Overmoed

Wat is er gebeurd met alle regeltjes? Georgië is een vreemde eend in de bijt na de totalitaire regimes van de afgelopen maanden. We hebben geen visum nodig. Geen lastig te krijgen vergunningen voor afgelegen gebieden. We worden niet geconfronteerd met schimmige wissel- of spionagepraktijken en er zijn geen kledingvoorschriften. We hoeven zelfs onze auto niet te verzekeren, lachen de douaniers. De gevolgen van dit laissez-faire zien we direct: in het chaotische verkeer op de Georgische wegen is het zoeken naar auto’s met bumpers, ruiten zonder barsten en intacte verlichting.

We zijn vastbesloten zelf een poging te ondernemen onze bus de vernieling in te rijden. Vanaf het dorpje Lechuri, waar het asfalt ophoudt, is het 70 kilometer over een verschrikkelijk slechte weg naar Omalo, het eerste dorp in Tusheti. Een eigenzinnige regio die lange tijd in alles behalve naam onafhankelijk was, slechts bereikbaar is tussen juni en oktober en in 1985 besloot het best zonder elektriciteit te kunnen rooien toen de door de Sovjets geïnstalleerde masten het begaven. Een ruig en geïsoleerd gebied met hoge bergen en oude verdedigingstorens dat een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me uitoefent. Ik moet en zal erheen. Ook al weet ik dat de weg over de 2927 meter hoge Abanopas BBC’s The World’s Most Dangerous Roads heeft gehaald.

Bijkomende uitdaging is dat de Abanopas te boek staat als alleen geschikt voor auto’s met vierwielaandrijving. Navraag op internet leert me dat meer mensen dit als een uitdaging opvatten, al zijn er ook bij die stellig zijn in hun overtuiging dat we geen schijn van kans maken met ons busje en een verschrikkelijk risico nemen. De weg is in ieder geval geen aanrader voor mensen met hoogtevrees en er staan aardig wat kruisen langs de afgrond. Ik put hoop uit omschrijvingen van ‘a cliffhanger road – but it does seem possible with a 2WD if you have the driving skills’. Dat gaan we testen, al durft Eva pas nadat ik van onze vriend Daniel een gedetailleerde beschrijving van de route heb gekregen. Hij kent de weg, hij kent de risico’s en hij kent onze auto. “De eerste tien kilometer na Lechuri zijn het lastigst,” herinnert Daniel zich. “Grote rotsblokken waar je over rijdt en bijzonder steile stukken. Als je dit haalt, kun je de pas zelf ook over.”

Voor de zekerheid nemen we een Duitse liftster mee. Altijd handig als er geduwd moet worden. Johanna durft de tocht niet aan met haar eigen motor en is verbaasd dat ze zomaar een lift krijgt aangeboden voor een ritje waarvoor je normaal gesproken al gauw $80 betaalt. Makkelijk is het inderdaad niet, maar we doorstaan het eerste stuk en na een paar uur klimmen rijden we voorzichtig langs de eerste besneeuwde hellingen en een diepe afgrond naast de grindweg. Op de pas zelf ligt het kadaver van een koe in de sneeuw weg te rotten. We hebben het gehaald: hier begint Tusheti! Scherpe haarspeldbochten vol schuivend gruis leiden tussen muren van sneeuw de vallei in.

Net als ik me afvraag waar al die drukte voor nodig is, stuiten we in een bocht op een wild stromende rivier. Een 4WD die ons net passeerde, staat aan de overkant op ons te wachten. Een man stapt uit en gebaart waar we het water veilig door kunnen. Ik haal diep adem, geef gas en rijd de rivier in. Het is dieper dat ik dacht, maar met een uiterste krachtsinspanning trekt ons busje zich aan de overkant op het droge. Daar pas zien we dat een andere Georgiër klaarstaat met een sleepkabel en teleurgesteld weer afdruipt. Maar niemand heeft ons verteld dat het in Tusheti pas echt lastig wordt. Het heeft de afgelopen dagen flink geregend en de weg lijkt steeds meer op een rivier van modder. Rotsblokken en schuivend grind zijn lastig, maar tegen modder is ons busje niet opgewassen. Tot twee keer toe weten we ons met behulp van Johanna uit een modderpoel te bevrijden, maar wanneer we zien dat het alleen maar erger wordt, geven we het op.

