eten gaan in een vreemd land is niet zonder gevolgen. De Duitse keuken kan bij mij niet meer stuk na enkele goede ervaringen (Quantität über Qualität!), terwijl de Franse cuisine na een paar initiële blunders het bij mij wel kan vergeten. Deze maaltijd zou dus in zekere mate bepalen hoeveel tijd we deze vakantie in restaurants zouden doorbrengen, en hoe vaak het pasta met rode saus zou worden.

Waar kun je voor een dergelijke beproeving beter terecht dan op aan de plastieken tafeltjes van het campingrestaurant dat tot enkele uren eerder niet op gasten had gerekend om de nationale kookkunst een eerlijke kans te geven? “Kunnen we hier eten?” zetten we ons beste Roemeense beentje voort. “Ja hoor!” Het klonk nog enthousiast ook. Logische vervolgvraag: “Mogen we de menukaart zien?” Niet verwachte repliek: “Ga maar zitten. Het eten komt er zo aan.”

Twijfel. Aha, dus zo ging het hier. De balans dreigde nu al over te slaan naar een onvoldoende. De salade werd gebracht. Varză albă: witte kool. De twijfel stak zijn kop weer op: wat was hier zojuist in de keuken uitgespookt? Konden deze Oost-Europeanen toveren? Niet op mijn gemak ging ik op zoek naar de verborgen camera’s. Dit simpele slaatje was ontzettend lekker. We vroegen ons alleen af waar de rest van het eten bleef. Hongerig als we waren bewaarden we niet veel van de witte kool voor bij het hoofdgerecht. Dit liet gelukkig niet lang op zich wachten: gebraden varkenslapjes met gebakken aardappeltjes. Vergezeld van een fles Arbema (bier in flessen van een halve liter, uiteraard) voor ons de contemporaine variant van nectar en ambrozijn.

En maar marcheren achter dat IJzeren Gordijn
Intro: over waar Roemenië eigenlijk ligt

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*