Van mij hoeft het niet

Van Trenčín (Slowakije) naar Prachatice (Tsjechië) bleek verder dan we dachten. Althans, we moesten verder van de Tsjechische spoorwegen. Niet in een rechte lijn de grens over en via de verbinding Brno-Strakonice waarlangs we eerder oostwaarts waren gereisd, maar eerst naar Bratislava, dan naar Praag, dan naar České Budějovice, dan naar Číčenice en dan was je d’r nog niet. ‘s Ochtends om vijf uur op, ‘s avonds om half zeven in Prachatice.

De familie Smets, voor de gelegenheid bestaand uit ons pap, ons mam, ons Coen en Marie-Louise, bivakkeerde in een huisje in het gehucht Kralovice. We hadden Marie-Louise vantevoren maar even op haar mobieltje gebeld zodat we opgehaald zouden worden. Omdat we alleen de voicemail te pakken kregen hadden we die maar ingesproken. Wisten wij veel dat ze die nooit luisterde. Daar stonden we dus, zonder ophaaldienst en op weg naar een gat bij een dorp waar geen bussen meer heen reden zo laat op de avond (lees: half zeven).

Pas op Fiepke, je knie vat vlam (EH)

Lastig hè, als je geen keus hebt. We namen dus de taxi (of beter: taxi-bus) in de hoop dat we het financieel nog na konden vertellen. De Tsjechen bleken qua taxi-tarieven verrassend genoeg coulanter dan in veel andere zaken en voor nog geen zeven eurootjes werden we tien kilometer verder op de stoep (bij wijze van spreken) van het vakantiehuisje afgezet. Het huisje was alleen dicht, en de familie Smets was in geen velden, die er toch in overvloede waren, te bekennen. “Dan zal er op het terras wel een briefje liggen,” zei ik. Eva kijken, maar geen briefje te vinden. Ik kijken, staat er op het briefje dat ze naar Praag waren. Het kon wel eens laat worden. Onze klompen braken er haast van. Omdat we alleen een soepje en salade hadden genuttigd in Prachatice knorden de magen nog, dus gingen we tegen beter weten in op zoek naar iets wat op leven duidde in het minuscule gehuchtje. Eva stond erop de tassen onbewaakt achter te laten.

Al gauw – hoe kan het ook anders met drieëneenhalf huis om uit te kiezen – viel ons oog op een reclame voor Platan bier. Jawel, een heuse dorpskroeg in Kralovice! Binnen zaten in een klein lokaaltje naast een verlaten donkere zaal vier personen en een hond te kaarten; in de hoek zat een vijfde persoon op een zwart/wit scherm naar de Tsjechische Weekend Millionaire te staren. Zo goedkoop hadden we ze nog niet gedronken: de halve liters bier kosten hier maar elf kronen (0,35 euro), en ze hadden ook nog wat om te eten: zure, natte, roze worstje met witte stukjes waar Eva na één hap bijna van over haar nek ging.

Terug bij het huisje zagen we op vijftig meter afstand een bolle knakker in het hoge gras staan, maar de tassen lagen nog altijd onberoerd op de stenen. Het kampvuur laaide al metershoog toen de familie Smets eindelijk kwam aanzetten. Ze hadden verhalen genoeg over enge mannen in Prachatice die hen achtervolgd hadden, boze obers en slechte service. Over de koude, starre Tsjechische volksaard hadden ze ook het een en ander te vertellen, waar we ons volledig bij aansloten.

De volgende dag merkten we dat vakantie in een huisje toch heel anders was dan het kamperen en rondtrekken van de afgelopen weken. We hadden goed geslapen, konden onze kleren wassen en buiten in de tuin te drogen hangen, en we waren van alle gemakken voorzien. Nou ja, behalve dan achterin de auto, waar we met z’n vieren tegen elkaar gepropt zaten. Maar tegelijkertijd kreeg je door met de auto van het huisje naar het doel van de dag te rijden veel minder mee van het land zelf. Door onszelf af te sluiten van de Tsjechen (op zich geen slecht idee) gingen we op in de massa en werden we gewoon enkelen van de vele Nederlandse toeristen. Door het raampje van de auto zagen we het land nog wel, maar we proefden en voelden de cultuur en buitenlandse eigenaardigheden eigenlijk niet meer. En wat dat betreft kun je op vakantie gaan best vergelijken met meisjes. Die wil je ook niet alleen zien, maar het liefst ook proeven en voelen, hoe meer hoe liever.

Prachtig, van een afstand (EH)

Het ging wel als een tiet met die auto (waar ik ondanks het zakken voor mijn rijexamen nog lekker een stukje mee in de bergen heb gereden), zodat we tijd genoeg hadden om een kilometer of zestien door het Šumava-‘gebergte’ te wandelen. De Slowaken zouden zoiets geen gebergte durven noemen, maar de Tsjechen waren best fier op de heuveltjes van rond de 800 meter (ja, d’r waren d’r wel van in de 1300 meter, maar daar kon je met de auto niet in de buurt komen).

Drúk dat het er was! Op een gegeven moment zijn we maar van de gemarkeerde paden afgeweken, want er was geen lol meer aan. Midden in de bossen had de een of andere hanketiel een kanaal gegraven, afgebakend met zware steenblokken en liefst een indrukwekkende hele meter breed. Omtrent de economische voordelen tastte ik in het duister, maar er was heel wat volk op de been om dit architectonische hoogstandje te bezichtigen. Toch was het met z’n zessen goed wandelen en met z’n allen rond een kampvuur was een noviteit voor de familie. Ik had het trouwens sneller aan dan dat ons Coen het later uit kon plassen.