We hebben Tusheti bereikt, maar wat kopen we daarvoor? Op één van de zeldzame plekken met een stukje gras naast de weg parkeren we de bus. Terwijl het steeds harder begint te regenen werken we aan plan B. Het is nog hooguit tien kilometer naar Omalo, waarschijnlijk minder. We laten de bus achter en beginnen te lopen. Een verstandige keuze: even verderop worstelen 4WD’s in de modderzee waarin de weg is veranderd. “We hebben er vier uur over gedaan om vanaf Omalo hier te komen,” verzuchten ze. Een vrachtauto glijdt achterwaarts de heuvel af. Te voet is het niet veel eenvoudiger. Als we na een uur in de stromende regen voortploeteren en een uitgeputte Ilva en Rune op onze schouders meezeulen, stopt er een auto voor ons. Lasha brengt twee Israëlische toeristen naar Omalo en heeft nog plaats voor ons vijven – als één van ons genoegen neemt met een staplaats op de trekhaak. Johanna vindt het prachtig. Ook Lasha rijdt zijn auto vast in de modder van Kvemo Omalo, maar met duwen hebben we inmiddels ervaring. Doorweekt en onder de modder bereiken we het guesthouse van de Israëliërs.

Lasha staat erop ons nog naar Zemo Omalo te brengen; het hoger gelegen deel van het dorp dat bestaat uit een verzameling versterkte torens. Ondanks de slechte bereikbaarheid weten toeristen Tusheti te vinden. En omdat omkeren geen optie is, weten ze bij de guesthouses wat ze kunnen vragen. Alles is duur in Zemo Omalo en daar krijg je weinig voor terug: een klein, benauwd kamertje in een oude verdedigingstoren. Met lekkend dak, geen glas in de ramen en zonder verwarming of haardvuur. De enige warmtebron is de kachel waarboven onze gastvrouw haar eigen bier brouwt en waar haar man en kleindochter warm proberen te blijven. De gereserveerde gastvrijheid van Tusheti valt rauw op de maag na de uitbundige ontvangst die we jaren geleden in Svaneti en andere delen van het land kregen. Het blijft bij één glaasje chacha bij het avondmaal.

Pas na een koude nacht zien we hoe mooi Omalo is. Langzaam doemt een cluster torens op uit de steeds dunner wordende mist. Na een steile klim sta ik voor een jvari, een heilige plek waar vrouwen (en wellicht ook toeristen, denk ik achteraf) niet mogen komen. Tussen de opgestapelde stenen liggen enkele flesjes chacha verscholen. Ik grijp de gelegenheid aan om een toast uit te brengen op de deze week overleden vader van onze vriend Wybren. Het is intussen prachtig weer, voor zo lang het duurt. De gedeeltelijk gerestaureerde verdedigingstorens vormen een onneembaar fort dat aan één kant uitkijkt over een diepe afgrond.

Met de buurman van ons guesthouse rijden we dieper Tusheti in, naar het dorpje Dartlo. Zijn 4WD worstelt met de modder, maar het uitzocht over Zemo Omalo is sprookjesachtig. De torens in Dartlo zelf zijn van een heel andere bouwstijl. Minder vierkant, eleganter, exotischer. Ook hier staan ruïnes van torens tussen steigers om gerestaureerd te worden. We kunnen klagen wat we willen over de toename van toerisme in dit Georgië en de zakelijke ontvangst die daarmee gepaard gaat, maar we dragen hier zelf aan bij en in deze afgelegen dorpen zien we hoe het binnenkomende geld de regio behoedt voor verval. “Tusheti is groot,” mompelt een stinkende herder met bloeddoorlopen ogen. “We hebben wel achttien dorpen!” Op de tast vindt hij de petfles chacha die naast zijn rechterhand op de grond ligt. “Maar ‘s winters is hier niemand. Er blijven nog geen twintig personen achter om voor alle koeien en schapen te zorgen. De rest trekt over de Abanopas naar Kvemo Alvani.”

