Radioactief, dus gezond

Zouden ze echt gewild hebben dat ik stopte? Ik hoopte van ganser harte van niet, maar met Kosovo op een steenworp afstand was ik er geenszins zeker van. ‘Stop – militsia’, stond er, en daaronder een bordje waarop te lezen viel dat ik hier tien kilometer per uur mocht. De twee agenten leken evenmin als ik in staat snel te beslissen hoe er nu gehandeld diende te worden. Met een pakje chocomel in de ene hand, een grote boterham in de andere en de Golf in de vierde versnelling viel snel reageren niet mee en scheurde ik door in de richting van de grens.

Voor we de voor ons opdoemende bergen bereikten sloegen we echter af naar het oosten, over een werkelijk abominabele weg naar Kuršumlija. Twijfelend of de eerste versnelling of stilstaan de beste aanpak zou zijn verbaasden we ons erover dat zelfs hier nog kuuroorden in de bergen verstopt lagen. Welke gekken waagden het deze geitenpaden met een auto te trotseren? Toch, het kon nog droeviger. Het in 1999 door de NAVO gebombardeerde Kuršumlija bood hoop noch uitweg aan de massa’s Serviërs die hier hun toevlucht hadden gezocht na uit Kosovo verjaagd te zijn. Ook wij ontsnapten pas na veelvuldig vragen aan deze treurnis. Een sigaretrokende pompbediende wuifde ons in een breed te interpreteren richting, waarna een man met gefragmenteerd gebit ons verder op weg hielp. “Srbija, Hollandija – friends!” lachte hij ons toe. Denkend aan de rol van de NAVO, het hier vast met gemengde reacties aanschouwde Joegoslavië-tribunaal en de even starre als arrogante houding van demissionair minister Verhagen wat betreft de EU-toelatingsgesprekken met het aan zijn lot overgelaten Servië, kon ik niet anders dan beschaamd jaknikken.

Hier zat veel uranium in de grond, had Olivera ons al gewaarschuwd. Had weer iets met bombardementen te maken. “Vooral in steden dus?” vroeg Eva hoopvol, wetende dat we nog een extra reden zouden hebben die als de pest te mijden. “Nee hoor, overal, in elk dorpje,” stelde Olivera haar niet bepaald gerust. Het zou best waar kunnen zijn – de mensen die in kuuroord Prolom Banja rondwaarden maakten een allesbehalve gezonde indruk. Aan kuuroorden geen gebrek in Servië, maar deze plekken met gezond bronwater bleken vaak verzamelplaatsen van zieken, zwakken en misvormden. Haal jezelf een naar gezwel voor de geest en de kans is groot dat je je vleesgeworden fantasie ergens in Prolom Banja mag ontwaren.

Christenen, gaat heen, want dit is Đavolja Varoš! (EH)

Dichter bij Đavolja Varoš overnachten ging niet, dus we namen de memorabele sfeer van Prolom Banja voor lief. Ze zagen het meteen: die mensen kunnen meer betalen dan de €4,- per bed waar buiten groot mee werd geadverteerd. Zonder blikken of blozen werd ons een euro meer gevraagd. Prima hoor, zo sympathiek wil ik wel vaker worden afgezet. Later die avond sprak een man ons bezorgd aan op straat. Of we niet teveel hadden betaald voor onze kamer. De vriendelijkheid van de Serviërs leek grenzeloos, al begon Eva de handtastelijkheden richting Ilva behoorlijk beu te worden. We besloten ons wat snobistischer op te stellen en aten als enigen buiten op het terras, waar dat à la carte kon. “Heeft u ook grote lappen vlees in een zee van kaas en vet?” vroeg ik de ober. Jazeker, dat was hun specialiteit! Terwijl de levende fossielen in de bejaardensoos binnen opschepten van een lopend buffet, dronken wij halve liters HBH Prolom (het beste bier van Servië), kon Ilva vrijuit kruipen en aten we perziken van het huis.

