Onbeminde oorden (deel 2)

Het was niet de vraag óf we in Rusland een verkeersboete zouden krijgen, maar wannéér de ДПС ons zou bekeuren. Vanuit Kertsj nemen we de veerboot naar Port Kavkaz en rijden we opnieuw door het Koebanlaagland, nu naar Kalmukkië. Als ik wat al te hard rijd en over een doorgetrokken lijn eindelijk kans zie een vrachtwagen in te halen, staat de verkeerspolitie me al op te wachten. Een humeurige agent neemt mijn rijbewijs en de kentekenpapieren in beslag. “Dat wordt te voet verder,” bromt hij. Gelukkig hoef ik niet al te ver te lopen en mag ik aan de overkant van de weg in een politieauto plaatsnemen. Na wat schrijfwerk blijkt de collega van de eerste agent wat meer voor rede vatbaar. Hij heeft een lumineus idee: “Eigenlijk hoef ik helemaal geen protocol op te maken. Je kunt ook hier betalen,” herinnert hij zich. Wat fijn hoe de politie in Rusland met je meedenkt! “Je hoeft dan niet mee naar het bureau en we doen nergens melding van. Gewoon…” de agent wees naar de vijf op de versnellingspook “… zoveel duizend roebel betalen en je kunt weer verder rijden.” Kijk, als we dan toch met elkaar kunnen praten wil ik wel eens weten hoe je dit voor mij nieuwe spelletje precies speelt. “Enneh… kan het ook voor wat minder, misschien?” probeer ik. De agent kijkt me geamuseerd aan en wijst naar de derde versnelling. “Zoveel, bedoel je?”

Na te hebben afgerekend krijg ik mijn papieren terug en kunnen we verder. Ben ik nu afgezet of viel het juist mee? Ik heb geen idee of een boete van veertig euro veel is en vraag het later na aan een stel Russen. “Op de Krim was je er in ieder geval niet mee weg gekomen. Daar accepteert de politie geen vzjatki meer en moet iedereen tegenwoordig meekomen naar het politiebureau.” Minder corruptie sinds de annexatie door Rusland? Die had ik nog niet gehoord. “Maar hier in Rusland is het een schappelijke prijs.”

Wel jammer dan dat die sympathieke ДПС me er een dag later weer probeert bij te lappen. Even voor de grens met Kalmukkië, de enige boeddhistische republiek van Europa, wordt er al geseind. Opletten dus. Bij het eerste verkeersbord met 70 erop rem ik af; vlak daarna staat er een bord met 50 en ga ik nog wat langzamer rijden. Na een bocht staat een agent me al op te wachten, gebarend dat ik de bus aan de kant moet zetten. Of ik even achterin de politieauto plaats wil nemen. “Helloooo, my friend!” roept zijn goedlachse collega en geeft me een hand. “Herken je deze auto?” Op zijn laptop zie ik onze bus. Eronder staat de snelheid vermeld: 68 kilometer per uur. “Een beetje hard hè?” vraagt de agent. “Valt wel mee,” vind ik en ik leg hem uit dat dit bij het eerste bord was. De agent wou dat het waar was. Stiekem bewonder ik deze boeven om het vernuft van hun fuik, wanneer de inmiddels bekende vraag wordt gesteld: “Tsja, wat gaan we nu doen?” Ik besluit de kaart van blije toerist te spelen. “Dat weet ik niet, maar ik ga straks lekker verder met vakantie vieren met mijn gezin. Wat ben ik blij dat we eindelijk in Kalmukkië zijn. Ik heb er zoveel over gehoord! Hier willen we graag zijn. Yes, Kalmukkië!” De agent had veel verwacht, maar dit blijkbaar niet. Enigszins verbaasd en met lichte tegenzin overhandigt hij mijn papieren. “Nou goed dan, maar hou je de volgende keer netjes aan de limiet,” zucht hij.