Op de terugweg begint het weer te regenen. “Het weer is al de hele week waardeloos,” verzucht de Oekraïense Luda in het hostel in Kvemo Omalo waar we uitstappen. Het maakt Ilva en Rune niets uit. Op blote voeten rennen ze over de veranda en schommelen ze in de hangmat. “Komen jullie soms uit Nederland?” wijst Luda naar hun blote voeten. Overal waar we komen maken volwassenen zich zorgen dat onze kinderen kou zullen vatten, terwijl ze door leeftijdgenoten jaloers worden nagestaard. Luda is op bezoek bij haar Georgische vriendin en helpt bij de verbouwing. Echt vlotten wil het nog niet: de kamers zijn kaal, de verwarming werkt niet, de generator valt om de haverklap uit en om het toilethokje te bereiken moet je eerst twintig meter door de modder waden. Mistroostig staart Luda naar de stromende regen, tot het begint te hagelen en ze naar binnen loopt.

Bij mooi weer zijn de bergen van het tot de verbeelding sprekende Tusheti vast een aanrader. Nu lijkt het er wel op, maar het is het net niet: het is, ahum, too shitty. Daar komt nog bij dat we maar moeten zien of we er wel weg kunnen komen. Een paar geologen vertellen Eva dat de Abanopas wegens de slechte weersomstandigheden is afgesloten. Het is wel droog wanneer we ‘s ochtends vroeg de lange wandeling vanuit Omalo beginnen. Tot onze verbazing krijgen we een lift van mannen die naar hun kuddes schapen rijden en niet veel later zien we ons busje weer. “Zijn jullie daarmee tot hier gekomen?” vragen de Georgiërs met een mix van verbazing en respect. Maar nog voor we instappen zien we een tegenligger halt houden: “Draai maar weer om, de pas is gesloten!”

De eerste keer duwen is nodig om überhaupt weg te komen uit het drassige gras. Omkeren heeft geen zin. De modder achter ons is dieper dan tussen hier en de pas. De tweede keer duwen is door de modder, bergop. Glibberend en glijdend slinger ik over wat ooit de weg was. Zwetend, tot het uiterst gespannen en met witte knokkels aan het stuur manoeuvreer ik door het slijk, ternauwernood een derde keer duwen voorkomend als we met slippende banden net over een volgende heuvel weten te komen. En dan moet ik de bus stilzetten. De modder ligt nu achter ons. Een lawine van gruis en rotsblokken voor ons. De grootste rotsen rollen Eva, Johanna en ik met vereende krachten het ravijn in. Daarna scheppen we zoveel mogelijk weg, tot ik een poging wil wagen. Halverwege de puinhoop strand ik. Duwen haalt niets uit. Gelukkig kan ik nog teruguit. Nog meer wegscheppen? Misschien iets meer naar links mikken, waar de hoop minder hoog is? Of zit ik dan te dicht bij de afgrond?

Ik geef gas, voel stenen wegspringen. De bus schudt wild heen en weer en vertraagt. Net voor we stilvallen voel ik dat we naar beneden rollen. Niet het ravijn in, maar vooruit, voorbij de hoop stenen. De gletsjerrivier is dieper geworden. Eva waadt er doorheen om de oversteek te filmen. Maar zelfs dan zijn we er nog niet. Los gruis glijdt bergaf in elke haarspeldbocht. Twijfelen mag hier niet, vaart minderen evenmin. Ik durf me niet voor te stellen wat er gebeurt als we onvoldoende snelheid hebben om een bocht door te komen. Het is vol gas elke bocht in, bijsturen, omhoog over rotsen en hopen dat we het halen. Eva huilt. Ilva en Rune zitten nog altijd vol blind vertrouwen achterin. Ik heb het gevoel dat ik puur adrenaline uitadem. We zijn kapot als we de top van de pas eindelijk bereiken. De vering van de bus trouwens ook. Dit had ik voor geen goud willen missen.

