Niet echt winter forest

Je kunt veel van Slovenië zeggen, maar ‘winter forest’ is het niet. De term winter forest werd door Joost bedacht en is van toepassing op alles wat maar true, pure, underground en oldschool is. Stoer en niet mainstream dus, al zal het daarmee nog steeds niet honderd procent transparant zijn voor de lezers die er niet bij waren en nu al dreigen af te haken. Goed dan: in Slovenië bevechten lieflijke taferelen van kerkjes op heuvels, ijsblauwe meren, besneeuwde bergtoppen, sprookjesachtige kastelen en reusachtige onderaardse grotzalen elkaar om aandacht. Alles lijkt er op rolletjes te lopen: de wegen zijn er een stuk veiliger dan in België (zo ondervonden we op de terugweg), hostels zijn piekfijn verzorgd en aan de prijs en het land maakt een genoegzame en opgeruimde indruk.

Dat, met andere woorden, is dus niet winter forest. En wij konden het weten, als niet van zelfspot gespeende metaalliefhebbers. Het meest winter forest van ons gezelschap was Joost, die later in alle toonaarden ontkende de term verzonnen te hebben. Een beetje zoals Darkthrone een Noorse muziekprijs niet aan wilde nemen – was ze niet true genoeg, de prutsers. Ondanks dat Slovenië niet synoniem is aan bendes bandieten die zich schuilhouden op afgelegen bergpassen, wegpiraten die levensmoe of gewoon heel snel zijn en ontberingen in het algemeen, vermaakten wij ons toch uitstekend. Wij, dat waren er zes in dit geval. Geen kortharige in onze groep, al waren de twee meisjes eerder lief dan… nou ja, laat ik er maar niet teveel op doorgaan anders ontkracht de term zichzelf nog. Ik was als meester op de basisschool de enige met vakantie deze tijd van het jaar, maar door het voortouw te nemen bij de organisatie van de trip vertrokken we een week na Carnaval. Geen probleem voor de overige vijf, die immers studeerden of op universiteiten werkten en dus wel wat dagen vrij konden nemen.

Winter forest, op de blauwe jas na dan (EH)

Hoewel studenten er best voor in zijn hun bed een weekje te verruilen voor Sloveniës grootste trekpleisters, kleeft er natuurlijk een nadeel aan ze: studenten hebben geen auto’s. Ja, een huisgenoot van Joost had een auto gekregen, maar die had ie met een fraaie handrembocht tegen een lantaarnpaal geparkeerd. Daan biedt regelmatig bij het zoeken naar een Bob aan best te willen rijden zodra hij zijn rijbewijs heeft, maar kweekt daarmee eerder ergernis dan sympathie. Nelleke en Gijs waren maar wat blij dat de tickets niet meer dan vijftig euro kostten. Waarmee we sneller dan gehoopt bij de lacunes in mijn organisatorisch talent belandden. Niet alles gaat goed bij mij – anders zouden er tenslotte niet zoveel reisverhalen op mijn website staan.

De oplossing was doeltreffend, niet ideaal. Eén dag voor vertrek kreeg ons Peugeootje een nieuwe as en reed weer met wat minder lawaai, terwijl onze andere auto met regelmatig bandenspanning controleren ook heel aardig meekwam. Waarom geen openbaar vervoer? De bus van en naar Brussels South Charleroi Airport (het vliegveld voor mensen die goedkope tickets hebben gekocht) kost evenveel als langdurig parkeren en als je laat op de avond landt kom je niet meer thuis. Onze gemoedsrust enigszins gesust hebbende met redelijke argumenten vertrokken we met een zwaar naar Daans kant hellende Peugeot naar Charleroi. Samen rijden, het is niet echt mijn ding. Bij het eerste stoplicht reed ik door oranje en was Eva uit het zicht verdwenen. Misschien moest ik me toch wat socialer opstellen tijdens een vakantie met vrienden.

De dag van de heenreis is zelden de meest enerverende van een vakantie, maar met een omgewaaid huis dat op z’n dak langs de weg lag, een auto die in België welhaast moedwillig door de vangrail, over een helling en op de spoorlijn gelanceerd leek te zijn en enkele uurtjes ‘Vang de muis’ spelen in de vertrekhal, kon het ook een stuk saaier. Op een drafje spoedden we ons naar het vliegtuig van WizzAir om niet in het roze gedeelte te hoeven zitten. Twee uur later hoorden we dat het in Slovenië regende en dat het later harder zou gaan regenen. In Nederland hadden we een beste kwakkelwinter – in de Alpen trokken mensen een nog veel beteuterder gezicht omdat ze daar nog echt vreemd opkijken als er een keer een winter geen sneeuw valt.

