Probleemloos rijden in een Dacia

Roemenen zijn goed in hun sokken hoog optrekken onder hun korte broek, niet in het maken van een waterdichte tijdsplanning. Met niet bar veel dagelijkse treinverbindingen tussen Timişoara en Alba Iulia voor ons een reden toch eens voorzichtig te polsen hoe Mufi de reis dacht aan te pakken. In overstappen had meneer geen zin. Arad was maar een half uur rijden, dus moest Gabi maar weer op komen draven met zijn Mercedes. Die was er uiteraard nog niet op het afgesproken tijdstip, maar daar had Mufi rekening mee gehouden, verkondigde hij trots. Of hij ook op de ochtenddrukte en de noodzakelijke tankstop was voorbereid bleef lange tijd onduidelijk, al werd hij zichtbaar nerveuzer.

Een enorme boog wenste ons ‘drum bun!’ bij het uitrijden van Timişoara. De wegen waren hier helemaal niet slecht en in theorie zelfs tweebaans. In de praktijk bleef iedereen links rijden en werd er rechts ingehaald wanneer het kon. Het kon op die plekken waar geen vrachtwagens op de rechter rijstrook geparkeerd stonden. Op station Arad stond de trein al vertrekklaar, maar het moet gezegd: deze planning was heel aardig doordacht. Eens temeer pinkte Gabi een (denkbeeldig) traantje weg bij ons afscheid.

In Alba Iulia werden we opgehaald door Cristi, een vriend van Mufi. Met een echte Dacia! Zo één die aan alle kanten rammelt, waarvan de motor om de haverklap afslaat en waarvan de banken tot onder de bodemplaat doorzakken. Cristi zou ons naar een archeologenkampje bij Piatra Craivii brengen. Volgens de reclame (mailtjes van Mufi) op een bergtop en in een pastorale omgeving gelegen. Cristi zelf kon ik maar moeilijk in dit idyllische plaatje passen. Door een kronkelende vallei reden we weg van de stad, met een grote boog naar een spitse bergtop die we al vanuit Alba Iulia de hemel in zagen steken. In een riviertje zwommen zigeuners, de autoradio’s waaruit manele schalden vol opengedraaid. Overal kampvuurtjes, en afval meenemen ho maar.

Heeft er iemand ijzerdraad? (EH)

“Gypsies!” riep de met zijn gevlochten staart en rossige baard olijk ogende Cristi. Zijn stem sloeg haast over van het enthousiasme waarmee hij zijn volgende uitspraak gepaard liet gaan. “Kill ’em all, haha!” Jaja, ik mag graag politiek incorrecte uitspraken doen, maar moest erkennen in Cristi mijn meerdere te hebben ontmoet. Naarmate de weg hobbeliger werd en de stenen die erop lagen steeds groter werden, waagden de zigeuners hun auto’s er niet meer over. Cristi wel, want een Dacia is sterk. Zo niet de uitlaat, die er na een venijnige botsing met een uitzonderlijk grote steen in zijn geheel onderuit viel. Doodse stilte in de auto en bedrukte gezichten, tot ik riep dat ik een foto ging maken. Cristi kon er zowaar om lachen.

Volgens Volkskrantmedewerker Olaf Tempelman zijn Dacia’s ideale auto’s. Alles wat er stuk aan gaat (en er gaat vaak wat stuk) kun je zelf repareren met ijzerdraad en palinca. Palinca, dat had Cristi wel, maar om een uitlaat aan een auto te bevestigen heb je ijzerdraad nodig. IJzerdraad kom je in Roemenië overal tegen, las ik in het artikel over de Dacia. Aan telefoon- en elektriciteitspalen, en verboden dit en dat bordjes worden er ook al mee opgehangen. Meneer Tempelman heeft makkelijk praten. We waren de bergen inmiddels zover ingereden dat er nergens telefoon- of elektriciteitspalen meer stonden, en hier werd niets verboden want er was geen hond die erop toe zou zien dat de regels werden nageleefd.

Zo goed en zo kwaad als het ging hielp ik Cristi de uitlaat enigszins weer in positie te manoevreren, waarna ik op honderd meter van de Dacia toch een stuk ijzerdraad vond op het bergpad. Erg stevig zag de constructie er niet uit, maar Cristi kon met onze rugzakken tenminste bergop verder (dat was volgens hem een beter plan dan dat wij ze droegen en hij naar een garage reed). Zelf liepen we de laatste vier kilometer naar het punt waar Cristi onze tassen had achtergelaten. Hier stond Tutu, een kale dertiger met bril, om ons te laten zien waar het kamp was.

“Lang en makkelijk of kort en zwaar?” vroeg Tutu, kort van stof. Het zou on-Roemeens zijn niet voor de shortcut te kiezen. Op aandringen van Mufi ploeterden we even later steiler omhoog dan gezond was. In de brandende zon was het voor Eva, met barstende koppijn, ondoenlijk. Met een onredelijke toon bereikte ze in ieder geval dat Tutu haar rugzak overnam. Langs een herdershutje en dwars door een vervaarlijk hellend bos bereikten we een open plek. We hadden al een tijdje geen weg of pad meer gezien, maar Tutu kende de omgeving en volgens hem was het na het afgelopen kwartier op het tandvlees nu niet ver meer. Na de shortcut krap een uur gevolgd te hebben zagen we vanaf een bron het tentenkamp onder ons liggen.