Om de zenuwen niet verder te belasten, besluiten we te gaan wildkamperen in de Pankisi vallei. Sinds kort weer veilig, volgens de Bradt reisgids. Nee hoor – een onveilige regio met terroristische en criminele activiteiten, volgens het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De bevolking van de Pankisi vallei bestaat voor 75% uit Kisten (etnische Tsjetsjenen). Tijdens de Tsjetsjeense oorlogen rommelde het in de vallei, met trainingskampen van Al Qaida en laboratoria voor chemische en biologische wapens. Je zou het vandaag de dag niet zeggen. Toegegeven, de lokale jeugd loopt in rode Tsjetsjeense trainingspakken en ik durf niet helemaal uit te sluiten dat de mannen met hun woeste baarden en zonder snor nog altijd met Tsjetsjeense rebellen sympathiseren, maar tussen de moskeeën en landelijke huizen scharrelen eenden en ganzen vreedzaam over de stoffige zandwegen.

In het Batsura natuurreservaat, voorbij het laatste dorp van de vallei, parkeren we de bus bij een riviertje. We zijn niet alleen. In een tent niet ver van ons kampeert Rauli. Naast manager is hij imker – voor hem dus een bijbaantje – en hier komt hij tot rust. Rauli trakteert ons op bittere melkzwammen uit het bos en zelfgemaakte troebele, gele wijn. “In de bergen drinken ze chacha. Wij, in de valleien, drinken wijn,” vertelt Rauli. “Wijn is beter, want daar kun je veel meer van drinken.” Zelf houdt hij het meestal bij twee liter, maar je hebt er ook die vijf, zes liter wegtikken. “In de bergen kunnen ze niet goed tegen wijn. Daarvan stijgt hun bloeddruk te snel.” Vreemd genoeg blijven ze in de bergen dan weer zelfs na liters chacha gewoon overeind staan. Daar kunnen ze hier in de valleien nog wat van leren. Intussen blijft Rauli onze bekers vullen. De toasts zijn bondig. Hier wordt geen drinktijd verspild.

Met de batterij weer opgeladen willen we afmaken wat negen jaar geleden niet lukte: Shatili bereiken. Shatili is een nagenoeg onaangeroerd complex van vijftig verdedigingstorens, eeuwenoude huizen en gevlochten balkons in het heidense Khevsureti. Om er te komen moeten we eerst 160 kilometer over beroerde wegen rijden en de duizelingwekkende Datvisjvaripas oversteken. Het regent een beetje en helemaal vrij van modder is de weg niet. Vrij van rotsblokken evenmin, met gevaarten tot twee meter breed die de helling zijn afgerold. Je zult er net op het verkeerde moment rijden. Echt gerust is Eva er niet op, te meer daar de uitlaat er wel ooit beter heeft uitgezien en de vering geluiden maakt die vering niet hoort te maken. De eenzame toren van Lebaiskari verwelkomt ons aan de andere zijde, maar net als in Tusheti moeten we niet te vroeg juichen. Ook hier volgt het meest verraderlijke stuk pas na de pas, waar de weg vol diepe plassen staat en deels in het hoge water van de Arghuni is verdwenen.

