Op vakantie in een bouwput

Albanezen zijn snel tevreden. Kijk, ik sta niet met mijn vinger op mijn horloge tikkend in de cockpit als het vliegtuig vijf minuten te laat vertrekt, maar ik ga er wel van uit dat de piloot het toestel met beide vleugels intact aan het eind van de rit op de gewenste landingsbaan parkeert. Voor de Albanese passagiers was dit zo’n onverwachte meevaller dat de veilige landing met een zittende ovatie (de riempjes mochten nog niet los) werd begroet.

Na tientallen jaren isolatie waren de inwoners van Albanië buitengewoon nieuwsgierig naar alles wat van buiten kwam. Na vijftien jaar vrijheid geldt dit nog altijd onverminderd, ook al mag er nu vrij gereisd worden (zover de portemonnee vol lek het toelaat, natuurlijk). “Waar komen jullie vandaan en waar gaan jullie dan heen en ook met dit vliegtuig en wat kost een velg van een vliegtuigwiel bij jullie?” Een klein Albanees meisje met zwaar Engels accent ging deze zomer met haar familie terug naar Albanië en had besloten haar reistijd te doden met het stellen van gemiddeld vier vragen per minuut aan ons.

Ja, wij geloven. In de Mercedes. (EH)

Wie ook mee vloog was passagier Hoxha. Voor degenen die nog net Albanië op de wereldbol aan kunnen wijzen maar wie zich grotendeels met gokken en bluffen door een geschiedenisquiz over het land moeten worstelen: Enver Hoxha was 41 jaar lang een soort van dictator in Albanië. Nu is ‘t ie niet meer zo populair, vanwege het land kapot maken en zo, maar in mijn verhalen mag hij een klein bijrolletje vervullen. Geschrokken keek ik om me heen om de reacties van de Albanezen te peilen toen passagier Hoxha naar de balie werd geroepen. Was dit hetzelfde als passagier Hitler verzoeken zijn vlucht naar Berlijn vooral niet te missen, of een vermanend woordje naar meneer Ceauşescu die de vlucht naar Boekarest vertraagt?

Zoals gezegd zijn Albanezen snel tevreden en ze lieten hun vakantiepret niet bederven door het noemen van de naam van deze boeman. Ook de ongeordende rij op vluchthaven Rinas kreeg de reizigers niet stil. De puinhoop leek enigszins aan regels gebonden door de verdeling tussen wachtrijen voor Albanezen en rijen voor buitenlanders. De verdeling bestond slechts op papier, want in onze rij stonden Albanezen met Engelse, Duitse en Italiaanse paspoorten. Ik schat dat meer dan 95% van de zogenaamde buitenlanders gewoon uit Albanezen bestond. Als rasechte buitenlanders konden wij met geen mogelijkheid tegen hun jarenlange ervaring voordringen-in-lange-rijen opboksen. Als allerlaatste passagiers kregen we een onaanzienlijke veeg in ons paspoort die voor stempel moest doorgaan en mochten we onze €10 entree betalen voor de kermis die Albanië heet.

“Dit is nu Albanië.” Misprijzend haalde onze taxichauffeur zijn neus op toen hij ons op het centrale plein van Tiranë afzette. Taxichauffeur, want de beloofde pendelbus vanaf Rinas reed niet meer en heeft eigenlijk ook nooit gereden. En met dat afzetten viel het ook wel mee. Zowel Edvin Parucca als Gillian Gloyer (over hen later meer) stonden achteraf versteld van de prijs die we voor onze rit hadden betaald. Waren wij er als toeristen die geen woord Albanees spraken – een makkelijke prooi voor oplichters als geldwisselaars en taxichauffeurs op de internationale luchthaven – erin geslaagd slechts €15 te betalen voor de rit naar Tiranë? De standaardprijs was €20 en dat betaalden zelfs normale Albanezen, voor zover die bestaan.

Beginnersgeluk misschien, en de rit was elke cent waard. We kregen namelijk een snelcursus ‘Hoe rijd ik auto in een bouwput’. Albanezen zijn zowel de slechtste als de beste chauffeurs van Europa. Slecht omdat hun rijstijl levensgevaarlijk is en elke medeweggebruiker als concurrent wordt gezien; goed omdat ze in deze eerst flink geschudde en daarna geopende doos van Pandora elkaar telkens op enkele centimeters weten te ontwijken en hun auto heel weten te houden. Mix tien Nederlanders in de Tiranese verkeerscaroussel en je hebt binnen een kwartier twintig ongelukken.

