Op vakantie met de NSB

Noorwegen gaat op slot met kerst. Ryanair leek er dan ook een hard hoofd in te hebben die laatste tickets ooit van de hand te kunnen doen. Zijn er mensen eigenwijs genoeg om in december, met slechts enkele uren daglicht en een minimum aan voorzieningen, een reis naar Oslo te boeken? Vast niet, met de berucht hoge Noorse prijzen. De vliegmaatschappij deed ons de tickets praktisch cadeau. Wie koppig genoeg is om te gaan kan ook maar beter alles op voorhand tot in de puntjes regelen. Een caravan om vol aardappels te gooien hadden we niet, maar ruimtelijk inzicht wel. Onze vijftien kilo aan bagage en tien kilo handbagage wisten we op het vliegveld keurig te herproportioneren. Uit eten hoefden we alvast niet – niet dat er ook maar iets open was geweest buiten de hoofdstad.

Van vliegveld Oslo Torp in Sandefjord was het zo’n twee uur rijden naar Oslo, met al die plaatsnamen die we zo goed kennen op de borden langs de weg: Kristiansand (Carpathian Forest) de ene kant op, Haugesund (Einherjer) de andere. Naar Bergen (Enslaved, Burzum) was het nog een heel eind, maar eenmaal in Drammen (Koldbrann) kon Oslo (Solefald, Satyricon) niet ver meer zijn. Ja, Noorwegen stond in onze belevingswereld gelijk aan black metal, maar daar dachten de Noren zelf heel anders over. Metershoge kerstbomen vol lichtjes en glimmende, rode ballen sierden het hoofdkwartier van de NSB. De NSB heeft haar zaakjes aardig op de rails in Noorwegen, want zelfs met bevroren bovenleidingen reden de treinen van Norges Statsbaner met minder vertraging dan die van de NS. De vooraf geregelde treinkaartjes konden we op station Oslo S uitprinten, waarna we snel de stad in moesten, wilden we er nog wat van kunnen zien. Met kwieke tred ging het naar Akershus Slott, waar we op tijd waren om om half vier te genieten van de zonsondergang, uitkijkend over de Oslofjord.

Sneeuw en ijs (EH)

De middeleeuwse vesting Akershus is het enige mooie gebouw in het centrum van Oslo. Van de ene kant een beetje jammer, maar van de andere kant ook wel prettig. Je kunt jezelf de tijd en moeite besparen om lang in Oslo rond te blijven hangen. Liever vertrokken wij enkele uren later al noordwaarts, de koude tegemoet. Maar eerst dus Akershus, waar de gehele Noorse defensie zich geconcentreerd had. Tegenover een puddingkleurig kasteeltje vonden we gelukkig het echte werk. Kleine soldaatjes met een wespentaille paradeerden tussen de dreigende torens met de namiddaggloed op de achtergrond. Nu ik erover nadenk hebben speelgoedsoldaatjes ook altijd een wespentaille. Bij speelgoedsoldaatjes is dat te wijten aan de met testosteron opgeblazen borstkassen die daarboven zitten, maar deze soldaatjes waren gewoon iel.

Waar waren de stoere Vikingen? Niet aan het schaatsen, want een zamboni was net bezig het ijs te dweilen. Wat zou ik graag ooit dronken zo’n machine mogen besturen. Ook bij het Råthus was geen Viking te zien. Naast Akershus het enige markante gebouw in de stad moest deze lelijke blokkendoos, ingebouwd tussen de alomtegenwoordige hoogbouw, toch wat motieven uit de Noordse mythologie bevatten op houten panelen. Niks van te zien, maar het was dan ook al vier uur en Noorwegen was gehuld in duisternis. Zelfs in de etalages van een speelgoedwinkel waren het tovenaars, draken, ridders en piraten die strijd leverden. Oslo leek een Vikingverleden in alle toonaarden te ontkennen.

Na het optrekje van de baas van het land te hebben gezien (hij was niet thuis – er brandde althans maar één lichtje) ging het door de Karl Johans Gate naar de supermarkt. Nee, die naam haalde het niet bij de Niels Finsengoot. Færøer – Noorwegen: 1-0. Het betrof hier duidelijk geen voetbalmatch. Kerstverlichting alom, God Jul de eerste Noorse woorden die we leerden en het was een drukte van belang. Het leek wel koopavond, maar dat was het hier natuurlijk elke middag. De supermarkt levert een onverwachde lichtpuntje, na gedesillusioneerd langs een hobbywinkel en muziekzaak te zijn gelopen. True Norwegian Black Metal blijkt niet het nationale tijdverdrijf te zijn, te oordelen naar het standaard brei- en punnikgerei en hoewel Burzum, Darkthrone en Mayhem in de cd-zaak gewoon in de schappen lagen, kostten de plaatjes hier anderhalf keer zoveel als in Nederland. Rendierworst daarentegen, dat kennen ze bij ons bij de C1000 niet.

