Niet alles is illuminated hier

Het deed me denken aan die verhalen die we een half jaar eerder in Zweden hoorden, over hoe mensen vroeger rechtop zittend sliepen, met de benen voor zich uitgestrekt. Ik moest wel, op die krappe bedplankjes. We hadden de beroerdste plaatsen, daar aan het wandelpad door de wagon. Eva paste nog net, maar van mij stak er diagonaal liggend zo’n dertig centimeter been uit aan de zijkant. Zo ver uit elkaar gaan liggen als onze kaartjes verordoneerden, daar hadden we ook geen zin in. Het bed onder Eva bleef vrij en ik hoopte dat dat zo zou blijven.

Elke wagon in zo’n slaaptrein heeft zijn eigen conducteur. Bij het betreden van de trein werd streng gecontroleerd. Het had allemaal veel weg van onze treinervaringen in Moldavië: de wagon als rijk van de conducteur, met de passagiers als onderdanen. In dit geval waakte er een barmhartig heerser over ons. ‘s Nachts kwam de passagier die recht had op mijn plaats – dat vermoed ik althans. Ik versta nog altijd geen Oekraïens, maar er werd lang voor me stilgestaan en er volgde een gesprek waaruit ik alleen het woord ‘anglieski’ kon duiden. Stram doorslapen of dat in ieder gavel veinzen, dacht ik. Het werkte dat ik mijn ogen dichthield: de conducteur en de passagier spraken uiteraard geen Engels en kozen eieren voor hun geld. Ik werd met rust gelaten, ging rechtop zitten toen de kust veilig leek en viel eindelijk in slaap.

‘s Ochtends vroeg was het kamperen in de trein weer voorbij. De uitgedeelde lakens en kussenslopen werden keurig opgevouwen, nachthemden werden verwisseld voor normale kleding en tanden werden gepoetst. Met de hele dag nog voor ons reden we L’viv binnen, zogenaamd Oekraïnes meest elegante stad, waar wansmaak non-existent is. Ammehoela! Geld voor dure auto’s was er in overvloed, maar geld om de oude Habsburgse gebouwen te restaureren en in stand te houden was er niet. Een wandeling door het centrum kenmerkte zich door een kakofonie aan autoalarmen. Jammer voor je oren, maar dan moest je maar niet binnen anderhalve meter van die dure auto’s passeren. En een troep die er op de markt te koop was…

Toegegeven, L’viv heeft ook moois te bieden. Een groots station van meer dan een eeuw oud, prominent aanwezig in de verfilming van Everything is Illuminated, sporen van een protserige, Habsburgse erfenis, veel groen in de stad en dikke, goedlachse taxichauffeurs die je met piepende banden over de kasseien doen vliegen. Een mooie stad, maar het blijft een stad. En van steden hebben wij snel genoeg, zeker nu we net een andere stad gezien hadden. Erg jammer dan ook dat ons dorpenplan geen doorgang kon vinden: ook in het zo ‘westerse’ L’viv gedroeg het personeel van de Oekraïense spoorwegen (Rusland Zuidwest) zich recalcitrant. Vlug tickets regelen naar Mukachevo en Boedapest bleek onmogelijk. Tickets voor zaterdag kon je zaterdag pas kopen, verzuchtte de dame in het centraal in de stad gevestigde kantoor. Met enig recht durfde Eva haar woorden in twijfel te trekken, dus liepen we naar het ver buiten het centrum gelegen station. In deze gematerialiseerde doos van Pandora bleek dat ze het spreekwoord met het kastje en de muur in Oekraïne ook kennen.

Station L'viv (EH)

Astérix had het makkelijker toen hij het roze formulier moest ophalen, maar na een tijd stonden we in een rij waar ons nuttige informatie werd verschaft: een vinger die naar boven wees en een getal op een papiertje. We waren niet de enige buitenlanders die de verschillen met thuis opmerkten. Twee Françaises vonden het voordringen in rijen stuitend. “Nu doen ze het weer!” werd er op hoge toon geklaagd. Oekraïne viel ze tegen, bekenden ze. We raadden Roemenië aan. Toen we onze informatie hadden probeerden twee Oekraïeners voor te kruipen. Ik beukte ze met een welgemikte zwaai van mijn grote rugzak een meter zijwaarts, maar de Françaises hadden het te druk met foeteren: in plaats van snel de vrijgekomen plek in te nemen gaven ze blijk van hun verontwaardiging. Daar red je het niet mee in Oost-Europa. De Oekraïeners herpakten zich en stonden alweer vooraan. Wij namen de trap naar boven.

