Opmaat tot geweld

Met zo’n hotsende landing hoef je zelfs in Roemenië geen applaus te verwachten. Toen we het land eind vorige eeuw voor het eerst bezochten waren onverharde wegen en asfaltwegen vol diepe gaten de norm. Nu, bij ons elfde bezoek aan Roemenië, leidden keurig gladde wegen zelfs naar afgelegen bergdorpen en hoewel de oude landingsbaan van Cluj Avram Iancu International Airport deze week voor het laatst gebruikt werd, moest de piloot toch echt een andere smoes verzinnen voor zijn beroerde landing. Dat Roemenië verandert hadden we deze winter al gezien. Dat sommige dingen hetzelfde blijven ook. Net als toen had onze Dacia weer alleen een cassettedeck. We huurden onze auto dan ook weer bij de maatschappij die ons in februari probeerde af te zetten. Cluj is niet het vliegveld met de meest betaalbare huurauto’s, maar Caruno ging zowaar vrolijk in op mijn prijsvoorstel.

“Jullie hebben echt extreem veel geluk,” meende de eigenaar van Caruno. “Vorige week regende het vijf dagen aan één stuk door. Ik had je nauwelijks kunnen zien staan bij dat weer.” Nu was het stralend weer en dat zou het de hele week blijven. Onderweg naar onze vrienden in het Apuseni gebergte wilden we eerst naar de bergkloven van Cheile Turenilor en Cheile Turzii. Dertien jaar geleden verdwaalden we en kozen we de minst verstandige route door eerstgenoemde; nu was het de bedoeling dat hier meer mensen kwamen en was er zelfs een informatiecentrum voor toeristen. Of ja, het spandoek daarvoor was in ieder geval al af. De kloven bij Tureni en Turda verschillen als dag en nacht van elkaar: bij Turda lijkt het gebergte als door een bijl in tweeën gekliefd te zijn en loop je tussen 300 meter hoge rotswanden die je aan beide zijden insluiten. Bij Tureni loop je langs een diepe scheur in de aarde; langs een rafelige rand waar rotsen steil de diepte in leiden.

Herfstkleuren (JS)

Toeristen laten Cheile Turenilor vaak links liggen. Onterecht, want het gapende gat dat zich voor je ogen opent zodra je de laatste huizen van het dorp achter je laat is veel spectaculairder dan het platgetreden Cheile Turzii. Zeker in de herfst, met rozebottels, veenmollen en tikkertje spelende Hongaren bovenaan de kloof en een kleurenpracht van goudgele, oranje, rode, bruine, licht- en donkergroene bladeren aan de loofbomen die de bodem bedekten. In dit jaargetijde kon Cheile Turzii zich alleen van grote afstand bezien met zijn kleine broertje meten. Ooit hadden we twee volle dagen nodig om hier te geraken; nu waren we er in één ochtend. Ook anderen wisten de indrukwekkende kloof te vinden: het was optocht lopen over de gladde stenen.

Hoe lang we nog moesten rijden naar Pensiunea Scărişoara in Gheţari wisten we niet. De iPad berekende de gemiddeld haalbare snelheid op Roemeense wegen weer op 35 kilometer per uur. Ja, het waren slingerwegen door de bergen en het zou snel donker worden, maar zo traag ging het nu ook weer niet. Wel hadden we ons er al op ingesteld dat Edmond, Alina en hun drie maanden oude zoontje Edan er eerder zouden zijn dan wij. Uiteindelijk zouden we er anderhalf uur later dan afgesproken eindelijk zijn. Moesten zij ook eens wachten op ons, in plaats van andersom. Dat oktober alweer half voorbij was en de avonden steeds langer werden maakte de mensen hier niets uit: net als ’s zomers waren er nog veel Roemenen op straat. Vooral in Câmpeni, waar duizenden demonstranten met witte vlaggen met daarop ‘Salvaţi Roşia Montană’ zwaaiden.

