Niet te lang genieten

Gelukkig reed Miguels vader de volgende dag. Ook niet de beste chauffeur van de wereld, maar we voelden ons in zijn dure auto een stuk veiliger. Ons pleidooi waarin we verkondigden toch echt wel Portugese specialiteiten geprobeerd te hebben was aan dovemansoren gericht. Iets was pas echt Portugees als het door oma bereid was. Dus gingen we naar het minuscule dorpje waar oma sinds de dood van opa in haar eentje woonde. Zelf wijn maken was er niet meer bij sinds opa erin gebleven was. Elk jaar maakte de oude man een enorm vat wijn voor hem alleen (Miguel spreidde zijn armen maar kon de diameter van de denkbeeldige ton net niet omvatten).

De oceaan; een soort zee (JS)

‘s Ochtends begon het al. Nog voor opa goed en wel een schone onderbroek had aangetrokken was het eerste glas al leeg. En daar bleef het niet bij. De wijnkleur nestelde zich in zijn neus en bleef daar voorgoed. Eenmaal op leeftijd werden wijn drinken en in de tuin zitten de voornaamste hobby’s van opa. Uiteindelijk was alleen aan het peil van de wijn in zijn glas te zien dat oma’s lief nog leefde: zelf zat hij zo stil op zijn plekje dat de hagedissen onbevreesd op zijn broek kwamen zonnen.

We gaven opa geen ongelijk. Het was een heerlijke tuin om in te zitten. De krekels tsjirpten in het hoge gras tussen de sinaasappelbomen. Hagedissen schoten links en rechts weg tussen de stenen. Diana nam ons mee over de heuvels naar plekken waar zij en haar broer speelden toen ze nog jong waren. Net als jaren eerder zo vaak gebeurde werden we naar binnen geroepen voor het eten. Hoewel het geen oma als andere oma’s was (en daarmee bedoel ik niet dat deze Portugees sprak – ze sprak namelijk wanneer er iets gezegd diende te worden en niet op een lieve-oma-toon van “lust je nog een koekje?” maar op een toon van “en nou luisteren jullie goed wat ik te zeggen heb!”) kookte ze wel zoals je hoopt dat oma’s doen. Ze was blij met haar bijzondere bezoek, al moesten de buitenlanders nog wel het een en ander leren over Portugal. De vismaaltijd was een goed begin.

Uitermate geschikt voor panoramafoto's (EH)

Er was maar één oma, maar er waren er meer geweest. Miguels vader gebruikte zijn beste Engels (wat belabberd was – eens riep hij recht in het gezicht van geëerde buitenlandse zakenpartners “fuck!” op de vraag wat ze nu eigenlijk aten in dit dure restaurant, in de veronderstelling dat hij het Engelse woord voor ‘geit’ gebruikte) om ons mee te lokken naar de ruïnes van het huis waar hij en zijn ouders vroeger woonden. Door nonchalant te laten vallen dat er wellicht slangen zaten was ik overstag. Ze zaten er niet, maar het was vreemd de met bramen en bomen overwoekerde resten van muren te vinden; groen uitgeslagen restanten van een klein huisje midden in de bossen dat zelfs in zijn hoogtijdagen al door alles en iedereen verlaten moet zijn geweest.

Veel tijd voor overpeinzingen kregen we niet. Miguels vader en moeder waren ons nog lang niet beu en reden ons overal heen. Wat volgde was een razendsnelle sightseeing tour waarin we alles zagen, om de nog verse indrukken snel plaats te laten maken voor nieuwe. Een kort aanstippen van de plaatsen waar we geweest zijn zou meer recht doen aan de werkelijkheid, maar ik zal toch proberen de gebeurtenissen hier enigszins in verhaalvorm te gieten.

Het begon allemaal aan de Atlantische Oceaan. In het vissersplaatsje Nazaré werd steeds minder uit de zee gehaald en steeds meer uit toeristen. En wat er nog uit zee kwam stonk ontzettend. Lange droogrekken vol vissen (want vissen zijn van nature nat) zien er dan wel authentiek uit, maar zo ruiken ze ook. Ter vergelijking: films die in de middeleeuwen spelen zijn leuk om te zien, maar als je er de stank en ziekten van weleer bij zou krijgen zou het allemaal ook een stuk minder jolig zijn.

Destijds speelde ik nog rollenspellen (JS)

Om de toeristen te behagen had Nazaré het allemaal: een stralend witte kerk met oranje daken en twee torens waar net op dat moment een huwelijk werd voltrokken, een fort op een vervaarlijk boven het water uitstekende rotspunt en daaronder de woest beukende golven van de Atlantische Oceaan. Eva had die golven wat meer van het kaliber ‘Noordzee’ geschat en moest flink rennen om de billen droog te houden. Maar wat Nazaré vooral had was een hekel aan Peniche. Deze twee vissersdorpen konden elkaar al van oudsher wel schieten. Het boterde naar het schijnt nog minder goed tussen de twee dan tussen DOSKO ’32 en EFC. Of tussen NEC en Vitesse, voor wie niet uit Duizel komt.

Waarschijnlijk dachten de viswijven dat we uit Peniche kwamen (we kwamen tenslotte niet uit Nazaré), wat Miguel op een scheldkanonnade kwam te staan en diens vader op het verwijt dat hij onder de rokken van één van de lieftallige deernen probeerde te gluren. Miguels vader vroeg zich verbouwereerd af waarom hij dat in godsnaam zou willen doen. Ten eerste woog de vissersvrouw vier keer zoveel als het Portugese manneke en zag ze er ook navenant uit; ten tweede wist iedereen dat vissersvrouwen uit Nazaré zeven rokken over elkaar dragen. En dan nog rook het overal naar vis.

De oceaan; ruiger dan de zee (EH)

Het was dan ook niet zo raar dat Nazaré geen pousada had en Óbidos wel. Pousadas zijn de meest decadente accomodaties die je je maar voor kunt stellen. Eén nachtje in zo’n tent zou ons ongeveer net zoveel gekost hebben als wat we deze hele vakantie aan overnachtingen uitgaven. Het rijkeluisoord was dan ook gehuisvest in een middeleeuwse toren van het kasteelstadje. Óbidos was omringd door een muur met kantelen. Hierover kon je om het hele stadje lopen, met uitzicht op beboste heuvels en kleine, Iberische molentjes. De indrukwekkende muur gaf de bewoners van Óbidos vroeger misschien een veilig gevoel, maar dat gold niet voor ons. Vaak keken we vanaf de muur vier meter loodrecht naar beneden op de binnenplaatsen van het stadje.

In de ruïnes die van de kapel restten ving Eva eindelijk eigenhandig een hagedis en even later was ik net zo blij als mijn vriendinnetje. In de kasteeltoren hing namelijk een schitterende verzameling middeleeuwse wapens. En dan niet alleen zwaarden en harnassen, nee: grote bijlen, morgensterren, knotsen met metalen pinnen – alles wat een jongenshartje maar begeert.

Na de nabij Óbidos gelegen lagune gezien te hebben (vanuit de auto – hoe anders?) besloten we de dag met een uitstapje bij São Pedro de Muel. De indrukwekkende rotsformaties aan de voet van de vuurtoren lieten er geen twijfel over bestaan dat de Atlantische Oceaan geen lief zwembadje is. Hoewel ik bekend ben in de stoere zeeheldenbuurt Bottendaal is zo’n oceaan me toch net iets te onstuimig. Het was hoog tijd wat gas terug te nemen en de bergen te bezoeken, waar wij het tempo zouden bepalen.

En als we dan toch naar Rusland gaan, dan wel met de auto
Het is Bladel niet

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*