Nu is ‘t een hobby

De zevende en laatste bestemming van onze tours is zelden de meest spectaculaire. In een druilerig Liechtenstein trakteerde Daan ons op vierkante worstjes waar de gemiddelde hond zijn neus voor ophaalt, white trashparadijs De Dommelvallei in Borkel en Schaft vergeten we liefst zo snel mogelijk en Kilyos aan de Zwarte Zee had naast badplaats een dubbelfunctie als openbare vuilstort. De Joegoslaviëtour eindigde in Servië, en een bezoekje aan Olivera mag daarmee voor mij officieel als hobby te boek staan. Toch, na schokkende onthullingen over mysterieuze piramides en mijnenvelden bij nog te trekken staatsgrenzen, vormde een Astérixachtig eindfeest misschien niet het meest opzienbarende gedeelte van onze gezinsvriendelijke tour. Gelukkig zorgde Olivera er wel voor dat er meer rakija op tafel stond dan in de strips. De toverdrank van de Balkan.

Gezocht: despoot (m/v) (JS)

Voor de zekerheid hadden we zelf ook al wat ingeslagen in Manasija, een in de 15e eeuw door despoot Stefan Lazarević gesticht klooster. Hoe vet is het als je despoot bent van beroep? Te oordelen naar de massieve verdedigingsmuren en –torens in ieder geval zo vet dat anderen wel eens jaloers op je konden worden. Manasija had meer weg van een kasteel dan een klooster, en met de voorraad toverdrank in het winkeltje was het hier vast goed belegerd worden. De nonnen gingen er niet per se van uit dat we een fles slivovitsj zouden kopen, maar ze hoopten het natuurlijk wel. In een steeds vlakker wordend Servië maakten de nationalistische kraampjes vol vlaggen en andere attributen waar de oprechte patriot niet buiten kan, langzaamaan plaats voor meer en meer Hongaarse plaatsnamen. Vlak voor de grens vonden we het pretparkachtige Palić, waar Miriana met haar hele korte rokjes voor ons de grootste attractie was.

Voor ons appartement in Palić wemelde het van de groene padden en boomkikkers, waarvan er om de haverklap een exemplaar naar beneden kwam vallen. Dat was op zich meer dan voldoende biodiversiteit wat betreft de op dit vlak wat minder enthousiaste Olivera, maar om ons een plezier te doen had ze toch een bezoekje aan het Ludašmeer geregeld. Toen ze de weg niet meer wist en op een verlaten zandweggetje de telefonische hulplijn inschakelde, zagen we het somber in. Als wij het niet meer weten bellen we Olivera altijd – wat nu? Gelukkig bleek haar richtingsgevoel ook nu weer onfeilbaar, want zes meter verderop ontdekten we het welkomsbord van Ludaš. Het stinkende water bood een trieste aanblik (en dito geur) en de biologen die ons rondleidden vertelden beteuterd hoe deze ooit prachtige wetlands nu vervuild tot en met waren. Wel zagen we zandhagedissen, een ringslang en Janine zelfs een Europese moerasschildpad.

Subotica - Om een slappe piemel van te krijgen (GC)

Manasija hadden we gauw gezien en van Ludaš werd je niet vrolijk, maar ons feest om te vieren dat we ons laatste Joegoslaviëland bereikt hadden, was alles wat we ervan gehoopt hadden. Het was maar goed dat we niet meer hoefden te rijden, al wisten we inmiddels dat je in zo’n geval geurloze appelrakija moet drinken in plaats van pruimen, en hadden we een blaastruc geleerd waarmee je na een liter whisky en een liter wodka nog veilig achterstevoren achter het stuur kon kruipen. Chefkok Laslo vertoonde zijn grillkunsten met ćevapčići, worstjes, kip en aubergine; Olivera had van haar vader een overdosis drank in uitnodigende petflessen meegekregen en ook aan shopskasalade en hele, hele hete pepers was geen gebrek.

Op dit soort feestjes na is er in Vojvodina eigenlijk bar weinig te beleven. In het grotendeels Hongaarse Subotica was het Balkangevoel goed verstopt tussen alle Jugendstilgebouwen. Helaas zorgde Laslo ervoor met een fraai staaltje Balkanplanning. Om een uur of twee, drie, zou meneer terugzijn van een vergadering in Hongarije om nog een paar halve liters met ons te drinken. Om acht uur ’s avonds liet hij weten dat we niet meer op hem hoefden te rekenen. Toen hadden we al in ijltempo het stadhuis bezocht, waar we vanuit de toren uitkeken over de vrolijk gekleurde mozaïekdaken van de stad. Na de vervallen synagoge en met Ilva pootjebaden in het heerlijk koele water van de fontein hadden we Subotica wel gezien. Op de valreep kregen we nog een vleugje Oost-Europa mee toen bedelende zigeunerkindertjes hun smoezelige handjes ophielden op ons terras. Olivera was vastberaden deze traditie in stand te houden en gaf de zigeunertjes waar ze om vroegen.

Veel schoner dan Ludaš (EH)

Tegenover de lokale parkeerwachters was ze een stuk minder vrijgevig. Subotica kende een ingenieus parkeersysteem waarbij je vanaf een Servische mobiele telefoon om het uur een code moest sms’en om geen bon onder de ruitenwisser te krijgen. Een voor buitenlanders onbegrijpelijk systeem. Omdat de Serviërs nog niet in de smiezen hadden hoe parkeerbonnen dan weer naar het buitenland gestuurd moesten worden, sleepten ze uit voorzorg elke auto met buitenlands kenteken maar weg. Die van ons niet, maar die van Jaap en Janine wel. “We gaan het eens helemaal anders doen,” dachten twee parkeerwachters die bij het politieschuurtje zaten waar we heen werden verwezen. Binnen in het schuurtje zat een man te roken, terwijl zijn collega er buiten met een vliegenmepper voor zorgde dat het ongedierte op afstand bleef. Om zich tegen Olivera te verweren had hij wel iets groters mee mogen nemen.

Het ‘pikante’ Hongaarse eten die avond was tamelijk soft na Macedonië, de pepers van een dag eerder en het temperament van Olivera. Onze tour zat erop, al hadden we nog twee dagen rijden voor de boeg. De Hongaarse machtswellustelingen aan de grens zorgden voor de traagste grensovergang van de hele reis. Om te bewijzen dat het geen toeval was, mochten we in Hongarije ook nog twintig kilometer in de file staan en dwars door Boedapest – met de klemtoon op pest – rijden. Wat een domper na Joegoslavië – zelfs Oostenrijk viel nu mee. Het kon de slapende Ilva en Rune op de achterbank allemaal niks schelen. Ons manneke was inmiddels al in veertien landen geweest; een tempo waar zelfs Daan, Gijs, Jaap en ik als doorgewinterde tourgangers niet aan kunnen tippen. Als hij zo doorgaat heeft Rune, als ie net zo oud is als ik, een slordige 462 landen bezocht. Knappe kerel die hem dat nadoet.

Casa de mi Padre
Het ontbijt van kampioenen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*