No point complaining

Het is een hel, op vakantie met kinderen, maar het is nog altijd beter dan thuisblijven met kinderen. Geef Rune een streep modder en hij glijdt erover uit; putten vol water oefenen een welhaast magnetische aantrekkingskracht op hem uit. Na de Aasleagh Falls begon het boomloze landschap meer en meer op dat van de Færøer te lijken. Grote rotsen lagen verdwaald in zompig gras en wolkenpartijen speelden een wervelend spel met de wind. We sloegen een doodlopende weg in met als enige aanwijzing ‘The Lost Valley’ en vonden aan het eind weliswaar geen junglevallei vol dinosauriërs, maar wel een enorm zandstrand dat uitnodigde tot wildkamperen. Een kom van hoge duinen en groene bergen omsloot de zandvlakte waar een stroompje zich doorheen slingerde, op weg naar de oceaan.

Een relatief warme dag, deel 2 (JS)

Het was na dagenlang regen heerlijk om de warmte van de zon weer eens te voelen en Ilva en Rune grepen de kans met beide handen aan om zoveel mogelijk tijd in het water van het stroompje en de branding van de oceaan door te brengen. In Ierland is ‘mooi weer’ immers een predicaat dat van toepassing is op momenten; niet op hele dagen: ‘s middags liepen we bij Carrowmore weer gewoon in de stromende regen. “Uit welk deel van Nederland komen jullie?” vroeg de man in het bezoekerscentrum van de megalithische begraafplaats. Van het noorden van Nederland had hij wel gehoord. “Ah, de hunebedden!” riep hij enthousiast. Een enthousiasme dat Rune bepaald niet deelde bij het zien van de steencirkels hier. “Er is eens niet een dak op!” riep hij teleurgesteld uit. De hunebedden waar we met een aan de Ierse weersomstandigheden aangepaste plattegrond (dat wil zeggen, gelamineerd) tussendoor liepen, waren hem veel te klein. En alsof dat nog niet erg genoeg was, mocht je er niet eens op klimmen.

De Lonely Planet bezigde naar onze zin veel te veel superlatieven bij het aanprijzen van Carrowmore. ‘Truly a must-see… haunting site… dramatic… rich with meaning.’ Eva en ik hadden de bijdrage graag als volgt herschreven: ‘A bit underwhelming, but if you’re really into that kind of thing, go for it. I for myself would rather sit in a pub as it’ll probably rain anyway, but if you’re in for stones, you’ll get stones at Carrowmore. Allow half an hour.’ Rune was in ieder geval blij toen we verregend weer in de bus stapten en verder naar het noorden reden. “It rains every half hour,” verzuchtte een Ier. “But there’s no point complaining. No point ‘t all.” Zo vaak komt het tenslotte ook weer niet voor dat je de meest beroerde zomer in zeventien jaar meemaakt.

Prima plek voor een ijsco (JS)

Helemaal in het noordoosten van Ierland ligt Donegal, een county dat zich vergeten voelt door de rest van het land. Aan vrijwel alle zijden door Noord-Ierland omsloten maakt Donegal op de landkaart inderdaad een geïsoleerde indruk. De bergen waren hier hoger, het landschap ruiger en het weer slechter. Dublin was ver weg en pubs hadden Spongebobachtige namen als ‘The Rusty Mackerel’. Dat Donegal naar Ierse maatstaven een afgelegen en onderontwikkeld gebied was, maakte ook dat het zich wat verder van de platgetreden toeristische paden bevond. “Op Dingle loop je als pinguïns achter elkaar,” vond een Duitser die nu voor de tiende keer in Ierland was. En al was het hier nu tien graden kouder dan normaal gesproken in juli, in ieder geval was zijn tent niet in zee geblazen, zoals een onfortuinlijke medekampeerder overkwam.

Het kon dus altijd nog erger. Niet helemaal de instelling waarmee we naar Ierland waren gekomen, maar goed. Ook Derrylahan Independent Hostel beweerde in haar flyer dat het erger kon. ‘Hostellers have been disappointed to end up in other hostels looking for Derrylahan. Be sure to arrive at Derrylahan Hostel.’ Ondanks deze waarschuwing verzuimden we dit te verifiëren en stelden we ons tevreden met de naam die groot op het gebouw stond. Zelf verifieerden ze hier ook niet alles. Slieve League pretendeerde met bijna 600 meter de hoogste zeekliffen in Europa te hebben. Leugens! Op de Færøer keken we vanaf Kaap Enniberg 754 meter de diepte in. En dat was loodrecht. En zonder hekjes die behoedden dat je wat te ver voorover leunde. Wel was het lang geleden dat we zo’n mooie zonsondergang zagen als hier.