In Nederland schijnen we vroeger nog geen drempels te hebben gehad, maar kuilen. Dat is in Albanië nog steeds zo, maar daarmee houdt de vergelijking met ons land op. Zo betekenen stopborden daar dat je je hoofd naar een bepaalde richting moet draaien en gewoon door mag karren. Doorgetrokken strepen zijn er om de weg te versieren en toch nog een klein beetje verzorgd over te doen komen. En de claxon is er om te toeteren terwijl je inhaalt, om aan te geven dat je gaat inhalen, om aan te geven dat je zelf nu wel of juist niet ingehaald wilt worden en om voetgangers duidelijk te maken dat ze over mogen steken of dat ze nog even moeten wachten. Als een Albanees één auto-onderdeel mee op vakantie mocht nemen dan was het de claxon. Toegegeven, aan een losse knalpijp (uitlaat) of een stuur heb je niks, toch? Albanezen houden van toeteren; van ‘s ochtends vroeg tot midden in de nacht en in plaats van de tweekoppige adelaar had een claxon net zo goed de bloedrode vlag kunnen sieren.

Kom, marcheer voor het vaderland! (JS)
Nadat we ons van de eigenlijk voor situaties waarin politieagenten figureren maar desalniettemin omgedane gordels ontdeden, gingen we op zoek naar een goedkoop hotel. Dat kun je in elke Europese hoofdstad vergeten, zelfs als die hoofdstad Tiranë heet. In de afgelopen tien jaar was de stad gegroeid van 270.000 tot 500.000 inwoners. Of 1.200.000 – de schattingen lopen nogal uiteen. Dat laatste leek in ieder geval meer in de richting te komen. Hoe dan ook, Tiranë was als een kanker gegroeid. De wildgroei van illegale nieuwbouw had een enorm gebied opgeslokt en de stad volkomen onoverzichtelijk gemaakt. Vanuit het vliegtuig oogde Tiranë gigantisch, temeer daar hoogbouw alleen in een kleine ring om het centrum aanwezig was. De dorpen in heel Albanië liepen leeg en daar was – eerlijk is eerlijk – niemand blij mee.

Toch vonden we stinkend hol Kalaja en dat was voor een hoofdstad niet duur. Voor buitenlanders rekenden ze een speciaal prijsje – €35 voor een tweepersoonskamer. Halverwege onze tocht naar de uitgang was de prijs alweer gezakt tot het verwachte €20. Daarmee was de minuscule kamer – waar we niet in konden voor er een of andere oude opa uit werd gejaagd – goedkoper dan een nacht in het pas geopende Tirana Backpacker Hostel. Dat was eigenlijk niet de bedoeling, vertelde onze vriend Edvin ‘s avonds. Edvin en ik hadden al enkele mailtjes uitgewisseld en waren voornemens samen met Eva en Edvins vriendin Nevila door de bergen in het noorden te trekken.

Edvins vriend Ilir had een maand geleden samen met hem het eerste hostel van Albanië geopend. Vlakbij het centrum gelegen was het met zijn ruime kamers, keukentje, balkon, toeristische informatie, badkamers en wasmachine een unicum in het nog nauwelijks op buitenlandse toeristen ingespeelde land. Wat hadden we een spijt dat we al voor twee nachten hadden betaald bij Kalaja.

Voor we om acht uur ‘s avonds met Edvin en Nevila hadden afgesproken bij het standbeeld van Skanderbeg, fier met de kin omhoog op zijn ros zittend, de tweekoppige adelaar wapperend in de wind, hadden we nog kort tijd voor een eerste kennismaking met Tiranë. Het grootste plein van de stad kon maar matig beïndrukken. Skanderbeg was leuk, maar doordat de vlag halverwege de vlaggenstok verstrikt was geraakt bood de volksheld niet helemaal de ontzagwekkende aanblik die men voor ogen gehad moest hebben. Bovendien kon elke joker die het maar beliefde het op hoge rotsblokken geplaatste beeld beklimmen. Gelukkig telt Albanië minder jokers dan Nederland.

