Never meet your heroes

“Dit heb ik nog nooit meegemaakt,” mompelde de oude man. Ingespannen tuurde hij door de dichte mist, maar op het water was er nog geen vijftig meter zicht. De overkant bleef door het alles opslokkende grijs voor ons verborgen. “In de zomer is er nooit mist tussen de eilanden,” legde hij uit. “Het zal wel door dat rare, warme weer komen.” De veerboot durfde de korte oversteek van het vasteland naar Mull niet te maken en wachtte tot de mist optrok. Na ruim tweeëneenhalf uur wachten hoorden we eindelijk de misthoorn en doemde het witte schip van Caledonian MacBrayne plotseling uit de mist op. Onze overtocht van Mallaig naar Skye zouden we nu onmogelijk halen. “Er is ook een brug naar Skye, maar daarvoor moet je tol betalen,” wist Gijs. “Niet meer,” zei ik. “Waarom gaan we dan met de boot?” vroeg Gijs nukkig. “Omdat het kan Gijs. Omdat het kan,” waren Jaap en ik het roerend met elkaar eens.

Dat er op de volgende boot nog een plekje voor ons was nam niet weg dat we het gaspedaal opnieuw stevig in moesten drukken op weeral single tracks. De Zadartjes begonnen te wennen: vier minuten voor het sluiten van de check-in mochten we onze tickets ophalen. Voor het eerst deze Tour was het bewolkt. Precies op het moment waar we het meest voor gevreesd hadden: onderweg naar Skye. Tien jaar geleden voor Gijs en mij de reden waarom we sindsdien kwaad spreken over Schotland. Een eiland dat met de komst van de brug geen eiland meer was, toeristisch tot en met en berucht om zijn slechte weer. Bovendien hadden we er alles al gezien. Het mocht een klein wonder heten dat het dipje dat bij Gijs elke Tour vaste prik is uitbleef. Zelfs de Talisker destilleerderij werkte niet mee. Een opgepoetste, gladde presentatie, ontdaan van spontaniteit. Dit was geen familiebedrijfje als in Tobermory waar we nog net de blonde dochter er niet bij kregen; dit was een fabriek, een geoliede machine zonder ziel. Snel rekenden we twee flessen tien jaar oude Talisker af en maakten we dat we wegkwamen.

Zoekplaatje: wie ontbreekt hier? (JS)

De troosteloze baai van Talisker bleek geen geschikte plek voor wildkamperen, maar wat verder van de kust vonden we op het Minginish schiereiland toch waar we naar zochten. Aan een riviertje vonden we een mooi plekje om de tenten op te zetten. Een waterig zonnetje brak door, de wind blies de meeste midges weg en een stenen muurtje leverde prima zitplaatsen voor het vaste avondprogramma van bier en whisky. We hadden vanavond zo’n dorst dat we na de eerste fles whisky ook aan de fles Talisker voor Herman begonnen, waardoor we de volgende ochtend de vervelendste destilleerderij van de hele Tour een tweede keer moesten bezoeken. “Waar kom je vandaan?” vroeg de voorgeprogrammeerde kassabediende. “Uit Roemenië,” antwoordde ik, waarna het braaf in de computer werd ingevoerd. Gaan er misschien ook eens een paar flessen die kant op, want al waren we van deze toko niet gecharmeerd, de smaak van de whisky mocht er wezen.