“Het wordt een mooie dag,” waagde de ijscoman ons de volgende ochtend te bedotten. “Wel met buien, maar die duren telkens maar kort.” Dat is Iers voor ‘niet dagvullend’. Bibberend aten we onze ijsco’s, terwijl Ilva en Rune onder een extra dekentje in de bus opdroogden. Van onze beklimming van Slieve League bij daglicht was weinig terechtgekomen en na door de regen te zijn overvallen bliezen we de aftocht. Het was niet veel beter in Port, waar de verlaten, wilde baai met grote rotsen en een eenzame stack bij mooi weer vast erg mooi zou zijn geweest. Ach, het heeft ook voordelen, zo’n meest beroerde zomer in zeventien jaar. Het scheelt een hoop gebakkelei over wie er aan de beurt is om de kinderen met zonnebrandcrème in te smeren en het is echt heerlijk slapen in een busje wanneer de windstoten je heen en weer wiegen en de regen de ruiten striemt. We hadden nog nooit zo’n lange herfstvakantie gehad.

Hierna werd het weer slechter (JS)

Als Oost-Europaganger was ik nog niet echt bekend met het fenomeen glamping, dus ik verbaasde me bij de Concreggan Mill in Dunfanaghy enigszins over het tot hostel omgebouwde treinstel en het bovenop een heuveltop gesleepte bootje. Ik verbaasde me nog meer over de prijzen die er werden gerekend: €75 voor een nachtje in een benauwend krappe coupé, zonder uitzicht om de volgende morgen ergens in Karelië of op de Siberische taiga te ontwaken. Gelukkig waren de staplaatsen voor campers betaalbaar en dat gold ook voor Irish stew, wat in dit land helaas het hoogst haalbare op culinair vlak was. Net als een andere Nederlandse toerist hadden we ons er al eerder over verbaasd hoe open en vriendelijk alle Ieren zijn. “Op één na,” vond de jongen en hij knikte heimelijk naar de vrouw achter de balie. Bij onze aankomst reageerde ze inderdaad behoorlijk kortaf en zojuist had ze aan de telefoon zitten vitten op haar man. “Jij komt thuis en gaat je dan scheren en douchen. Repareer ook eens iets wat kapot is voor de verandering!”

De radio in de bar werd in ieder geval niet door Brendan gerepareerd. “Do you guys want some WWII music?” vroeg hij ons en de andere aanwezigen. En na vijf minuten prutsen aan het antieke ding: “Well, sorry, no music. You’ll have to make your own. Good night!” Behalve over zijn uit de hand gelopen interesse in de Tweede Wereldoorlog vertelde Brendan ons bloedserieus over elfjes in Donegal. Na bijna te zijn verdronken bij het Poisoned Glen beklommen we de volgende dag op zijn aanraden de Crockshee, een onnatuurlijk uitziende heuvel waar de gevleugelde wezentjes volgens de excentrieke hosteleigenaar zouden wonen. Terwijl ons laatste paar schoenen en de baai van Dunfanaghy langzaam volliepen met water brak de zon door en keken we uit over de kliffen van Horn Head. Een magische plaats? Flauwekul natuurlijk, maar ik raakte hier in Donegal langzaam maar zeker wel milder gestemd over Ierland.

Nationale sport, deel 2 (JS)

“So you’re going up north?” reageerde een Noord-Iers stel die avond in de bar verheugd. “They are up north already,” constateerde Brendan. Hier in Donegal zaten we zelfs noordelijker dan de kust van Antrim waar we heen wilden, maar ondanks de open grens en het tot de verleden tijd behorende gewelddadige verleden, waren Noord-Ierland en de Ierse republiek nog altijd wel degelijk twee verschillende entiteiten. Van hereniging was in de nabije toekomst geen sprake. Zowel de IRA als de UDA (Ulster Defence Association) hielden zich nu rustig. Geblokkeerde straten en nieuwsberichten over aanslagen hadden plaatsgemaakt voor corruptie en een incompetente regering, vertelden de Noord-Ieren. Met 120 parlementsleden die elk jaarlijks £100.000 opstreken om een landje met 1,8 miljoen inwoners te besturen, voelde het aan alsof er geld in een bodemloze put werd gestort.