Achter Skanderbeg (eigenlijk heette hij Gjergj Kastrioti en was Skanderbeg zijn geuzennaam) prikte de fantasieloze minaret van de Ethem Bey moskee in de met smog verzadigde lucht. De oude klokkentoren liet ons weten dat we ook tegen achten nog geen verkoeling hoefden te verwachten in het stoffige binnenland van Albanië. Verkoeling was sowieso iets voor watjes, leek het mozaïek op het historisch museum ons te willen zeggen. Hitte, stof en smog; het zou de trotse Albanezen niet verhinderen als één volk over de brede boulevards te marcheren. Daar waren ze in de jaren ’20 of ’30 tenslotte voor aangelegd door de Italianen, die destijds nog verzot waren op fascistische parades. In de loop van de 20e eeuw was het paraderen meer overgegaan in flaneren: voor het vallen van de avondschemering gaat heel Albanië gewoontegetrouw de straat op om een blokje ouderwets te kuieren.

Hoogste tijd om te flaneren (EH)

Het was een drukte van belang, maar met mijn 1,91 meter en lange haren herkende Edvin mij onmiddellijk. Als verslaggever bij een televisiestation had ik Edvin op voorhand (tenminste lokale) faam en een knappe, langharige slet toebedeeld, maar de nieuwslezer kon ongehinderd over straat en vriendin Nevila was meer van het karaktertype: kort haar, bril, vegetariër en eigenwijs. Het tweetal nam ons mee naar Blloku. Tijdens het communistische bewind een afgesloten deel van de stad waar de elite van de partij woonde, beschermd door een eigen schietgraag legermachtje; nu de plaats waar het uitgaansleven van Tiranë zich afspeelde.

Bar na bar na bar, en wij stopten bij de enige alternatieve tent. De muziek was nog steeds bagger. Omdat Edvin nog geen vakantie had zouden we op 1 augustus pas naar Thethi in het noorden van Albanië reizen. Eerder had ik meneer de reporter al gevraagd hoe het zat met kamperen in het Balkanland. Al waren er nergens campings (in de legenda van onze landkaart stond dat een driehoekje ‘camping’ betekende, maar binnen de landsgrenzen was er geen enkel driehoekje te vinden), wildkamperen mocht overal en was nog veilig ook, behalve in het noorden. Ik wilde natuurlijk graag naar het noorden en Edvin vond dit tegelijkertijd onbegrijpelijk en intrigerend. Dat noorden, waar elke bergbewoner over een kalashnikov beschikte, was misschien nog best spannend.

Het idee om het beruchte noorden te bezoeken werkte aanstekelijk. Vrienden staken prompt hun hand omhoog om zich aan te melden voor de tocht door de Dinarische Alpen die volgens Gillian Gloyer niet zonder wandelervaring in soortgelijke bergen en/of kennis van de Albanese taal ondernomen moest worden. Gillian is de auteur van de tot op heden enige nuttige reisgids voor Albanië (Bradt) en had de trip zelf nog nooit gemaakt. Ze ging dan ook graag met ons mee, net zoals Ilir, die samen met een vriend Outdoor Albania had opgericht, waarmee hij allerlei trektochten, rafting, kayaking en zo’n beetje alle activiteiten organiseerde waaraan je moet denken als mensen voorafgaande aan je vakantie zeggen “Niks doen wat ik ook niet zou doen.” De zevende deelnemer naast Edvin, Nevila, Ilir, Gillian, Eva en ik zou Nestur zijn, een verlegen en goedgeluimde kerel met zonnebril en rossige sik.

Voor ons avontuur dienden Eva en ik ons nog vijf dagen te vermaken in Albanië. Als we door de Vervloekte Bergen over onbekende paden gingen lopen met achter elke steen een Albanees verscholen die ons ervan verdacht een oude vete te komen voltrekken, zouden we vijf daagjes in dit mysterieuze land ook wel zonder hulp overleven. Met de pullen Birra Tirana proostten we op onze gezamenlijke plannen. Het klonk verdacht veel als een niesbui. Gëzuar!

Balkanland in de lift
Droombestemming Albanië

1 Comment

  1. Hee Fiepke!

    ik vertrek donderdag naar Albanië en heb reeds een bedje in het hostel van Ilir gereserveerd, nog voordat ik dit las. Ik vrees dat ik voor mijn vertrek niet meer toekom aan verder lezen over jullie Albanese avonturen, zodat ik wellicht ter plekke lees dat hij een bloeddorstige misdadiger is die een hostel heeft opgericht om licht vadsige, ongeschoren, maar toch woest aantrekkelijke langharige Nederlandse mannen dood te martelen door hun lever tergend langzaam uit te lepelen met een zeer bot zilveren lepeltje dat hij van zijn overgrootmoeder heeft geërfd. Spannend hoor.

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*