Red Roşia Montană. Op Facebook had ik al enkele keren iets over het mijnstadje waar we drie jaar geleden waren voorbij zien komen, maar andere media leken in alle toonaarden te zwijgen. Niet vreemd, want ook de Roemeense televisiezenders zwegen als het graf, hoorden we. Overal in het land gingen al wekenlang duizenden demonstranten de straat op om te protesteren tegen de goudwinning met gebruik van cyanide door het Canadese Gabriel Gold. De straten in Bucureşti, Braşov, Oradea en Timişoara liepen vol met Roemenen die zich tot dusver zonder geweld inzetten voor het behoud van het milieu in deze streek die het door mijnbouw toch al zwaar te verduren heeft. Pas na twee weken kwam de eerste melding op de nationale tv: er zou sprake zijn van 200 demonstranten. Alleen in een kleinere stad als Câmpeni waren het er al drie- tot vierduizend. Demonstranten werden neergezet als extremisten door de Roemeense propagandamachine die op volle toeren draaide om een wit voetje te halen bij de Canadese en Amerikaanse investeerders. Toch leek de geest uit de fles en met spandoeken in Câmpeni, langs de weg en zelfs in de kleinste dorpjes broeide er iets onder de bevolking. Roşia Montană bleef de hele week onderwerp van gesprek.

Als je dan toch ergens een volle week moet zitten (EH)

In het donker beklommen we de met 15% stijgende, onverlichte weg vol haarspeldbochten naar het op 1100 meter hoogte gelegen Pensiunea Scărişoara. Het was er koud. De eerste sneeuw hadden ze dit jaar al gehad, vertelde eigenaar Dino die net terugkwam van de protesten in Câmpeni. Van Edmond, Alina en Edan uiteraard nog geen spoor. Om tien uur ’s avonds waren ze er eindelijk – drieëneenhalf uur later dan gepland – en kon onze tweede Roemeense kraamvisite dit jaar beginnen. De palinca smaakte goed.

Vooraf vroeg ik me af hoe ik dit vol moest houden, zes nachten op dezelfde plek met drie kinderen en Roemeense vrienden die het onmogelijk maken ook maar iets voor elf uur ’s ochtends te ondernemen. Als het dan toch rustiger moest dan meestal naar mijn zin is, dan was Gheţari hiervoor de aangewezen plaats. Op het water van de bron lag een dun laagje ijs en over de berijpte bergweides scharrelden kippen, knorrende biggetjes en gebochelde omaatjes. Waar haalden ze al die kromgebogen oudjes toch vandaan? Het was haast alsof we in een unheimisch sprookje waren gestapt: we waren nog maar net weg bij het vrouwtje dat de koeien zat te melken of er stapte vanachter een hooimijt een gebocheld omaatje vandaan, om achter de volgende weer te verdwijnen. Achter een rietgedekt huisje stond weer een ander oudje hout te kloven. Nevelslierten hingen laag tussen de dennebomen.

Terwijl Eva ziek op bed achterbleef liep ik met Edmond, Ilva en Rune naar de ijsgrot vlakbij het pension. Ik hoopte maar dat Eva niet open zou doen als een van de gebochelde vrouwtjes aan zou kloppen om haar een appel aan te bieden, maar toen ik me bedacht dat Eva helemaal niet van appels houdt was ik enigszins gerustgesteld. Onderweg naar de ijsgrot zagen we weer vooral oude vrouwtjes. De mannen stierven hier zo te zien een stuk jonger. Edmond vroeg een vrouw die tulnics verkocht of ze ook exemplaren van een meter of tweeëneenhalf verkocht. Zijn band Dordeduh weet steevast een mooie entree te maken bij concerten met deze Roemeense variant van de alpenhoorn. Natuurlijk konden ze dit regelen. Ik kon me achteraf wel voor de kop slaan dat ik niet had gevraagd wat zo’n fraaie toeter eigenlijk moest kosten.

De spion viel nauwelijks op (JS)

’s Middags ging het weer wat beter met Eva en reden we naar Peştera Poarta lui Ionele. Een grot bomvol kleine hoefijzerneusjes en Schreibers vleermuizen. Speleoloog in de dop Ilva vond het prachtig, met haar zaklampje voor ons uit rennend. Ook buiten de grot was het mooi, waar het strijklicht het bladerdek in honderden kleuren deed exploderen in de Cheile Ordâncuşei. In Roemenië verandert veel, maar sommige dingen blijven hetzelfde. Hier in het Apuseni leek men niet zo’n haast te hebben. Ja, de wegen waren een stuk beter dan toen ik hier twaalf jaar geleden voor het eerst kwam, maar er liepen nog steeds herders met grote kuddes schapen langs de weg, als jongeren aan het sms’en waren kon dat net zo goed vanaf paard en wagen, er stonden Moţihuisjes en hooimijten langs de weg en jongens hoedden hun koeien met zichtbaar plezier.