Ik heb moeite mijn gezicht in de plooi te houden als Eva me vraagt hoeveel we nu moesten betalen. Vriendelijk groet ik de agent nog even, die alweer een volgende auto aan de kant heeft gezet. Hier begint de steppe van Kalmukkië. Een bord met boeddhistische tekens en een lotus heet ons welkom; hoog boven ons vliegt een groep pelikanen over. Een herder zit met zijn schapen naast de weg. Voor het eerst heb ik het gevoel dat we nu wel heel ver hebben gereden vanaf Nederland. De gelaatstrekken van de agenten en de herder zijn onmiskenbaar Aziatisch, ook al zijn we nog in Europa. De Kalmukken stammen af van de Oirat-Mongolen, die in 1607 de Wolga overstaken op zoek naar weilanden voor hun vee. Een deel keerde later terug naar Mongolië, een ander deel bleef in Kalmukkië. Tot Stalin de hele Kalmukse bevolking in 1943 naar Siberië deporteerde dan. Vanaf 1957 mochten ze weer terugkeren en tegenwoordig vormen de Kalmukken weer de grootste bevolkingsgroep in hun eigen republiek.

Bijna de helft van alle inwoners van Kalmukkië woont in de hoofdstad Elista. Daar omheen strekt de leegte zich in alle richtingen uit: Volgograd ligt op vijf uur rijden naar het noorden, Astrakhan op vijf uur naar het oosten, Stavropol op vijf uur naar het zuidwesten. Daartussen: niets. Nou ja, bijna niets. Een enkel gehucht onderbreekt kortstondig de eentonigheid, waarna de steppe ons weer opslokt. In Elista zelf schieten de nieuwe huizen en hele stadswijken als paddenstoelen uit de grond. Toch weerspiegelt de stad het op het eerste gezicht saaie karakter van de steppe die haar omsluit. Huizen zijn functioneel, niet mooi. De microrayons waaruit Elista is opgetrokken dragen geen namen maar nummers. In microrayon 9 eten we Kalmuks: sterk geurend schapenvlees in deegzakjes. Messen worden aan tafel niet gebruikt – niet in de restaurants althans. In de bestekla van ons appartement zijn ze evenmin te vinden.

Vlakbij microrayon 9 ligt Chess City. Van 1993 tot 2010 was multimiljonair Kirsan Iljoemzjinov de president van Kalmukkië. Als fervent schaker spendeerde hij miljoenen aan een extravagant hobbyproject: in een geheel aan het schaakspel gewijde stadswijk vond hier in 1998 de Schaakolympiade plaats. Daarnaast is Iljoemzjinov een groot liefhebber van Ilja Ilf en Jevgeni Petrovs hilarische roman De twaalf stoelen en in het bijzonder de fictieve zwendelaar Ostap Bender. Die het in het boek overigens flink aan de stok krijgt met een meute uitzinnige schakers. Een monument van Bender, compleet met twaalf stoelen, siert het Ostap Benderplein. Al met al een interessante persoonlijkheid, die oud-president van Kalmukkië, die trouwens ookclaimt door aliens te zijn ontvoerd.

Met een president als deze komen alle boeddhistische tempels ineens een stuk minder vergezocht over. De Burkhan Bakshin Altan Sume (de Gouden Woonplaats van de Boeddha Sjakjamoeni) wordt druk bezocht door gelovigen. De nieuwe choeroel is gebouwd in de stijl van Tibetaanse tempels, met kleurrijke muurschilderingen en een elf meter hoog Boeddhabeeld. Ook op andere plaatsen in de stad staan gebouwen die ons haast doen vergeten dat we nog in Europa zijn: de Zeven Dagen Pagode, oriëntaals ogende daken met drakenkoppen en een Lotusfontein op het centrale plein. Met daarachter een sterk contrasterend beeld van Lenin. Mozaïeken uit de Sovjettijd en de knallende muziek op de Kalmukse kermis bewijzen dat we wel degelijk nog in Rusland zijn. Een stukje Rusland met een erg ontspannen sfeer, waar Kalmukken en Russen gebroederlijk samen over straat lopen.