Pluspuntje was deze ochtend verder dat we in Portree een fles Avon Skin So Soft op de kop tikten – niet alleen een probaat middel tegen knutjes, maar we hielden er ook een zijdezacht huidje aan over. Het spul werkte: deze Tour hadden we geen last van midges meer. De fles hoefde er niet eens voor open. Na een week uitzonderlijk goed weer was het uit met de pret, maar dat weerhield de vele toeristen er niet van naar de Old Man of Storr te klimmen. Tien jaar geleden kozen Gijs en ik een schier onmogelijke en levensgevaarlijke route om de basalten kolos te bereiken, om bovenaan doodleuk door een zwaaiende Maarten begroet te worden: “Hallo jongens!” Daar trapten we geen tweede keer in. Het was nog altijd steil, maar het angstzweet bleef ons bespaard. “Hallo jongens!” begroette een zwaaiende broer Coen ons bovenaan doodleuk. Coen zou vanavond, na vele succesvolle optredens in Brabant met zijn band Duke Noz’em and the Dirty Downstrokes in Portree optreden. Het was jammer dat we weer een boot moesten halen, maar de stevige rock van Duke Noz’ems EP Fire (te bestellen via dukenozem.bandcamp.com voor een zelf te bepalen bedrag) maakte de deceptie die Skye voor ons was een stuk draaglijker. De parkeerplaats bij de dramatische pieken van de Quiraing stond tjokvol en er stond een harde wind. Wat een kloteneiland. We besloten het hier voor gezien te houden en een paar uur te gaan poolen/bier drinken in een havenkroeg in Uig.

Voor de zoveelste keer deze week aten we de slappe, naar vis stinkende friet van CalMac, maar Skye werd alsmaar kleiner aan de horizon en papegaaiduikers vergezelden ons op weg naar Lewis and Harris. Dat klinkt als twee eilanden, maar dat is het natuurlijk niet. Het grootste eiland van de Outer Hebrides (‘Isles at the edge of the sea’) is verdeeld in een bergachtig gebied in het zuiden en een nagenoeg platte noordelijke helft. De voertaal op de veerboot was Gaelic, met de Engelse vertaling wat kleiner daaronder. We zouden tijdens de sabbath op het streng gelovige Lewis zijn. Morgen zou alles op het hele eiland gesloten zijn – alleen CalMac onderhield op de dag des heren de verbinding met de realiteit, tot groot chagrijn van de eilandbewoners. Toen de ferrymaatschappij in 2006 ook op zondag ging varen was er echter niemand die daartegen protesteerde, want dat mocht natuurlijk niet op de rustdag.

De àller-, àllermooiste destilleerderij (JS)

Het zwaar bewolkte, kale en stenige Harris had zo zonder bomen wel wat weg van de Færøer. Reserveren kon niet voor Rhenigidale Crofters’ Hostel, een wit keuterboerenhuisje aan een verlaten inham. Midden in het hoogseizoen en met campers en caravans op elke parkeerplaats langs de weg had ik er weinig fiducie in dat er nog vier van de tien bedden vrij zouden zijn. Jaap had er gezien mijn track record meer vertrouwen in. “Zie je wel,” zei hij dan ook toen bleek dat er alleen een Schots gezinnetje zat te scrabbelen bij de brandende kachel. Huw dronk normaal gesproken niet vaak whisky, maar een dram van de lokale Abhainn Dearg destilleerderij kon hij niet afslaan. Uit voorzorg hadden we de whisky van deze in 2008 opgerichte stokerij voor vertrek al besteld, want ook Abhainn Dearg was op zondag uiteraard gesloten. Omdat de destilleerderij pas net bestond was het aanbod beperkt: een halve liter drie jaar oude whisky (gelimiteerd tot 2011 flessen) kostte een schrikbarende £ 150; voor een miniatuur van vijf centiliter hoefde je maar £ 5 te betalen. Daar leek bij het omrekenen toch iets mis te zijn gegaan.

“It’s pronounced Ahvajn Djuhrg,” legde beheerder Kate ons uit. “It means red river in Gaelic. Well, actually, river red.” Huw was enthousiast: “Great! Now you can tell it was not just drinking – it was cultural!” Slàinte mhath! Dit was duidelijk een erg jonge whisky die zich moeilijk liet vergelijken met al het andere dat we deze Tour hadden gedronken – de slivovitsj mogelijk uitgezonderd. “Stoor deze mannen niet! Ze zijn serieus onderzoek aan het doen,” waarschuwde Huw zijn vrouw en zoontje. De Abhainn Dearg had meer weg van bourbon dan van Schotse whisky en had een fruitigheid als menig drankje waar we in Oost-Europa vaak op getrakteerd worden. Toch was het niet onze favoriet. “Ah yes, on the nose it’s very sweet, but you can taste… some peatiness, yeah… You can tell it was a very dry year when…” stak Huw van wal voor Jaap hem onderbrak: “All right, that’s enough whisky for you!”