Begrijpelijk dus dat de bevolking zich hier zo boos maakte over de arrogante houding van Gabriel Gold, dat weliswaar de volksvertegenwoordigers uit de politiek met haar geld had weten te kopen, maar niet het Roemeense volk zelf. Roşia Montană lag slechts vijftien kilometer van Câmpeni, waar Dino gedemonstreerd had. Zodra er cyanide werd ingezet zou de zaak volgens hem escaleren. Geweld zou de logische vervolgstap zijn. De overwegend grijze bevolking had niets te verliezen – het zou niet onvoorstelbaar zijn dat hier doden zouden vallen.

Wat geweld kon ook volgens wereldverbeteraar Edmond geen kwaad. Dat ze hun vriend Cristi waren kwijtgeraakt door de onrust rond Roşia Montană was erg. Bij de rondleiding die hij ons drie jaar geleden in het mijnstadje gaf was al duidelijk dat hij zijn werkgever hoog had zitten en vooral op gebied van milieu minder vraagtekens zette dan wij. Dat de Roemeense regering de bevolking dingen voorspiegelde door middel van propaganda waar wijlen Ceauşescu trots op zou zijn geweest was erger. De kwestie Roşia Montană was hierin helaas geen op zichzelf staand incident, volgens Edmond en Alina. Gasboringen met bevingen tot gevolg werden genoemd, evenals de heksenjacht op zwerfhonden in Bucureşti. Op zich geen slecht streven iets aan dit probleem te doen, maar bedrijven die sterilisatie beloofden streken premies op zonder actie te ondernemen en na een vermeende aanval op een kleuter waren loslopende honden in de hoofdstad vogelvrij verklaard.

Het verhaal was gruwelijk, over een klein jongetje waarvan een meute zwerfhonden het gezicht afscheurde en dat later aan zijn verwondingen het leven liet. Probleem was dat het verhaal van geen kanten klopte, zo bleek uit journalistiek onderzoek. Mijn eerste reactie toen ik dit nieuws voorbij zag komen was iets van “Afmaken, die rotbeesten,” maar de zaak was weer eens minder simpel dan ze aan het oppervlak scheen. Behalve voor de kerk, welke opriep tot massale genocide van deze hellehonden die de straten van Bucureşti terroriseerden. Het was allemaal erg verwarrend voor mij, aangezien ik met zowel honden als de kerk weinig op heb.

Daarom stelt de iPad de gemiddelde snelheid op 25 km/h (JS)

Ze hadden in Roemenië duidelijk een groter potje voor propaganda gereserveerd dan voor onderhoud van toeristische infrastructuur. Gheţarul Scărişoara lag op de bodem van een vochtige, groen bemoste put. Krakkemikkige trappen leidden langs de steile wanden diep de aarde in. Onder de treden zagen we de resten van de half vergane, nooit opgeruimde trappen die toch moeilijk slechter geweest konden zijn dan dat waar we ons nu op staande probeerden te houden. De ijsgrot zelf was een waterige bedoening, zo laat in het seizoen. Plassen water stonden op de ijsvloer in de slecht verlichte grot. In tegenstelling tot de Montenegrijnen in het Durmitor Nationaal Park hadden de Roemenen wèl de tegenwoordigheid van geest de stalagmieten van ijs van het publiek af te schermen om dit unieke natuurverschijnsel te beschermen.

Soms vragen mensen me waarom ik Roemenië toch zo geweldig vind. Nu kan ik me levendig voorstellen dat een ijsgrot in West-Europa ook de moeite waard is. Je sluit aan in de rij, schuifelt langs al het moois, roept “Oeh!” en “Aah!” terwijl je op een keurig informatiebordje leest wat je ziet. Daarna drink je wat op één van de terrasjes en klaag je dat het wel aan de prijzige kant was allemaal. In Roemenië gaat het anders. Na rondgedoold te hebben in de grot en de gammele traptreden overleefd te hebben liepen we bovenaan de put Dino tegen het lijf. Of we een man met bril en bruine jas gezien hadden. “Nee,” zeiden Edmond, Alina en Eva. “Ja,” zei ik. Oh ja toch wel, wisten ook Edmond, Alina en Eva nu weer. Dino vreesde dat de man een spion was, ingehuurd door de goudindustrie in Roşia Montană. En daarom vind ik Roemenië zo geweldig.