De place to be voor trollen (EH)

Voorzien van broodbeleg wipte ik nog snel even binnen bij de staatsslijterij. Vinmonopolet – wat is dat nu voor halfzachte, Franse naam? Dan liever de Rúsdrekkasølin Landsins. Twee punten voor de Færøer alweer. Een halve liter Noors speciaalbier kostte bovendien een whopping 65 NOK, wat me zelfs met een door de kredietcrisis sterk gedaalde kroon wat al te gortig was. Inderdaad, dit alcoholbeleid werkt. Vanaf het station bij luchthaven Gardemoen (het vliegveld voor mensen die meer dan € 60 voor een retourtje betalen) had ik er vertrouwen in dat ik deze week toch meer zin in warme chocomel zou hebben. Hier lag sneeuw op de perrons en het werd alleen maar beter. Na Hamar en Lillehammer stapten we om half elf ‘s avonds, zes uur nadat de duisternis haar intrede had gedaan, uit in Otta.

Ons hutje in de sneeuw was goed. De blåbærmüsli met perenkarnemelk als ontbijt was ook goed. Liften was niet goed. We wilden graag naar Høvringen om op ski’s het Rondane natuurpark in te klungelen, maar het transport wilde niet echt meezitten. Bussen reden er een dag voor kerst al niet meer. Auto’s wel, maar stoppen deden ze niet. Hadden ze dan wel ruimte om hier langs de weg te stoppen? Check – daar lag het niet aan. Waren we duidelijk zichtbaar? Check. Er was zelfs daglicht. Beste glimlach op de gezichtjes? Check. Zaten de auto’s niet te vol? Check. Gemiddeld één à twee Noren per auto. Was de bestemming wel haalbaar? Check. Hmmm – door steeds meer variabelen af te vinken kwamen we tot de niet zo prettige conclusie dat Noren gewoon botte plurken zijn. Zelfs de dag voor kerst laten ze je doodleuk in de vrieskou staan, zonder alternatieve reismogelijkheden. Na een uur klappertanden leek die truienwinkel die we in Oslo hadden gezien ineens een stuk minder stom. Een enorme winkel met alleen maar truien. Truien zijn True Norwegian. Zelfs black metalmuzikanten staan soms gekleed in een trui met alleraardigste motiefjes op foto’s in hun cd-boekjes. Zo’n warme trui is bij liften geen overbodige luxe, want solidair zijn met lifters is niet typisch Noors. Fijne kerstgedachte.

In de bergen boven Otta zorgde de sneeuw voor een prettigere gemoedstoestand. Overal vonden we diersporen: hazen, reeën en zelfs grotere afdrukken. Ook de vogeltjes sloten zich niet af voor ons bezoekers en raven lieten zich horen terwijl ze hoog in de lucht boven de vallei cirkelden. Terug in de hut probeerden we een theorie te formuleren over het liftprobleem. Misschien planden de Noren hun zaakjes gewoon erg goed. Erg ver van tevoren. Als wij hutjes en treintickets niet van tevoren hadden geboekt had onze vakantie in Noorwegen er ook heel anders uitgezien. En als je van tevoren plant dat je na 162 kilometer pauzeert en er staan na 150 kilometer twee lifters, dan stop je niet. Het is gewoon geen impulsief volkje. Onze knusse hut leek de theorie te onderschrijven. Het kamertje was exact even breed als de hoekbank. De slaapkamer was exact even lang als het bed dat erin stond. No way dat je meubels met die afmetingen vindt ná het bouwen van een hut. Dit was gepland; dit was met voorbedachte rade. De hut was om de meubels heen gebouwd en misschien planden Noren hun reizen ook wel zo grondig.