Waar blijft mijn eikeltjesthee?! (EH)

Alle plaatsen waar we de komende week heen wilden hingen postergroot aangekondigd in de aankomsthal: Bled, Bohinj, Logarska Dolina, Predjama… dat wordt ellebogen gebruiken, vreesden we. Ik voelde me een beetje te kakken gezet dat ik daar een hele reisgids voor had doorgeworsteld. Een notebloc tevoorschijn halen en daar wat in krabbelen terwijl we op onze tassen stonden te wachten had ook volstaan. Helemaal nutteloos voelde ik me gelukkig niet, want ik had tenslotte een auto gehuurd waarmee we vanavond naar de Logarska Dolina-vallei zouden toeren. Een VW Transporter busje, met plaats voor negen personen en veel, heel veel bagage. Daan en Joost hadden al pluche dobbelstenen gekocht voor aan de spiegel. “Voor de Transporter?”, nam de medewerker van Sixt al aan. Blijkbaar was het de enige auto die hij vanavond dacht te verhuren. Paspoort in orde, rijbewijs in orde. “Waar is je creditcard?” In Drenthe. Dat krijgen we dus ook, als ik dingen organiseer.

Om in Slovenië een auto te huren moet je volgens de Bradt-reisgids 21 jaar oud zijn, een jaar zonder brokken hebben gereden, een rijbewijs, paspoort en stalen zenuwen hebben. Heel hard rijden met een borrel op hoorde hier bij de volkscultuur. In deze voorwaarden zag ik geen bezwaren en na de auto met creditcard geboekt te hebben dacht ik het ding niet meer nodig te hebben. Tsja, zonder een creditcard kon de man van Sixt de auto onmogelijk meegeven. Dat begreep ik nu ook, al was het wellicht wat aan de late kant. Toch, beter nu dan wanneer ik alleen met Eva zonder creditcard bijvoorbeeld ergens in de Kaukasus schuldbewust had staan kijken. Nu moest er een substantieel bedrag op tafel komen om garant te staan voor eventueel imbeciel rijgedrag. Substantieel, dat was 2000 euro en voldoende voor Eva en Gijs om het even heel benauwd te krijgen. “Weet je wat, maak er 1600 euro van,” deed de hulpvaardige Sloveen wat water bij de wijn. Goed, op het tweetal dat nog naar adem stond te happen na naar de pinautomaat en er vier keer 400 uitgehaald. In briefjes van twintig. Ja, Slovenië was dan wel op de euro overgestapt, maar het was even wennen.

“Weet je toevallig uit je hoofd tot wanneer je creditcard geldig is?”, vroeg de medewerker van Sixt toen we een ferme stapel bankbiljetten onder zijn neus duwden. Ja, dat wist ik wel. “Wacht even, dan probeer ik nog iets…” Er werden wat cijfers ingetoetst, er draaide een bonnetje tevoorschijn en hoppetee, ineens was alles geregeld. Het geld mochten we meenemen, ons er nu al bij neer leggend dat we deze week schandalig veel uit zouden geven met elk 400 euro in de portemonnee.

Joost riep shotgun en mocht dus naast me zitten met de landkaart. Doel voor vanavond: de Plesnik Tourist Farm in Logarska Dolina. Hemelsbreed nog geen 25 kilometer naar het noorden vanaf vliegveld Brnik, maar wegen leiden in Slovenië zelden direct naar je bestemming. Zeker niet wanneer het donker is, regent en je de weg niet kent. Het was even wennen, zo’n busje, maar veel tijd om op mijn gemak met het voertuig kennis te maken werd me niet gegund. Over smalle weggetjes van kiezelstenen stuurde Joost me de nachtelijke duisternis in. De regen werd vergezeld door steeds dichter wordende mist; smalle wegen kronkelden in scherpe haarspeldbochten door de bergen. Anderhalf uur later kon ik eindelijk recupereren voor de gesloten deur van een uitgestorven ogende Tourist Farm. Het was al half elf ‘s avonds. Na lang aanbellen en voor het raam staan zwaaien werd er open gedaan door een oudere man die niets van de reservering af wist. Gelukkig had Plesnik nog drie tweepersoons kamers beschikbaar in deze imposante vallei, zodat ons een koude nacht in de bus werd bespaard. Na een avondmaal van borrelnootjes, koek en Skyy wodka (alle goeie wodka uit Oekraïne hadden we al op, zes maanden na de zomervakantie) en een griezelverhaal van Edgar Allan Poe vielen we in slaap in regenachtig Slovenië.