“Er komen steeds minder toeristen naar Georgië,” probeerde Rauli ons wijs te maken in de Pankisi vallei, maar daar is hier niets van te merken. Toerisme is Shatili’s bestaansrecht. En net als in Tusheti wordt hier verbluffende architectuur gecombineerd met slecht gastvrouwschap. Waar we ooit lovend waren over de Georgische keuken is het tot dusver niet veel soeps na de auberginesalade, spinazie met walnoten en khinkali met koriander die we op onze eerste avond in Georgië aten. Toch heb ik nergens spijt van: Shatili is een omineus, antracietkleurig labyrint van torens, gangen en doorsteekjes; een dreigende citadel die aan de fantasie van Tolkien ontsproten lijkt.

De sinistere sfeer neemt alleen maar toe naarmate we de Tsjetsjeense grens naderen. Wanneer ik lage leistenen hutjes op een uitstekende klif ontwaar en op onderzoek uitga, word ik door de tralies van een klein raampje aangestaard door de holle oogkassen van een menselijke schedel. Op stenen beddenplanken rusten talloze beenderen; op de vloer is het een warboel van schedels en knoken. Dit is de necropolis van Anatori, een lugubere plaats waar choleralijders hun laatste dagen zonder water en voedsel sleten, ver weg van hun angstige dorpsgenoten.

Het valt niet mee om over de steeds slechtere weg Mutso te bereiken. De verlaten torenstad rijst hoog boven de snel stromende Andakistskali uit. Verder mogen we niet zonder vergunning, hoor ik bij een controlepost. Dit is grensgebied. Een tamelijk precair grensgebied bovendien, waar de Russische militairen ervan beschuldigd worden de grenspaaltjes met enige regelmaat 100 meter, 500 meter, soms een kilometer te verplaatsen. En wat kunnen de Georgiërs doen tegen het grote buurland met expansiedrift? “Zwijnen zijn het!” briest een Georgiër in Mutso die me meteen een glas wijn aanbiedt. “En ze doen het niet alleen hier. Nee, ook de grens met China en Japan wordt stelselmatig opgeschoven.” Hoe dat bij een eiland als Japan te werk moet gaan zie ik nog niet helder voor me, maar met deze wijn die verdacht veel naar chacha van een procent of veertig smaakt wordt het allemaal ook niet snel helderder. “Wat, 40%?! Honderd procent!” buldert de man terwijl hij een stuk khachapuri in mijn andere hand duwt.

Met een drietal Poolse wandelaars die in vijf dagen van Tusheti naar Mutso zijn gelopen, rijden we terug naar Shatili. De Polen stappen uit en vervolgen hun weg zonder ook maar een foto van de torens te maken. Onbegrijpelijk voor mij, hoewel ik ze stiekem een beetje benijd. Wie zo weinig vatbaar is voor hoogtepunten als deze, zal vast niet vaak in door toerisme verpeste plaatsen verblijven. Het is zaterdag, de Georgische zomervakantie is begonnen en Shatili verandert in een zigeunerdorp met gelal op straat, dronken chauffeurs en kijvende vrouwen. In ons guesthouse krijgen we de restjes van de vorige dag voorgeschoteld.

De ene na de andere marshrutka zwoegt de pas op als we de volgende dag naar het zuiden rijden. Het wordt druk in Shatili. Steeds luider rammelend rollen we de berg af. In Korsha zie ik dat één van de veren doormidden is gebroken. Van de plaatselijke zhipitauriverkoper hoor ik dat we voor de dichtstbijzijnde garage naar Zhinvali moeten, ruim vijftig kilometer verderop. Voorzichtig rijden we verder. We nemen de tijd, zoveel mogelijk kuilen ontwijkend in de tweede en derde versnelling, maar het ruwe wegdek maakt schokken onvermijdelijk. Opgelucht parkeer ik na een paar zenuwslopende uren voor een sjofel uitziende garage. Onze uitlaat wordt uitgedeukt, de bus opgetild, een wiel eraf geschroefd maar helaas, deze onderdelen hebben ze niet. Geld willen ze niet (“We hebben immers niets gedaan!”), maar als een tweede garage ons ook niet aan nieuwe veren kan helpen, beginnen we ons toch een beetje zorgen te maken. Wanneer hebben we voor het laatst een Volkswagenbusje gezien? Ruim anderhalve maand geleden misschien, in Rusland? Zes landen geleden?