Inderdaad, daar wil ik mijn tent opzetten (EH)

Geen moment te vroeg, want het begon te regenen. Tutu’s vriendin Teodora verwelkomde ons met kommen soep (ciorbă!) en een papje waar hondenbrokken in leken te zitten. Eva at het uit beleefdheid op en mij smaakte de bruinachtige brij best na zo’n wandeling, maar Mufi en Alina bedankten en aten liever een reep chocolade. Teodora was een typische Roemeense: knap, ze kookte en waste af zonder te morren, ze rookte sinds haar twaalfde en was stronteigenwijs. Toen we voorstelden haar te helpen met de afwas keek ze ons met grote ogen aan. Schamper lachend verklaarde ze dat wij toch wel de raarste snuiters waren die ze hier over de vloer had gehad. En dat niet bij gebrek aan concurrentie.

Ze noemde enkele Tsjechische toeristen die zonder aankondiging ineens midden in het kamp stonden en een nogal verdwaasde indruk achterlieten. De Canadese jongen die het “Jawohl, mein General!” en de Duitstalige bevelen van Cristi prachtig vond. De luie Engelse die hele dagen op haar reet in de eettent doorbracht en alles aan liet dragen. Ze nam niet eens de moeite een smoes te verzinnen om het brood niet te hoeven snijden toen Teodora daar om vroeg. Ze had er gewoon geen zin in. Of de Amerikaanse die alles “diesgùùùstieng!” vond. Mămăligă was diesgùùùstieng, palinca was diesgùùùstieng en ze zou haar geluk niet op kunnen als ze dit rotland eindelijk uit was, want Roemenië was diesgùùùstieng. Waarom ze er dan heen was gegaan bleef voor iedereen een raadsel. Misschien naar aanleiding van die South Park aflevering waarin Roemenië “the arsehole of the world” wordt genoemd; “an armpit of a country”.

Maar goed, dit alles waren slechts komische anekdotes in vergelijking met ons, aldus een nog altijd gniffelende Teodora. “Helpen met afwassen en vragen of je iets kunt bijdragen voor het eten,” lachte ze Eva in haar gezicht uit. “Die onthoud ik. Daar moet ik ooit over schrijven!” Omdat de kampeerbeesten Mufi en Alina geen zin hadden in kans op nattigheid hadden ze hun tent inmiddels in de eettent opgezet. Zoiets vond Teodora wèl normaal en ze ruimde alle uitgestalde prehistorische potscherven op om plaats te maken voor onze tent. Bijzonder nutteloos, vonden wij, maar nu ze alles al had schoongemaakt leek het ons onbeleefd te weigeren. Ze zou ons vast nog gekker gevonden hebben als we onze tent gewoon buiten hadden opgezet, dus vooruit dan maar.

Zodra het ding stond vroeg Teodora of ik klaar was om te gaan. “Natuurlijk,” antwoordde ik hulpvaardig, al had ik geen idee wat er van me verwacht werd. Als mannen moesten Tutu, Mufi en ik de berg af om Cristi en consorten op te halen. Het begon zachtjes aan al te schemeren en echt gecharmeerd was ik niet van dit plan. Binnen een half uur zou het donker zijn en de tocht naar boven had daarstraks bijna een uur geduurd. De bekentenis van Tutu dat hij de tocht nog nooit in het donker had ondernomen was ook niet echt een geruststelling. Leuk zou het sowieso niet worden, een wandeling met hem. Zelfs vriendin Teodora vond hem vaak een vervelende vent. Ik zou in ieder geval even geen last hebben van het geruzie van dit stel, want of het nu om het weer, de richting van waar Cristi zou komen of wandelen ging, elk gesprek vond meer schreeuwend tegen dan pratend met elkaar plaats.

Bronnetjes in het Huilende Bos (EH)

In de schemering had Mufi de grootste moeite Tutu’s beulstempo in een rechte lijn de berg af bij te houden. “Hij is drummer – hij heeft sterke benen!” grapte Cristi vaak over Mufi, die niet zo lichtvoetig is als de moeflon waar hij zijn naam aan dankte. In de buurt van enkele bijtgrage herdershonden was zelfs Tutu voorzichtig, maar schuifelend passeerden we ook dit gevaar en na het doorwaden van een klein stroompje bereikten we Cristi, waar Tutu prompt ruzie mee kreeg. Waarschijnlijk omdat Cristi brood zou kopen en dit er nog niet was geweest bij het avondeten. Een halszonde in Roemenië. De Dacia had het de hele weg naar het dichtstbijzijnde dorp volgehouden zonder dat de uitlaat er opnieuw was afgedonderd. Dit onverhoopte succes had Cristi doen besluiten dat de auto ook verder kon naar Alba Iulia, waarna hij ermee terug was gereden de vallei in. Hij kon later altijd nog naar een garage.