De ijsgrot van Scărişoara is niet de enige ijsgrot in het Apuseni, en al zeker niet de enige grot. Met zo’n 400 grotten is het gebied een ware speeltuin voor archeologen. Zeven jaar eerder gleden we over een 25 kilometer lange modderstroom die per auto nauwelijks te navigeren was van Pietroasa naar Canton Glăvoi. Hemelsbreed nog geen tien kilometer vanaf het einde van de weg bij Gheţari, maar door de bergen (en met drie kleine kinderen) als beginpunt van verdere wandelingen voor ons te ver. Daarom reden we nu exact honderd kilometer om het hele gebergte heen. Een fijne asfaltweg ging tot vlakbij Canton Glăvoi, vanwaar we naar Lumea Pierduta liepen. Zonder Edmond, Alina en Edan. Het was voor onze Roemeense vrienden een tour de force geweest om al om elf uur ’s ochtends in de auto te zitten, maar die auto was onlangs helaas door Roemeense monteurs onder handen genomen. Dat mocht onderweg nog eens over.

Altijd parkeerplek zat op de Roemeense markt (JS)

Ilva had zich al dagen verheugd op de Verloren Wereld. “Er is niks te zien hoor,” had Edmond onze verwachtingen getemperd. “Alleen gaten in de grond.” In eerste instantie viel het Ilva inderdaad tegen, totdat Avenul Gemănata plotseling voor ons opdoemde. Uit het niets leidde een gapend gat hier naar het binnenste van de aarde. Eva had zich gaten van een meter breed voorgesteld, maar deze dreigende afgrond was veel groter. “Ja! Dit is precies wat ik me van de Verloren Wereld had voorgesteld!” jubelde Ilva. Verspreid over het plateau van Lumea Pierduta lag een aantal soms meer dan honderd meter diepe, verticale grotten aan de oppervlakte. Een op een boom geschilderd uitroepteken behoedde de wandelaar voor een ijzingwekkend lange val in de pikzwarte diepte. Na Avenul Negru keerden we terug in de hoop met onze vrienden de balkons van Cetaţile Ponorului nog te halen, maar laat het aan Roemenen over om naar een compleet andere plaats in het Apuseni te rijden.

Roemenen hebben met de simpelste dingen moeite. Bijtijds vertrekken, onthouden waar je hebt afgesproken, kinderen registreren… Na drie maanden stond Edan nog altijd nergens geregistreerd. Officieel moest dit, net als in Nederland, binnen drie dagen gebeuren. Of anders binnen vijftien dagen. En anders toch echt wel binnen een jaar. Ilva was helemaal verliefd op het kleine manneke en liet er geen traan om dat Edmond ziek achter bleef toen we over een authentiek Roemeense modderweg naar Casa de Piatră reden. Nu kon ze mooi naast Alina en Edan zitten op de achterbank. Je hoefde hier in het Apuseni geen honderd kilometer te rijden voor spectaculaire grotten. Vanaf het pittoreske bergdorpje, waar toch echt maar één stenen huis stond – en dan ook nog in half afgebouwde staat – liepen we naar Coiba Mare. Door een enorme ingang kwamen we in een diepe grot met verschillende duistere zijkamers. Dwars door de rotswanden heen hoorden we het dreunende geluid van een ondergrondse rivier.

Het bleef niet bij grotten, ijsgrotten, peilloos diepe verticale schachten en onderaardse rivieren. Bij de watervallen vlakbij Izbucul Tăuz vermaakte Rune zich door steentjes en takken in de rivier te gooien. Een rivier die uit het niets ontstond. Nou ja, niets – Izbucul Tăuz is een 87 meter diep, onnatuurlijk blauw meertje; een loodrecht de diepte in verdwijnende bron waarin een onderzoeker niet lang geleden op tachtig meter diepte een claustrofobische dood vond. Het maakt eigenlijk niet uit waar je in het Apuseni precies heen gaat en dat ik de Vârtop ijsgrot vandaag niet in kon was ik bij een vaasje palinca ’s avonds alweer haast vergeten. De ciorbă de fasole, mămăligă, sarmale en clătitele van Julia konden ook geen kwaad.