In ieder geval behoorden ‘The Troubles’ tot de verleden tijd, al is het voor wie ernaar zoekt niet moeilijk om aan weerszijden van de grens uitingen van haat te vinden. Zo was de Union Jack op een informatiepaneel in het hostel vernield en werd een monument voor vliegeniers uit de Tweede Wereldoorlog gemolesteerd nadat de vlaggen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk er zij aan zij hadden gewapperd. Brendan hield wel van dit vlagvertoon. Op een dag dat 90% van zijn gasten Engelsen waren, hees hij de Britse vlag. Het duurde niet lang voor de telefoon ging. “Heb jij de Union Jack op je terrein gehesen?” wilde een boos bestuurslid van County Donegal weten. “Nee hoor,” loog Brendan. “Ik heb anders fotografisch bewijs!” De man was van een socialistische partij die Gaelic en de Ierse cultuur hoog in het, ahum, vaandel had. “Hmm, socialistische nationalisten dus,” vatte Brendan samen. “Daar had ik nog niet eerder van gehoord. Nationaal socialisme ken ik wel; die mensen vertelden ook iedereen wat ze moesten doen. Bovendien betekent uw naam in het Gaelic ‘Bastaardzoon van de bisschop.”

Vandaag wapperde de Zwitserse vlag bij de Concreggan Mill. “Tsja, ik heb geen Nederlandse vlag,” bekende Brendan. “Ik zou natuurlijk ook de Russische kunnen hijsen. Da’s toch ook goed?” Een toeriste aan de receptie keek nogal vies en betwijfelde dit. “Het zijn toch dezelfde kleuren? Waarom denk je dat dat zo is?” vroeg Brendan. “Peter de Grote,” antwoordde ik. “Veel Russische scheepvaarttermen zijn gelijk aan de Nederlandse woorden,” voegde ik eraan toe. Brendan was aangenaam verrast en vertelde dat hij ook liever naar overeenkomsten keek dan naar verschillen. “Praat eens met mijn vrouw Marina. Ze komt uit Rusland.” Dat verklaarde waarom ze de enige niet-vriendelijke Ier in dit land was: ze was Russin! Eenmaal in het Russisch aangesproken bleek ze een stuk spraakzamer. Ze kwam uit Kaliningrad, vertelde over haar werk als docente in Litouwen en bood spontaan haar hulp aan, mocht ik die kunnen gebruiken bij mijn Russische lessen.

Prachtig, Noord-Ierland (JS)

De genegenheid voor vlaggetjes was aan de andere kant van de grens niet minder groot. Overal werd onze blik getrokken door de niet bepaald mooi te noemen witte doeken met daarop de Red Hand of Ulster; misschien om onze aandacht af te leiden van het eentonige Noord-Ierse landschap. De kust was mooi, maar nog geen honderd meter landinwaarts werd het beeld gedomineerd door landbouw en industrie. Ruwe kantjes zoals in Donegal waren hier nergens te bespeuren. Of het moet op economisch en sociaal vlak zijn: de leegstand in Bushmills was onaangenaam hoog. De middenklasse had het hier zo te zien zwaar en om de situatie minder schrijnend te laten lijken, toonden op etalages van gesloten winkels en pubs geplakte foto’s taferelen uit betere tijden. Het mocht, zeker in combinatie met de vele vervallen gebouwen, niet baten. Alleen de lokale moloch, de Bushmills whiskeydestilleerderij, leek nergens last van te hebben. De enorme toeristische santenkraam deed denken aan het even commercieel ingestelde Talisker op Skye, al had deze oudste destilleerderij ter wereld zich sinds 1608 nog altijd niet bekwaamd in het produceren van drinkbare whiskey.

In Bushmills was het druk, maar we konden ons nu ook eindelijk eens vinden in wat de Lonely Planet schreef toen we over de Giant’s Causeway lazen: ‘swamped by visitors’. De Noord-Ieren wisten wat ze konden vragen voor een bezoekje aan hun meest fotogenieke natuurlijke attractie. Dankzij een tip van de ijscoverkoper bij Slieve League bespaarden we £22 door het bezoekerscentrum te mijden en rechtstreeks naar de hexagonale basaltformaties te lopen. Volgens de legende bouwde de Ierse reus Finn MacCool (met zo’n naam kom je er wel) een basalten brug van Noord-Ierland naar Schotland om daar met een andere reus te ravotten. Van de brug zelf is helaas niet veel meer over – een stukje hier en het andere uiteinde op het eiland Staffa. Over soortgelijke rotsformaties in Garni, Armenië, wordt in de legende gezwegen. Een leuk verhaaltje voor de allerkleinsten, maar ook zonder sprookjes vermaakten Ilva en Rune zich prima in deze enorme geologische speeltuin. Eva en ik konden ons weer uitleven met de nationale sport van dit eiland, want net als in Ierland – de republiek – was het hier een hele uitdaging om een foto van een stukje Causeway zonder publiek te maken.