Inmiddels was het echt donker geworden. Het groepje dat Cristi mee had gebracht droeg zijn bagage niet helemaal in grote rugzakken zoals wij, waardoor ik met twee zware plastic tassen de berg op mocht. Er moest regelmatig gepauzeerd worden. Water hadden we nauwelijks, maar er werd toch vooral palinca gedronken. De shortcut die we ‘s middags hadden gelopen was nu geen verstandige route – dat zagen zelfs de Roemenen in. Helaas werd er gekozen voor een benadering die het midden hield tussen de meest logische oplossing zoals die door rationeel denkende mensen geopperd zou worden (de langere, eenvoudig te volgen weg) en de Roemeense variant (Shortcuts! Altijd shortcuts!). Als compromis werd de shortcut pas genomen nadat we de langere weg al een tijdje gevolgd hadden, op een punt waar Tutu en Cristi dit nog niet eerder hadden geprobeerd.

Een half uur later liepen we hopeloos verdwaald ergens in een bos door dorre bladeren te ploeteren. Een pad was er niet, we liepen eenvoudigweg bergop. Met twee kleine zaklampjes hadden we moeite de groep van zeven personen bijeen te houden. De tassen begonnen venijnig in mijn vingers te snijden. Toegeven dat we verdwaald waren wilden Tutu en Cristi niet, maar toen ze zonder waarschuwing afzonderlijke richtingen insloegen vond ik dat wederom geen goed teken. We volgden Cristi, die af en toe iets uit volle borst riep in de hoop iets uit het kamp terug te horen, door een veld van distels en brandnetels. We waren al veel langer dan een uur aan het ronddwalen.

Cristi hield de moed erin door af en toe “Jawohl, mein General!” te roepen en vertelde over zijn fascinatie voor het Duitse leger uit de Tweede Wereldoorlog. Als archeoloog was hij geïnteresseerd in geschiedenis en met name in legers. Iedereen had het altijd maar over Alexander de Grote, maar dat Duitse leger zat pas echt mooi in elkaar. Het leek alleen een taboe te zijn om dit te opperen. “Net zoals je niet zegt: Ik houd van honden, net zoals Hitler?” vroeg ik. Zoiets ja, lachten de Roemenen. Geen waardeoordeel eraan verbinden, alleen erop wijzen dat het leger qua structuur en organisatie uitstekend in elkaar zat. Akkoord (met Cristi’s uitleg – het Duitse leger kan me, zoals elk leger, gestolen worden), maar waarom had Tutu dan ‘Soldatenlieder’ op zijn mp3-speler? Grappenmaker Cristi kwam op mij toch wat sympathieker over, ondanks zijn stellige uitspraken over zigeuners en voorliefde voor jazz.

We bereikten een modderig pad, waarna iedereen zichtbaar minder gespannen was. Cristi had het pad namelijk herkend. We waren per ongeluk helemaal om de berg heen gelopen en hoefden nu alleen maar twintig minuten het pad te volgen. Eva was erg opgelucht toen we rond middernacht bij het kampvuur neerploften. Teodora ook. Terwijl ik voorzichtig mijn vingers weer probeerde te bewegen vertelde Eva me de verhalen die ze van Teodora had gehoord. Het bos waar we net in ronddoolden stond bekend als het Huilende Bos. Hoe goed je het ook dacht te kennen, het bos veranderde steeds weer haar gezicht waardoor iedereen er gevaar liep te verdwalen.

Lang, lang geleden was er nog geen bos, alleen een kale berg. Aan de voet van deze berg woonde een vrouw met genezende krachten. Velen bezochten haar met botbreuken en verschillende ziektes en kwalen. Ze genas iedereen, maar nam nooit geld aan voor haar diensten. In plaats daarvan vroeg ze hen die om hulp kwamen een boom te planten. Na vele jaren was aldus een heel bos ontstaan. Toen jaren later, na het overlijden van de vrouw, mannen het bos introkken om bomen te kappen, veranderde het bos in een mensen vijandig gezinde plaats. Zelfs Tutu en Cristi, die hier toch jaar in, jaar uit kwamen, waren vandaag verdwaald. En zo was het één van de meisjes een week eerder ook vergaan. Zes uur lang was er geen spoor van haar te vinden en reageerde ze niet op de wanhopige kreten van haar kampgenoten. Iedereen was naar haar op zoek, maar het was een herder die haar aantrof. Het meisje wist niet meer wie ze was en waar ze was nadat ze na een val buiten bewustzijn was geraakt.

De afgelegen plek leende zich uitstekend voor het vertellen van spannende verhalen, zeker nu we met z’n allen veilig bij het warme vuur zaten. Ik was blij dat ik voor eventjes geen deel uitmaakte van de verhalen, nu ik heelhuids uit het bos was teruggekeerd. Morgen zouden we er weer door moeten op weg naar de Dacische offerplaatsen op Piatra Craivii. Het bos sloot onze kampplaats aan alle kanten in.

Verhalen
Roemenen, een luidruchtig volkje

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*