Țara Moților (JS)

Ook Andreas uit Noorwegen genoot van de sarmale en palinca in Pensiunea Scărişoara. Andreas had het goed bekeken: met zijn tour agency bestond zijn werk uit het touren over het Roemeense platteland, van het Apuseni tot de Maramureş. ’s Avonds dronk hij palinca met de locals en ’s ochtends krikte hij zijn Roemeense collega. “I would like a job like that,” las Edmond mijn gedachten. “I’m super happy with my job,” beaamde Andreas. Toch, op de Roemeense meisjes na kende ik het land zo te horen beter dan de Noor en ook op de laatste dag van onze trip was het een feest der herkenning. Onderweg terug naar Cluj bleek de toegang tot Huda lui Papară – net als zeven jaar geleden – nog altijd versperd te zijn, waren de belendende hutjes nog een tandje vervallener en de wankele wiebelbrug over de rivier die uit de grot stroomde dankzij het missen van menige plank een groot succes bij Ilva. Het nieuw getimmerde VVV huisje daarentegen zag er keurig uit, evenals het megalomane pension dat in Sub Piatră was verrezen.

Op de valreep wilde ik vandaag nog een berg oprennen. Zoals zo vaak vervloekte Eva me om mijn obsessieve drang telkens te willen zien of het na de volgende bocht, de volgende helling mooier zou worden. Eventjes mocht ik nog vooruit hollen voor we om zouden keren naar Sub Piatră. Het werd mooier. Zomaar ineens maakte het met bruine bladeren bedekte beukenbos plaats voor een weidse bergpas tussen Sub Piatră en Brădeşti, met adembenemende vergezichten over de herfstkleuren in beide valleien. Adembenemend omdat ik tot twee keer toe met Ilva op mijn rug het steile laatste stuk had beklommen, maar de verzameling Moţihutjes in diverse stadia van verval maakte dat ook Eva het de inspanning meer dan waard vond. Mos bedekte de ingezakte rieten daken, al leek de nederzetting niet geheel verlaten te zijn door de Moţi – een geïsoleerd levend bergvolk waar de gewone Roemenen schrik van hebben, volgens de Bradt gids. Een oude vrouw hoedde haar koeien tussen de hooimijten en een enkele hut stond nog fier overeind. We bleven voor de zekerheid bij haar uit de buurt.

“What are you doing here?!” vroeg een verbaasde bouwvakker in een terreinwagen die er misschien hetzelfde over dacht. Ja, koekenbakker, jij bent degene die hier naar eigen zeggen een ‘tourist village’ in de bergen bouwt – misschien kun jij het ons vertellen. We waren hier omdat het pastorale landschap van deze bergpas het mooiste stukje Roemenië was dat we deze week hadden gezien, nu nog ver van gebaande wegen en net zo authentiek als de markt in Albac waar we eerder vandaag doorheen reden. Dwars doorheen, want de Roemenen konden zich geen betere locatie voor een markt voorstellen dan aan, nee óp een kruispunt van twee doorgaande nationale wegen. Zo was het voor iedereen goed bereikbaar. Geiten, varkens in houten kisten, schapen, mititei, tweeliterflessen wodka en cognac, rare Moţhoedjes en niemand met haast om aan de kant te gaan.

Haast om naar Cluj te gaan hadden wij ook niet, met zoveel moois onderweg. Ilva en Rune waren duidelijk een stuk positiever dan wij over de grote stad. Eindelijk kregen ze weer eens eten met conserveringsmiddelen en smaakversterkers. Als uitgehongerde wolven verslonden ze de pizza’s in een pizzeria met typisch Roemeense ambiance, dat wil zeggen met de tv aan en de muziek snoeihard. Als je dan toch voor authentiek gaat… Bij de fontein aan de Bulevardul Eroilor – met discokleuren en klassieke muziek – hadden ze pret voor tien. Het was eind oktober en negen uur ’s avonds, maar we konden nog zonder jas buiten een ijsco eten. Wat een fijne herfst – al droegen sommige Roemenen ook bij 25°C oorwarmers. De R zat tenslotte in de maand. Haast hadden we sowieso niet deze week. Nooit eerder zaten we zo lang op dezelfde plek. Voor een keer was het prima, maar ik pak op een vakantie liever elke dag een andere boot, rij met alle liefde op en neer naar İstanbul of loop vol overgave in zeven sloten tegelijk. Met kinderen erbij zou dat nog kunnen, maar met Roemeense vrienden zit zoiets er niet in.

Killer Joe
Mama

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*