De professionele brug van Paduri in Bodorna stelt ons enigszins gerust, ook al blijkt hier dat beide veren naar de gallemiezen zijn. “Dus met deze bus zijn jullie naar Tusheti gereden?” vraagt Paduri. Hij is onder de indruk. “Voor 50 lari rij ik met je naar de automarkt in Tbilisi, daar betaal jij de onderdelen en voor nog eens 50 lari repareer ik jullie bus,” stelt hij voor. Het is nog geen veertig euro. Belachelijk voor de rit van vijftig kilometer en de pure chaos van een complete stadswijk vol autowrakken, bovenop vuilcontainers gedumpte deuren en motorblokken, mannen met dikke buiken en gezichten vol smeer en bazaars met tweedehands onderdelen waar Paduri ons doorheen laveert. Niets is gecategoriseerd of aangegeven; nergens ontwaren we iets wat ook maar op een Volkswagenbusje lijkt.

Paduri moppert hoe langer hoe meer, maar het is hem zijn eer te na om de handdoek in de ring te gooien. Drie uur nadat we vertrokken zijn vindt hij na een tip twee veren op een bazaar. Nergens mag ik het woord doen of me zelfs maar vertonen. Paduri is bang dat ze dan veel te veel zullen vragen. De twee veren die hij uiteindelijk vindt zijn niet exact even groot en moeten samen honderd dollar kosten. “Veel te veel,” snuift Paduri gepikeerd, maar we hebben geen keus. Het zijn ook allemaal boeven hier in Georgië, met de corrupte regering voorop, meent Paduri. “Niemand werkt hier, behalve de politie. En pas alsjeblieft op voor al die beroerde chauffeurs en dronkenlappen hier op de weg!”

We komen niet ver met de nieuwe veren. De bus helt als een mank dier naar links, maar als we na een kwartier weer bij de garage zijn is alles al gesloten. We kamperen op een braakliggend veldje achter de garage. Voor de noodreparatie wil Paduri de volgende ochtend niets hebben. De schokdempers worden onder handen genomen en hoewel de bus nog altijd wat lager ligt dan we zouden willen, voelt alles nu wel beter. “Hiermee kom je thuis,” verzekert Paduri ons. Tijdens een proefritje naar de kerken van Ananauri aan het nabij gelegen groenblauwe Zhinvali reservoir, haalt de politie ons van de weg. “Gaan jullie naar Vladikavkaz? De grens is gesloten door een lawine.” De grens met Rusland is door Poetin hermetisch gesloten voor Georgiërs, waarna president Saakashvili de grens grootmoedig openhield voor alle Russen: “Jullie zijn hier allemaal welkom!” Nu mogen de Russische vrachtwagenchauffeurs ruim een week langer genieten van de Georgische gastvrijheid, voor de weg weer begaanbaar is.

Wij rijden de andere kant op, naar het zuiden. We hebben weer voldoende vertrouwen in onze bus en rijden door het stoffige Kvemo Kartli naar de grens met Armenië. Troosteloze industriestadjes en kraampjes met familieverpakkingen wasmiddel zijn voorlopig de laatste indrukken die we krijgen van Georgië; een land dat voor ons door het fors gegroeide en ongereguleerde toerisme een beetje van zijn voetstuk is gevallen. Helemaal afschrijven willen we het land nog niet. Daarvoor zijn de verdedigingstorens en de ongerepte berglandschappen van de Kaukasus te indrukwekkend. Daarvoor waren Lasha, Rauli en Paduri te goed gezelschap. Georgië zal bovendien snel genoeg een herkansing krijgen. Maar eerst lonkt Armenië.

Дурак
Goede mensen en botte plurken

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*