We hoorden hoe Huw ons tegenover zijn zoontje bij een vuilnisbak vol lege bierflessen roemde als toonbeelden van recycling, maar de goedgeluimde Schot had gelijk: onze Tour was ook cultureel. Asgrauwe wolken en een snijdende wind verwelkomden ons buiten. Prima weertje, volgens de eilandbewoners. “Zo lang het maar niet regent” werd “zo lang het maar niet hard regent.” Ik kreeg er haast spijt van dat ik vergeten was mijn jas mee te nemen naar Schotland. Haast, want vandaag was pas de eerste dag met liquid sunshine – volgens Jaaps definitie althans. Toneelschrijver en Nobelprijswinnaar George Bernard Shaw zei ooit: “Whisky is liquid sunshine.” Hoe dan ook hadden we vooraf heel wat liquid sunshine verwacht, maar ook op een dagje sightseeing als vandaag kon de poncho gewoon in de tas blijven.

It was cultural! (JS)

Het verlaten walvisvaartstation vlakbij Tarbert, een mislukt ontwikkelingsproject, was een bezienswaardigheid van eenzame klasse. Gelukkig zorgde Daan voor wat vertier met een rokende koppelingsplaat en een spijker dwars door zijn schoen. Er kon geen auto meer bij op de overvolle parkeerplaatsen van de vele kerken op Lewis, waardoor heidenen als wij ruim baan hadden op weg naar de Abhainn Dearg destilleerderij. Arran was zelfingenomen, Lagavulin gastvrij en Laphroaig hilarisch. Hier op Lewis schoten woorden tekort. Dit was de mooiste destilleerderij: houten Vikingbeelden stonden op wacht voor iets wat het midden hield tussen een bouwplaats en een vervallen boerderij. Een combine stond scheef in de weide geparkeerd, achter roestende hekken lagen stapels stenen en bouwmaterialen en in een leeg zwembad lagen enkele houten whiskyvaten. De gemiddelde moonshinestokerij zag er verzorgder uit.

En er was dus cultuur. De zesduizend jaar oude Callanish standing stones, drie prehistorische steencirkels in een naargeestig heidelandschap. De Gearranan blackhouses, waar turfstekers en keuterboertjes honderd jaar geleden hun best deden de plafonds zo zwart mogelijk te roken. Ja, zo zonder schoorsteen kan ik dat ook. Mist omsloot de rieten daken van de blackhouses terwijl de Atlantische Oceaan aan de rand van het dorp woest tegen de zwarte kliffen beukte. Bij Dun Carloway broch, een 2000 jaar oude verdedigingstoren, poseerden we als Schotse clanstrijders in de regen voor we besloten dat we ook nog wel iets multicultureels konden doen. Het Balti restaurant was namelijk de enige tent in Stornoway die vandaag geopend was. Het plaatselijke hostel had gelukkig nog precies vier bedden voor ons over, toen we het na vergeefs aanbellen even later nog eens probeerden. “Zo ging het hier duizend jaar geleden met de Vikingen ook mis,” dacht een Australiër. “Ze kwamen vast alleen een plek om te overnachten vragen. Toen ze die niet kregen gingen ze uit baldadigheid plunderen en brandschatten.” Hij had ons bij de eerste keer aanbellen al door het raam gezien – vier grote kerels met lang haar en baarden. “Slim dat jullie er dan net vier gasten uit hebben gezet,” vond ik. Ja, dat vond de Australiër ook.