Waarom stappen jullie uit? (EH)

Eerste kerstdag. Onze theorie voorspelde weinig goeds voor een tweede liftpoging naar Høvringen, maar we gaven de Noren graag een nieuwe kans. Het was tenslotte kerst! En ja, er waren nog automobilisten onderweg naar familie, met een achterbank die er haast om smeekte door Nederlandse billetjes verwarmd te worden. Helaas, de Noren slaagden erin te doen alsof wij daar niet in de ijzige wind stonden. Kleine vlaagjes sneeuw stoven over de bevroren weg bij het passeren van weer een auto die zelfs geen beetje vaart minderde. Høvringen bleef onbereikbaar op slechts twintig kilometer van onze hut. Of het moest per taxi zijn – 550 NOK, keer twee. Ga er tenslotte maar vanuit dat terugliften niet magischerwijs wel veel eenvoudiger is. Tel daarbij de huur van twee setjes langlaufski’s en schoenen en je komt op een dagje uit van 180 euro. Nee, dank u feestelijk!

Mysusæter was te voet wel bereikbaar. De tolweg Mysusætervegen, een kronkelend weggetje uit 1850 waar niemand vandaag hoefde te zijn, was zowaar nog open voor gemotoriseerd verkeer. Niet dat er vandaag iemand van plan was twintig kronen in het aan de slagboom bevestigde bakje te doen. In dit winterse landschap waren wit en bruin de dominerende kleuren, maar het mooist waren de verschillende tinten helderblauw van de bevroren watervallen en gebarsten ijsschotsen op de Ula. Ook hier vonden we overal verse sporen in de sneeuw. Sommige daarvan liepen omhoog, het bos in. Na een steile klim stuitten we op de Kvitskriupresteine, een merkwaardig geologisch fenomeen. Erosie had hier een aantal fallusvormige objecten uit de aardkorst uitgesleten. Waren de ondefinieerbare sporen in de sneeuw misschien veroorzaakt door trollen? Volgens legenden vieren de trollen kerst in Trøllanes, in de bergen bij Dovre en vast op meerdere plaatsen. Wie weet voelden ze zich ook aangetrokken tot deze welhaast obscene natuurwondertjes.

De bergen van Rondane staken steeds prominenter af tegen de heldere hemel naarmate we Mysusæter naderden. Hoge, afgeronde toppen. Onbereikbaar, op een hoogte van meer dan 2000 meter. Wie geen ski’s had kon beter niet verder gaan dan Mysusæter, en dat deden veel families dan ook niet. Spelende kinderen, zoevende sleetjes en langlauftalentjes. En voor ons ver genoeg. Liften lukte hier ineens wel. Een grijze man met oude auto nam ons mee. Hoe goedkoper de auto, hoe groter de kans dat de bestuurder aan anderen denkt. Haarspeldbochten in de sneeuw – het leek gekkenwerk, maar de man navigeerde probleemloos over de ‘goede’ weg terug naar Otta, waar we opnieuw een lekker lange avond hadden. Best fijn, die Noorse winters. Zo krijg je een boek nog eens uit. En we hadden keus uit Noorwegen 1 èn Noorwegen 2 op tv. Een reclamespotje zette de Noorse gastvrijheid karakteristiek neer: Het meisje met de zwavelstokjes staat buiten voor het raam; haar laatste lucifer dooft. Het tragische beeld is de kerstvierende familie binnen niet ontgaan. “Er staat iemand voor het raam.” “Oh, ik doe het raam wel dicht.” De gordijnen worden gesloten; probleem opgelost.

Hadden we nu maar schaatsen (EH)

In de buurt van Otta hadden we het nu wel zo’n beetje gezien, dus het was maar goed dat we op tweede kerstdag weer met de NSB op pad gingen. Naar station Kongsvoll moest het gaan – een stationnetje waar de trein alleen op verzoek stopt. Tegenover ons in de trein sliep een tengere Noor zijn kerstroes uit. Aparte jongen. Baardje, muts met flosjes, koffer met doodskoppen, stropdas. Zijn vriend zag er niet veel stoerder uit. Waar zijn de Vikingen gebleven? Niet op station Kongsvoll. Daar was helemaal niemand. Kongsvoll ligt aan het Dovrefjell-Sunndalsfjella natuurpark. Een van de weinig plekken op de wereld waar muskusossen voorkomen. Kongsvoll Fjellstue, een 18e-eeuwse houten herberg vlakbij het station, deed dienst als informatiecentrum. Vragen waar we kans hebben de kudde te vinden was er niet bij, want het informatiecentrum bleek voorlopig nog wel gesloten te zijn.