Oplopende nummering, maar geen loket 21 te bekennen. Een leeg loket 14, een mensenmassa voor loket 15, louter soldaten voor loket 16. We probeerden een andere trap. Zowaar, een klein loket 21. Internationale reizigers (geen enkele te bekennen – op ons na). We vroegen kaartjes naar Boedapest voor zaterdag. Alles was uitverkocht, kregen we te horen. Frappant, als je pas op de dag van vertrek tickets kan kopen, zoals we eerder te verstaan kregen. “Voor zondag dan maar?” vroeg de vrouw ons vermoeid. Leuk en aardig allemaal, maar dan misten we ons vliegtuig. Ze ging kijken voor vrijdag en warempel, als we meteen betaalden konden we nog net twee van de laatste plaatsen reserveren. Een dag minder Oekraïne (geen dorpen, geen kasteel) was zo erg nog niet, maar het betekende wel een dag langer (één in plaats van geen) in Hongarije. Eva rende naar beneden op zoek naar een plaats om geld te wisselen, terwijl ik wachtte tot de stapel papieren was ingevuld.

De twee Françaises maakten een gedesillusioneerde indruk toen we ze buiten het station weer tegen het lijf liepen. Kaartjes hadden ze nog niet en een bekende in Oekraïne bellen bleek niet eenvoudig. Onze enige zorg voorlopig was ons anderhalve dag lang in L’viv vermaken, te beginnen met het inslaan van souvernirs. Cd’s uit het rek ‘POK’ leken ons een mooi begin. Uit de gansterfilm Brat kenden we aardig wat Russische rockbands en ook wat we hier op de gok in de tas gooiden à drie euro per schijfje bleek alleszins beluisterenswaardig. Agatha Kristi, Ljoebz, Nautilus Pompilius, Splin en Zemfira vormden een mooie aanvulling in onze Benno’s. Ook de obligate voetbalsjaal voor Frank werd gevonden – Karpatski L’viv heette de lokale club. We kozen de sjaal met de minst nationalistische/fascistische symboliek en veel Cyrillisch gewauwel erop. Flessen Khortytsa Platinum, Golden Lion, Vozhak en een ander merk waarvan ik de naam na consumptie alweer vergeten ben maakten dat we de eerstvolgende maanden geen tekort aan wodka zouden hebben (zeker niet toen we later thuis nog een fles Dębowa De Chêne en een fles Skyy cadeau kregen).

Alle dagen markt (EH)

Oekraïne kent meer merken wodka dan voornamen, wordt gezegd. Wodka is de nationale hobby en wordt in alarmerende hoeveelheden gedronken. Het verbaast dan ook nauwelijks dat zoveel sterks moet worden weggespoeld met de nodige liters bier. Het biermuseum in L’viv zag er fantastisch uit. Voor tien hrivna kregen we de grand tour met Duitstalige gids en consumptie van twee L’viver bieren. Niet slecht voor 1,70 euro. De attentmaking op verschillen tussen etiketten uit de Sovjettijd en de hedendaagse labels had in een geschiedkundig museum niet misstaan. Rode etiketten met arbeiders, agrarische taferelen en van eenvoudige opmaak waren de norm in de USSR. Opvallende dissonant was een lichtblauw met geel etiket: hoe had een dergelijk patriottisch Oekraïens etiket ooit gedrukt mogen worden onder het communistisch bewind?

De gids vertelde vervolgens over het prille begin van ons geliefde bier. In Egypte stond de doodstraf op het aanlengen met water en te duur verkopen van bier. Ik vertelde over het schandelijke fenomeen festivalbier, in Oekraïne gelukkig onbekend. In Egypte hielden ze er een lik op stuk beleid op na: bier drinken tot je er dood bij neerviel, of de schobbejakken in bier laten verdrinken. Via oude prenten uit L’viv, niet langer in gebruik zijnde machinerie, pullen en glazen kwamen we bij het deel van de collectie waar onze gids het meest trots op was: zijn verzameling bieretiketten, Het waren er om en nabij de 120.000, waarvan 5.000 uit Nederland en ruim 600 uit L’viv. Daar steekt mijn verzameling van 1.137 etiketten wat schril bij af, maar de gids vond het erg interessant dat alleen zelf gedronken bieren bij mij in aanmerking kwamen.