We sliepen goed maar kort na een fles Tobermory en checkten om 6.14 uur in voor de boot naar Ullapool. Deadline 6.15 uur, maar het klonk allemaal spannender dan het was op dit eiland. De overtocht van Stornoway naar het vasteland was veelbelovend: weg van Skye en Lewis and Harris, de saaiste eilanden tot nu toe. Er verschenen weer stukjes blauwe lucht recht voor ons. Dolfijnen sprongen speels op uit het water naast de boot; Jan-van-genten en papegaaiduikers vlogen met ons mee. De dwergvinvissen kregen we twee dagen later op de Noordzee pas te zien, toen we de moed al hadden opgegeven. En bij het Schotse ontbijt aan boord konden we kiezen uit vette ronde worstjes, vette vierkante worstjes, bloedworst, bacon, snotterig ei, witte bonen in tomatensaus en aardappelkoekjes. We hadden een mooie reisdag voor de boeg, langs de spectaculaire kliffen van de westkust omhoog tot we niet verder konden en dan via Smoo Cave de hele noordkust volgen tot Gill’s Bay in het noordoosten. Op naar de Orkneys voor het zevende en laatste eiland van de Jannis de Hullu Tour.

Zie die stellingkast (JS)

“Komen jullie om te verkrachten en te plunderen?” vroeg de vrouw achter de kassa toen we voor £ 60 aan bier en whisky op de toonbank zetten. Nee, wij kwamen voor de dagelijkse drankbehoefte. “Maar als jullie dit op hebben, komen jullie dan terug om te verkrachten en te plunderen?” vroeg ze hoopvol. Bang sprongen we weer in de auto. Zelfs als we geen boot hadden hoeven halen waren we hier niet Viking genoeg voor. Over het scheepskerkhof van de Pentland Firth voeren we naar de Orkneys, een eilandengroep met een rijke Vikinggeschiedenis en tot 1468 Noors grondgebied. De veerboot deinde wild op en neer op de golfslag van de Pentland Firth en een constante kakofonie van autoalarmen probeerde onze aandacht van de zeehonden en papegaaiduikers af te leiden. Toch was de eerste indruk van de Orkneys niet best toen St. Margaret’s Hope aan de horizon verscheen. Vruchtbaar, glooiend landbouwland. Aangeharkt. Bewolkt. Het leek nondeju Denemarken wel. Geen wonder dat de Vikingen dit cadeau hadden gedaan aan de Schotten.

Dat er een fles Tobermory was gaan lekken in de kofferbak was een geluk bij een ongeluk. Nu mochten we het opdrinken van de twaalf jaar oude Highland Park die we onderweg hadden gekocht nog even uitstellen. Laf en waterig, hadden we al geconcludeerd – en dat terwijl de whisky van deze destilleerderij geroemd wordt als één van de beste allrounders ter wereld. Een allemansvriendje, maar niet van ons. “De Heineken onder de whisky’s,” foeterde Gijs, al vond Jaap het niet sjiek een product waar twaalf jaar werk in wordt gestoken met Heineken te vergelijken. Dat de destilleerderij zelf tegen zou vallen, daar hadden we ons al op ingesteld. Highland Park koesterde de Viking Legacy van de Orkneys en dat zagen we terug in de flessen Thor, Loki, Drakar en Leif Erikson (voor sponsor Rudi hielden we het bij een fles vijftien jaar oude Highland Park), maar de whisky zelf was soft en verre van rokerig. Met de marketing was niets mis en de authentieke gebouwen van Highland Park waren prachtig, maar het was allemaal te professioneel, te groots en te zeer in het straatje van Talisker. Never meet your heroes. Van deze jongens hoefden we geen spontaan aangeboden dram te verwachten – dit was business, met flessen van £ 10.000 in de vitrines.