‘s Ochtends bleek niet alleen dat we de enige gasten waren en in het huis sliepen dat de voorkant van onze reisgids sierde, maar ook dat de regen in de loop van de nacht was overgegaan in sneeuw. Daan noemde het Fiepke-geluk; ik weet het aan de hoge ligging van de vallei waarvan de hoog boven de weg uittorenende besneeuwde bergen sterk aan de Lord of the Rings-films deden denken. De eetzaal van de toeristenboerderij leek op de kitscherige Bierstube van Joost in het kwadraat; buiten stond een Lada Niva geparkeerd. Wij werden er gelukkig van. We besloten de bus zover mogelijk Logarska Dolina in te rijden. Al gauw werd de weg nog wat smaller, reikte de sneeuw aan de zijkanten hoger en zagen we herten door de winterse wereld huppelen. Het was alleraardigst allemaal.

Er stuift vanalles naar beneden (EH)

Na een paar kilometer zagen we de weg met een vrolijk lintje afgezet. Te voet ging het verder naar Rinka Slap, een waterval van negentig meter hoog. Niet zo snel, want we waren met een groep biologen en er kwamen hier en daar al bloemetjes uit de sneeuw tevoorschijn. Links en rechts van het pad hoorden we gerommel van kleine lawines; af en toe zagen we een lading sneeuw naar beneden stuiven. Zelf verplaatsten we ook heel wat sneeuw, al hadden we het geduld niet een indrukwekkend fort te bouwen. Daan zou het toch maar slopen. Het was een mooie dag om mijn nieuwe bergschoenen in te lopen (hier had ik zaterdag geen tijd voor gehad), al bleek Gore-tex niet bestand tegen grote klompen sneeuw die in je schoenen kruipen wanneer je tot onderkant zak in de sneeuw verdwijnt.

Na enkele ‘s winters gesloten berghutten en de waterval gepasseerd te zijn ging het pad steil omhoog naar Frischaufov Dom; een bergweide die volgens de man van Plesnik, die ons nog wat broodjes en water voor onderweg had gegeven, gewoon bereikbaar zou zijn. Sommige stukken moesten op handen en voeten overwonnen worden en na een stuk door de restanten van een lawine gewaad te hebben, boden metalen kettingen en trappen steun bij de tocht naar boven. Over een bruggetje staken we een riviertje over dat zich vlak na deze brug negentig meter de diepte in stortte: hier ontstond de Rinka-waterval. Zigzaggend over een besneeuwde helling met hier en daar wat stenen klommen we verder, tot Eva afhaakte. Gezien de eerdere lawines en de zon die ervoor zorgde dat de sneeuw, nou ja, smolt, was haar angst misschien niet helemaal onterecht. Als jongen denk je pas na over de terugtocht als het daadwerkelijk zover is, maar wat Eva betreft was het al zover.

Samen daalden we voorzichtig af en ook Gijs en Nelleke gedroegen zich liever verstandig. Niet geremd door vriendinnen of jarenlange ervaring in bergachtige gebieden, trokken Daan en Joost verder naar de bergweide, er echter wel rekening mee houdend niet meer hard te schreeuwen of vrolijk te jodelen. Het pad lawineerde niet weg die dag en de schade bleef beperkt tot een verzwikte knie bij Nelleke. Meer winter forest dan een onbezonnen wandeltocht over witte berghellingen werd het niet en na weer veilig in de bus te zitten reed Joost ons naar Bled, het visitekaartje van Slovenië. Eva was alweer van de schrik bekomen: “Shotgun!”. Prima, dat scheelde weer een hoop kaart lezen in de snel vallende duisternis.

Goeie toelie
Nacho Libre

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*