Muskusossen, die zien we niet elke dag. Wij wonen tenslotte niet in Alaska of op Groenland. In Drenthe loopt heel wat vee rond, maar deze zwaarbehaarde en -behoornde gevaartes zijn toch een maatje groter. We besloten dat een kaart en actuele informatie niet strikt noodzakelijk waren en liepen het park in. Toch, actuele weersinformatie was wel van pas gekomen. De sneeuw lag hier niet kniediep, maar kruisdiep. Hoe hadden we dat moeten raden? In heel Noorwegen lag beduidend minder sneeuw dan normaliter deze tijd van het jaar, maar hier waadden we met moeite, stap voor stap, om vooruit te komen. Over een houten bruggetje, onder het spoor door, waarschuwingsbordjes over muskusossen passerend, maar dit is geen doen. Veel kans om de indrukwekkende dieren te zien hadden we achteraf ook niet. Dan kun je beter in de lente komen, wanneer de muskusossen in de dalen komen grazen. Op jaarbasis worden er dan zo’n drie of vier door de trein geschept. Beide doen niet aan uitwijken. Het is dan tevens schiet maar raak voor een knaak, want als een muskusos zich in jouw tuin waagt mag je ‘m afknallen. Tweehonderd meter en een half uur later zijn we bekaf. Toch, retrace your steps was zelden zo eenvoudig.

Nu konden we twee dingen doen: uren op station Kongsvoll wachten op onze trein later die middag, of langs de weg naar station Hjerkinn proberen te wandelen, vanwaar we ook terug konden. We hadden geen idee hoe ver het was – zeven minuten met de trein, dat wisten we. Langs de weg lopen was eenvoudig en het weidse, onherbergzame gebied dat zich aan weerszijden uitstrekte was schitterend. Niets dan barre verlatenheid. Jammer alleen dat Hjerkinn verder was dan we dachten. De hectometerpaaltjes tellen niet af tot de plek waar de weg naar Alvdal afsplitst, bij Hjerkinn, maar naar de gemeentegrens. Eenmaal daar hadden we geen idee meer waar we waren, of het nog ver was, of we het gingen halen voor de trein straks kwam. We waren gedwongen om te liften – en dat was ook hier geen pretje. Niemand wilde stoppen, ook al vroor het inmiddels 11 graden en stond er een wind die de gevoelstemperatuur nog wat verder deed zakken. Daarnaast begon het te schemeren.

De duisternis komt snel, zo noordelijk. Niemand leek zich ons lot aan te trekken en we begonnen het ondanks onze winterjassen, mutsen en handschoenen flink koud te krijgen. Blijven doorlopen was mijn devies, maar Eva zag het somber in. Tranen leken mij met deze koude niet verstandig, al had ik de zaken ook wel eens rooskleuriger ingezien dan op dit moment, nu we al drie kwartier liftten en liepen en Hjerkinn slechts een naam is; niet tastbaar is. Vol afgrijzen drong het beeld zich aan ons op dat Noren je best wel eens dood kunnen laten vriezen, hun schouders ophalend wanneer ze de volgende dag in de krant lezen dat er twee toeristen zijn overleden langs de weg en tot de slotsom komen dat het niet hun probleem is. Dat de Noren nu officieel onder de Tsjechen staan op onze ‘hoe-sympathiek-zijn-de-…-lijst’, is op dit moment geen aangename gewaarwording.

Na ruim drie kwartier kregen we eindelijk een lift. Langzaam keerde het gevoel terug in mijn neus en tenen, terwijl we over de ijsbaan helemaal tot Dombås mee konden rijden. De chauffeur beweerde dat Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse toeristen hulpeloos zijn op deze wegen. Die kunnen er echt niet op rijden met hun harde winterbanden. Zelf slipte hij maar één keer. Liever hulpeloos in een warme auto dan in de steeds kouder wordende nacht erbuiten, besloten wij. Volgende keer huren we een auto. Nu waren we blij met onze trein, die een spoor van blauwe vonken door de Noorse nacht trok. Bevroren bovenleidingen – bijna net zo mooi als het noorderlicht. Wij waren voorlopig gered en dat was meer dan van onze Senegalese treingenoot gezegd kon worden. De man vond reizen altijd leuk, maar hij zou blij zijn als hij het land weer uit zou zijn. In Noorwegen werd je als niet-Noor met de nek aangekeken. “It’s not Norway – it’s no way.”

Zelf zou ik geen 540° doen
Tenacious D in The Pick of Destiny

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*