Verbazingwekkend dat je ergens in een achterafstraatje in Oekraïne een mooiere biertentoonstelling tegenkomt dan die je tijdens rondleidingen door Nederlandse brouwerijen te zien krijgt. Zo’n leuk museum had ik persoonlijk sinds Chişinău niet meer gezien. Een stuk verzorgder dan, zeg, de reisgids van Bradt. Normaal gesproken toch onze favoriete reisgids, maar amper twee jaar na verschijnen was de informatie in het boek hopeloos achterhaald. Tot drie keer toe bleek een restaurant waar we naar op zoek waren niet meer te bestaan. Of de rechts-extremistische tent OUN nog wel bestond (“Probeer in vloeiend Russisch te bestellen.”) hebben we niet geverifieerd, maar de meeste hotelprijzen waren inmiddels verdubbeld en alles was in dit land een stuk moeilijker te bereiken dan op papier werd voorgeschetst.

Melancholisch doorkijkje (EH)

Toen we eindelijk een bestaand restaurant vonden in het centrum waren we dan ook weinig kieskeurig. Nadeel: de kaart was in het Cyrillisch. Puzzelliefhebbers komen prima aan hun trekken in Oekraïne, maar wij hadden het geluk dat de drie dames aan de tafel naast de onze snel door hadden dat we buitenlanders waren. Een in Amerika wonende L’vivse hielp ons met het maken van de keuze. Aardappelkoekjes zijn populair; in stilte ergens van genieten niet. “Yo, Skins!” klonk het door de straten. Zo luidruchtig, dat kon alleen een Amerikaan zijn. Eva had niets in de smiezen, maar aangezien ik een shirt van de Washington Redskins droeg nam ik aan dat iemand mij poogde aan te spreken dan wel schreeuwen. Michael uit ‘DC’ was zo te zien blij een niet-Oekraïener te zien, al was het waarschijnlijk een teleurstelling dat ik geen Amerikaan was. Ik onderstreepte zijn voortijdig enthousiasme nog eens extra door op te merken dat hij dan toch moest weten dat Laveraneus Coles niet meer bij de Redskins speelt. Geen zichzelf respecterende Washington-supporter zou met een shirt van een inmiddels bij de Jets spelende kerel rondlopen, dacht ik zo. Nou, dan moest Michael maar weer eens verder.

Het was die avond nog mooi weer en de bij het kasteel boven de stad horende heuvel stond dan ook ramvol stelletjes, genietend van de zonsondergang, de zachtroze met oranje lucht en uitkijkend over stad, niets dan stad rondom, maar een dag later was het opnieuw droevig gesteld met het weer. De hele dag kwam de regen met bakken naar beneden. Na een paar uur lezen waren we het beu. Onze dagen in Oekraïne waren dan geen onverdeeld succes; om nou stoïcijns af te wachten tot onze trein ons het land uit zou voeren – dat ging wat ver. De regen in, paraplu’s kopen en naar de Lychakivskiy begraafplaats. Wat een mistroostige sfeer, in de regen tussen gotische gedenktekens. Als je dan toch naar een kerkhof gaat, dan liefst met zulk droevig weer. Aanhangers van volksheld Ivan Franko lieten zich door de neerslag niet afschrikken: zijn graf mocht rekenen op heel wat boeketten en geelblauwe linten.

Wie echt een deprimerende ervaring zoekt gaat beter naar het openluchtmuseum in Shevchenkivskiy Hai. Een tergend saaie verzameling houten huisjes, per regio gerangschikt maar zonder duidelijk aangegeven route door het park. Informatie was nauwelijks voorhanden, alles was dicht (in augustus) en kitscherige plastic vogels op de daken maakten korte metten met elke vorm van geloofwaardigheid die het park hoopte uit te stralen. Elk pad liep dood zodat je weer langs dezelfde gebouwen (nog een boerderij) terug moest. Het enige lichtpuntje van de dag – naast de trein die ons Oekraïne uit voerde – was het Georgisch restaurant waar we die avond aten. Eindelijk iets dat authentiek oogde. Zoiets stond dan weer niet in de reisgids. Opnieuw was het puzzelen geblazen, maar de vleesmaaltijd temidden van schapenvachten, gevlochten wandjes en het donkere, houten interieur smaakte uitstekend. Aardige mensen ook. Fijn, toch nog een hoopvol teken na een bezoek aan een ontluisterend teleurstellend land. In Georgië zijn de mensen wel gastvrij, raadde iemand die de buik vol had van Oekraïne ons aan. De Kaukasus… al in de trein die ons over de vlaktes wegvoerde droomden we van spannende berglandschappen, waar vast nog veel meer extreme ervaringen op ons wachten.

Boedapest - omdat het moest
Dan maar over een andere boeg

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*