Een bezoekje aan Český Krumlov, een middeleeuws stadje dat door UNESCO als ‘world heritage’ is bestempeld en door iedereen magnifiek gevonden wordt, mocht op onze vakantie niet ontbreken, meenden we. Nou, blijf er maar mooi weg. Van het binnenstadje bleef door alle souvenirkraampjes weinig authentieks meer over. Ons Coen had nog het geluk tussen de illegaal nagemaakte voetbalshirts een schitterend shirt van Ballack van Die Mannschaft op de kop te tikken waar je mee thuis kan komen, maar verder waren de dertien in een dozijn winkeltjes waar je je benen over brak (figuurlijk dan) vooral erg vervelend.

De Tsjechen waren er verder trots op een paar beren in de slotgracht gegooid te hebben, waar onnadenkende (= in dit geval Nederlandse) toeristen ijsco’s naar gooiden. Het hebben van een slotgracht houdt meestal ook in dat er in het stadje een kasteel staat en Český Krumlov vormde op deze vuistregel geen uitzondering. Nooit eerder zag ik een burcht die aan de binnenkant zó lelijk beschilderd was. Op de muren waren stenen geverfd waarmee aan het geheel een onmiskenbare Playmobil-sfeer werd gegeven. De duizenden toeristen huilden van geluk bij het zien van zoveel pracht en praal, maar wij liepen snel door. Hier waren we snel klaar, zodat we tenminste genoeg tijd overhielden voor het hoogtepunt van de dag: het restaurant van hotel Koruna in Prachatice (uiteraard niet vermeld bij ‘where to eat’ in de Rough Guide).

Het lijkt altijd zo lang te duren in de stad (EH)

Na het nog een dagje rustig aan gedaan te hebben met wat wandelen, Prachatice – waar alle bezienswaardigheden net gesloten waren – en een praatje en drankje met de sympathieke Tsjechische familie aan wie het vakantiehuisje behoorde (maar hoe zeg je op een nette manier iets over de neus van hun zoon? Die zag er toch echt hoogst eigenaardig uit…), was het voor ons na een bezoekje aan supermarkt Flop tijd om naar Praag af te reizen. Omdat het moest. Vanaf hier vertrok onze trein terug naar Nederland. We kozen voor camping Dana Troja, met de tram één halte vanaf station Holešovice en niet vermeld in de Rough Guide. Alles was er dan ook perfect – de beste camping die we in Tsjechië tegenkwamen.

Praag zelf was wel leuk en aardig enzo, met z’n oude en mooie gebouwen, maar we hebben niks gezien wat het waard was om voor terug te gaan. Sterker nog, doordat we over de Karluv-brug hebben gelopen met al z’n prutskunstenaartjes en bijbaanmuzikantjes hoeven we niet meer naar Parijs, want daar kan de sfeer nooit veel anders zijn. Het bier was er te duur, de stad te groot en de toeristen te talrijk, maar ik vond gelukkig nog wel een mooi nep-ijshockeyshirt van de oude Sovjetunie (Mikhaijlov, rugnummer 13). Rood met CCCP erop, dus ideaal om tijdens de American football-trainingen aan te doen. Hij gaat vast niet lang mee, maar dat hou je toch met shirts van elf euro.

In vier uurtjes hadden we alles in Praag wel gezien. De camping maakte op ons een betere indruk. Pluspunt aan de Tsjechische hoofdstad was wel dat deze crowdpleaser met zijn vele typische stadstoeristen, die we tijdens het grootste gedeelte van onze vakanties gelukkig nergens tegenkomen, ons voorbereidde op het slag volk waarmee we de volgende dag in de trein naar huis zaten. In de trein maakten we een mooi hiërarchisch laddertje waarin we onszelf in alle bescheidenheid aan de top plaatsten, gevolgd door de rustige Duitsers waarmee we onze coupé vanaf Bad Schonau deelden. Een stukje lager kwamen de onbeleefde Nederlanders waarvan we gelukkig slechts met één enkel geïsoleerd individu zaten opgescheept aan het begin van de rit. Het is toch fijner reizen als de mensen je niet verstaan. Na de Nederlanders kwamen de Achterhoekers. Die waren alleen met elkaar aan het buurten in het gangpad, maar daarbij klonken ze al als een “stel mongolen” (quote Eva). De Achterhoekers tenslotte waren aan het klagen over het Zwitserse of Scandinavische (we kwamen er niet uit) sportteam, dat met niemand in de trein rekening hield. “Die lui sporen echt niet!” klonk het dan ook met onvervalste Achterhoekse tongval.

Samenvattend luidt de conclusie van Eva en mij dan ook als volgt: Tsjechië – negatief reisadvies. Slowakije – alleen als je veel van wandelen houdt en nog niet bent bedorven door de gastvrijheid van overig Oost-Europa. Volgend jaar gaan we weer gewoon naar Roemenië, waar nog wat onontgonnen en onontdekte plekjes wachten. Of we gooien het helemaal over een andere boeg en gaan naar Albanië, het Wilde Westen van Europa. Spanning en avontuur in plaats van door duizenden Nederlanders platgetrapte paadjes. De toekomst is veelbelovend.

Glamrock toernee met Negură Bunget
Groter, dus beter

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*