Niet één zalm gezien (EH)

Dat publiek bevond zich vreemd genoeg niet in het Amfitheater. Eenmaal door de Reuzenpoort werd het een stuk rustiger. Een wijde baai, afgeschermd door een torenhoge rotswand, lag voor ons. Bij de basaltkolommen van het Orgel hield het geërodeerde pad op en ook de weg naar boven via de Shepherd’s Steps was afgesloten. Er waren namelijk – en dat overdrijf ik niet – drie stenen op de trap gevallen. Niet eens grote. Noord-Ierland bleek geen plek voor avonturiers, met een pad bovenlangs dat de te dicht bij de kliffen gelegen uitzichtpunten vakkundig meed.

De zonsondergang achter de ruïnes van Dunseverick Castle was schitterend en bij Carrick-a-Rede, topattractie nummer twee, besloten we nog maar eens een nachtje te gaan wildkamperen. Daar bleek de opzichter van de National Trust de volgende ochtend geen bezwaar tegen te hebben: “Als jullie naar de wc willen kun je beter naar het invalidentoilet gaan. De andere wc’s zijn nog niet schoongemaakt.” Maar ook al stonden we als eerste op de parkeerplaats; de drukte omzeilen was hier ondoenlijk. De touwbrug die de kust met het minuscule eilandje Carrickarede verbond, bestond 350 jaar geleden al – zij het in een avontuurlijkere vorm. Destijds interesseerden vooral zalmvissers zich ervoor en was het gewoon een touw dat naar de overkant werd geworpen; nu was er geen toerist in heel Noord-Ierland te vinden die niet over de brug wilde. En waarom? Vorig jaar hadden we in Albanië een veel onveiligere en spannendere touwbrug over een azuurblauwe bergrivier voor ons alleen. Deze kermis bood als enige extraatje een penetrante guanolucht van de op de kliffen nestelende meeuwenkolonie.

‘Those who succeed in crossing are rewarded with an abundance of plants and wildlife,’ lazen we achteraf. Planten hadden we op Carrickarede niet gezien en het ‘wildlife’ bestond uit busladingen Spaanse en Chinese toeristen die in optocht het gras op het eilandje plattrapten. Wij waren wel klaar met Noord-Ierland. Het had een paar fraaie plekjes, maar die in een weekend in het hoogseizoen bezoeken was een heel slecht plan. Eigenlijk hadden we de indruk dat er weinig saaiere landen dan Noord-Ierland bestonden. Liever gingen we weer terug naar de republiek, waar mensen naast aardappelen ook andere zaken interessant vonden. ‘Succes met het vinden van lokaal geproduceerde pasta of rijst,’ las ik op een aardappelreclamebord voor we de nauwelijks waarneembare grens passeerden.

Ik heb maar niet meegedaan aan de loterij. Straks moet ik terug. (EH)

Noord-Ierland mocht dan een duffe bedoening zijn; ook in Newgrange werden we eraan herinnerd heel ver van ons geliefde Oost-Europa verwijderd te zijn. De organisatie van de graftombes van Brú na Bóinne werkte als een geoliede machine. Bezoekers kregen een time slot toegewezen, waarna iedereen met bussen naar de monumenten werd gebracht. Bussen met evenveel zitplaatsen als verkochte tickets. Maar 24 zitplaatsen per bus. Met ook echt 24 gordels! In het weekend gaven ze hier niet eens iedereen een toegangskaartje. Ondenkbaar in een land als Roemenië. De graftombe zelf was een stuk indrukwekkender dan Carrowmore, met een lange, onderaardse gang naar een plek diep in de heuvel waar we konden ervaren hoe op de kortste dag van het jaar het licht recht naar binnen viel. En er zat een dak op, tot grote vreugde van Rune.

Dublin was niet ver meer en die middag waren we weer onderweg naar Wales, waar de entree opnieuw prettig was. In de Tesco in Holyhead vond ik, hoog naar achteren geschoven en op het bovenste schap verstopt, de laatste fles Penderyn Legend in de winkel. Na een laatste etappe via de sfeervolle kasteelruïnes van Dinas Bran en het aquaduct van Pontcysyllte was ik er nog altijd niet uit of Wales of Ierland me meer aansprak. Beide waren buiten het seizoen en met mooi weer vast prachtig. Ik weet het, hierover klagen heeft geen enkele zin. De bergen miste ik in ieder geval al zodra Engeland ons met een verfrissend zomerbuitje verwelkomde. Toch, volgend jaar ga ik weer ergens anders heen.

Meek's Cutoff
Laat dit een les zijn

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*