Even buiten Elista staat de oudste choeroel van Kalmukkië. De snel groeiende stad kruipt elk jaar dichterbij, maar vooralsnog ligt de Geden Sheddup Goichorling tempel geïsoleerd in de steppe. Buiten het klooster wapperen veelkleurige gebedsvlaggetjes tussen de stoepa’s. Binnen heerst een veel ingetogener sfeer dan in de nieuwe choeroel in het centrum van de stad. “Zdravstvoejtje,” groet een monnik in oranjerode pij fluisterend. Op ons na is er niemand. We verlaten Kalmukkië met een gevoel van innerlijke rust, maar niet voor we in een yurt vlakbij de tempel boterthee en kamelenmelk hebben gedronken.

Onderweg naar Astrakhan worden we nog twee keer aangehouden door de ДПС. Ze willen alle documenten zien, tot en met de Russische verzekeringspolis en ons internationaal rijbewijs, waarna we weer door mogen, без штрафа. Vijf uur lang rijden we over een wuivend groene steppe met wegspringende gele grondeekhoorns en bloeiende, roze saxaulstruiken. Af en toe zien we de opdrogende witte korsten van een zoutmeer. Vlak voor Astrakhan neemt de bebouwing toe en rijden we door de stoffige en vieze buitenwijken van de stad, voor we naar het zuiden gaan, in de richting van de Kaspische Zee. Hier mondt de Wolga, de grootste rivier van Europa, uit in een onafzienbaar netwerk van zijriviertjes, aftakkingen en kanalen. In de Wolgadelta zijn we te gast bij Marat in het dorp Chagan. Hij runt een soort hostel voor vissers, maar biedt ook kosteloos onderdak aan reizigers. Voor zijn zielenheil, zegt hij.

Het is druk bij Marat. Twee gezinnen uit Sevastopol op de Krim zijn op visvakantie in zijn illegale hostel. Met Ilva en Rune erbij zijn er nu zeven kinderen, die zich hier in de natuur geen moment vervelen. Verder komen de illegale geldwisselaar Denis en zijn vriend Viktor uit Moskou hier voor hun ontspanning: vissen en wodka drinken. We krijgen meteen een bord vissoep voorgeschoteld. “Het is bijna Pasen en dan vasten we. We drinken alleen water en eten brood,” vertelt Denis terwijl hij een wodka inschenkt. Met de theepot, die Viktor net heeft gevuld door er een fles in leeg te gieten. Op tafel staan augurkjes, varkensvet, ui en zout. Geheel volgens Oost-Europees gebruik staan er ook pullen bier op tafel om de wodka mee weg te spoelen, maar daaruit is aan het eind van de avond nog geen slok gedronken. Wel verschijnt de ene na de andere fles wodka op tafel. “Laatst hadden we een feest met z’n veertienen,” schept Denis op. “Toen dronken we samen 70 liter wodka.” Twee flessen bij het ontbijt wordt niet als buitensporig gezien. Ik hou het bij elf glazen en vind met moeite mijn bed. Kinderspel voor deze doorgewinterde drinkebroers.

Als ontbijt krijgen we pap en pannenkoekjes. En drie glazen wodka natuurlijk. “Russian tradition,” grijnst Viktor terwijl de volgende fles in de theepot verdwijnt. “Voor mij niet hoor. Ik drink nooit wodka bij het ontbijt,” zegt Pasja uit Sevastopol. “Ik ook niet,” probeer ik, maar dat wordt niet serieus genomen door Denis. “Nou vooruit dan. Давай!” legt Pasja zich erbij neer. Een fles later zitten we met z’n vieren in een motorbootje, op weg naar de ‘Russische Amazone’. Een moerasschildpad die gisteren voor de kinderen werd gevangen wordt weer vrijgelaten. Na een kwartiertje varen stappen we uit op een drassig stuk land. Paarden grazen in de groene wildernis waar Denis en Viktor elk jaar komen vissen. “Eigenlijk is het meer jagen,” vindt Denis. Met iets wat eruit ziet als een geïmproviseerd wapen met zeven vlijmscherpe punten sluipt het tweetal door het ondiepe water, speurend naar karpers en andere vissen. Geconcentreerd tuurt Viktor voor zich in het troebele water, erop lettend geen enkele beweging te maken. Dan stoot hij plotseling met zijn speer en haalt een bloedende vis naar boven.