Na tien dagen miste ik Rune ontzettend, maar toen we de runen van Maes Howe ook moesten missen zonk de moraal wel heel diep. We hadden vooraf moeten reserveren voor een rondleiding door de graftombe waarin Vikingen verlichte teksten als ‘Ottarfila was hier’ hadden gekerfd en opschepten met wie ze het bed allemaal hadden gedeeld. Gelukkig was de regenachtig begonnen dag inmiddels opgewaardeerd tot druilerig en zorgde de vernieuwende rijstijl van Daan andermaal voor afwisseling op dit saaie eiland. “Als er een dashboard achterin had gezeten zouden de nagelafdrukken er nu instaan,” evalueerde Gijs met Daan. Na de reusachtige stenen van de Ring of Brodgar op een nat heideveld brak bij Skara Brae zelfs de zon door. Met 19°C was het vandaag de warmste dag van de week, lazen we op een bord, maar Mainland Orkney eindigde voor ons toch unaniem op de laatste plek in het eilandenklassement.

Tourfavorieten op een rij (JS)

Misschien dat het lezen van de Orkneyinga Saga het beeld achteraf nog wat kan verzachten. Bij Skara Brae gingen we nog wat verder terug in de tijd, op een plek waar een hevige storm in 1850 een heel neolithisch dorp blootlegde dat verstopt lag onder de duinen. De 5500 jaar oude huizen – ouder dan Stonehenge en de Piramiden van Gizeh, stond er bij gebrek aan veel ander vergelijkingsmateriaal op de bordjes – waren perfect bewaard gebleven en vooral de stellingkasten uit het stenen tijdperk maakten indruk op ons. En het was niet overal lieflijk en glooiend op Mainland Orkney, zagen we tot onze opluchting bij Yesnaby. Daan tartte een rood bord dat waarschuwde voor gevaarlijke kliffen; diep onder hem hadden schuimende golven grotten en een rotsboog uitgesleten. Het culturele rondje werd gecomplementeerd met een ommetje door het grijze, stenen Stromness (door de Vikingen Hamnavoe genoemd, wat je dan weer in het Gaelic zou kunnen vertalen met Ledaig) en rondkruipen in Cuween Cairn, een 3000 jaar oude graftombe waar je als je een zaklamp had meegenomen en niet wist wat claustrofobie betekent op eigen gelegenheid in mocht.

Voor de één na laatste keer genoten we van een door onze sponsors betaalde veerbootovertocht, terug naar het Schotse vasteland. Het was een verhaal van twee weken geweest, deze Tour. “If you don’t like the Scottish weather, wait for five minutes,” had een Française in het hostel in Stornoway gezegd. Dat is ten eerste gejat van de Færøerders en ten tweede pertinent niet waar. Toen de zon scheen op het afwisselende Arran, Islay, Jura en Mull bleef het een volle week prachtig weer. Toen de wolken verschenen boven de drie vervelende eilanden waar we mee afsloten, bleef het ook een week zwaar bewolkt. Toch was de misère van de Orkneys snel vergeten bij het wildkamperen in de Highlands. Bij het kampvuur dronken we een fles zestien jaar oude Lagavulin. Slàinte mhath – we wilden afsluiten met een fles goede whisky, al geloofde Daan nog altijd niet dat er zoiets als slechte whisky bestond en dronk hij ook de fles Highland Park nog leeg toen de rest al sliep.

Volgens de puntentelling van Drinkaware.co.uk die we achterop elke fles bier en whisky vonden mochten we vanavond ook eindelijk weer aan de drank, na ons akkefietje op de boot naar Newcastle. “Ik heb er op Tour nooit nog zoveel zin in gehad op de laatste avond,” straalde Gijs met een broodje in zijn hand. De stokbroden met stukken chorizo, hompen oude cheddar en hete piri piri mayonaise waren zo rijk belegd dat Daan niet alleen voldaan was, maar zelfs de volgende ochtend nog geen behoefte aan ontbijt had. En ja, dat zag ik als een compliment. Op de teller stond bij thuiskomst amper 2860 kilometer, maar in nog geen twee weken tijd hadden we mooi 39 flessen whisky gekocht, rekenden we uit op de boot terug naar IJmuiden. Onze sponsoren konden trots op ons zijn. Het personeel van DFDS Seaways was ons ook nog niet vergeten. “Welcome back boys,” grijnsden de stewards.

Chinjeolhan geumjassi
Whisky Shores

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*