“Is dat moeilijk?” vraag ik Denis. “Nou, makkelijk is het niet,” antwoordt hij. Toch hebben ze na een half uurtje al bijna tien vissen gevangen. “Wil jij het ook eens proberen?” vraagt Denis. Ik heb nooit de lol van vissen ingezien, maar zo lang je ze daarna ook zelf opeet heb ik er minder moeite mee. Denis geeft me zijn zonnebril om beter in het water te kunnen turen en bij de tweede poging is het raak. Goed, nu weet ik dat ik mijn eigen voedsel kan vangen als het nodig is. Leuk vind ik het nog steeds niet. Traditiegetrouw drinken we een paar glaasjes wodka na het vissen en daarna zwemmen we in Matoesjka Wolga. Het is ‘Russian tradition’ om er drie keer in te springen. En daarna uiteraard ook drie glazen wodka te drinken, leert Denis me. “Nu ben je een echte Rus!” zegt hij trots.

Denis is ook trots op Rune, die niet zomaar van hem aanneemt dat Rusland het grootste land ter wereld is. Rune houdt voet bij stuk dat Nederland groter is. “Een echte patriot!” glundert Denis, die met de schildpad een dag eerder al liet zien het hart eigenlijk wel op de juiste plaats te hebben. Nu stookt hij het houtvuur op voor de sauna, want helemaal een echte Rus ben ik volgens hem nog niet. Hij verwarmt de banja tot 60ºC – de kinderen mogen er eerst een tijdje in. Pas als die het mooi geweest vinden gooit hij meer hout op het vuur. “Jullie zijn dus in een Oekraïense sauna geweest? Leuk, maar een echte banja is dat niet. De Oekraïners vinden 100ºC warm genoeg. Wij gaan vaak tot 140ºC,” maakt Denis ons bang.

De thermometer wijst 104ºC aan wanneer Denis vindt dat we naar binnen mogen. Af en toe gooit hij water op de kokend hete stenen. Met eucalyptustakken wrijft hij onze rug in. Niet helemaal hetzelfde als afgeranseld worden met berkentakken, maar samen met de koude douche na elk verblijf in de banja wat mij betreft heftig genoeg. “Russian sadomasochistic tradition,” grijnst Denis. De rest van de avond eten we blini, met vlees gevulde broodjes en gerookte vis.

De volgende dag is het Pasen. We eten gekookte eieren, zoet Paasbrood en drinken wodka voor Denis en Viktor afscheid van ons nemen. Het is een treinreis van 26 uur voor ze thuis zijn in Moskou, maar naar Russische maatstaven valt dat best mee. “We drinken wat wodka, eten wat, drinken nog een glaasje, doen een dutje en – hé, we zijn er al!” lacht Denis. Ook van Pasja en zijn vrouw Tatjana nemen we afscheid, na nog een hele tijd over de Krim en Nederland gesproken te hebben. “Hoe kunnen jullie daar leven,” verzucht een hoofdschuddende Pasja vol medelijden wanneer we hem vertellen over alle regels binnen de Europese Unie.

Pasen is één van de belangrijkste feestdagen in Rusland en in Astrakhan zien we overal politie en zwaailichten. Achter het Leninplein met fonteinen en een monument voor de Oktoberrevolutie staan de maagdelijk witte muren van het Kremlin. Een processie van priesters en gelovigen in bontgekleurde kerkelijke kledij loopt statig langs de muren, op weg naar de uienkoepels en suikertaartkerk in de ommuurde oude stad. “Christus is opgestaan!” wordt er door megafoons geroepen, gevolgd door een gehoorzame echo uit de meute gelovigen die achter de optocht aanhobbelt. Het christelijke fanatisme en een verdwaalde Nederlandse grafsteen in het Kremlin voelen misplaatst aan na het boeddhistische Kalmukkië en de leegte van de Wolgadelta. Als een laatste stuiptrekking van het vertrouwde Europa dat we op het punt staan te verlaten. Voor ons ligt het onbekende.

Identiteit en transformatie
Onbeminde oorden (deel 1)

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*