Drie verdiepingen babysnatchers dalend vanuit onze door optimisten als ‘knus’ te bestempelen kamer, konden we naar Đavolja Varoš. De Duivelsstad. Een omineus klinkende naam – of mogelijk slimme marketing door op deze manier te voorkomen dat Prolom Banja, waar de verschoppelingen van Servië bijeen komen in de hoop op miraculeuze wijze gezondheid uit het bronwater te filtreren, gebukt zou gaan onder een soortgelijke bijnaam. De Duivelsstad was een vreemde speling van de natuur, waar ruim tweehonderd stenen fallussen uit de dorre grond omhoog rezen. Bronnen van zuur water en opgedroogde rivierbeddingen in een landschap waar gele en rode kleuren domineerden. Dit soort steenformaties hadden we eerder in Noorwegen gezien, maar in deze setting met blakerende zon, was het allemaal net wat overtuigender.

In deze omgeving was het niet heel verrassend dat het oponthoud op de weg werd veroorzaakt door overstekende landschildpadden. Op weg naar Gadžin Han, aan de voet van het Suva planina-gebergte, hielpen we twee van deze kruipers veilig de overkant te bereiken. Je zou niet zeggen dat deze reptielen gemiddeld zo oud worden. Aan de andere kant, zoveel verkeer rijdt er nou ook weer niet in het zuidoosten van Servië. Het kon daarom ook dat er midden op de rechter weghelft een elektriciteitsmast stond. Daar was de ondergrond tenminste stevig. Om schrijnende verkeersongevallen te voorkomen was het geheel provisorisch afgezet met een rood-wit gestreept hekje.

Een begrafenisstoet in Gadžin Han vormde het volgende obstakel. Stilstaand, maar niet stil want luidkeels lamenterend. We besloten de gedwongen stop aan te grijpen om de weg te vragen. “Op het politiebureau hebben ze een kaart,” werd ons uitgelegd. Voorbij de opgehangen affiches van de meest gezochte oorlogsmisdadigers vertelde een vriendelijke agent me in het Servisch dat het door mij genoemde hotel Trem in Donji Dušnik gesloten was. Aan deze kant van het gebergte was geen enkele overnachtingsplaats voorhanden; kaarten evenmin. We konden niet anders dan door naar Niška Banja, volgens de agent.

Niška Banja, de badplaats die bekend stond om zijn licht radioactieve bronwater. Geniet, maar drink met mate. Van heinde en verre kwam men hier om zich moedwillig in de radioactieve vloeistof te laten onderdompelen. Eva en ik hadden zo onze reserves en ook in de Bradt-gids stond een voorzichtige waarschuwing, maar de plaats bleek een uitstekende uitvalsbasis voor Suva planina en Niš. Bij het VVV vonden we het adres van een appartementje waar ze €24,- per nacht voor rekenden. Voor de zekerheid vroeg Eva later toch maar direct aan de eigenaar, meneer Darko (geen familie), wat het kosten moest. Hij vond €15,- per nacht prima en aangezien zelden iemand zo snel geld had verdiend in Servië kon ik vanavond wel een vleestoren bestellen in het restaurant. Een soort barbecue, maar dan zonder al dat vervelende wachten. “Hier zijn uw twee worsten, twee blinde vinken en drie lappen vlees. Eet smakelijk!”

Een uitputtende wandeling (JS)

Door Jelašnička klisura, een kilometerslange kloof waar de weg zich doorheen slingerde, reden we naar Bojanine vode. Dat was althans het plan. Wintersportplaats Bojanine vode ligt aan de voet van het Suva planina en vandaag wilden we Sokolov kamen beklimmen. Een valse start vanaf een al wat hoger gelegen oord leek ons een goed idee. Nu zijn hotels van waaraf veel geskied wordt in de regel goed bereikbaar, maar dit was Servië. Toen een rivier dwars door de weg stroomde en we al een stuk verder waren gegaan dan goed was voor onze Golf, besloten we de laatste kilometers naar Bojanine vode te voet af te leggen. Zonder Lada Niva of trekker was het hier voor iedereen einde verhaal. Ook voor de politicus die iets verderop een luxueuze villa had laten bouwen. ‘Pas op, hobbels,’ waarschuwde een verkeersbord ons even later. Ik weet niet waar de grens tussen ‘hobbel’ en ‘heuvel’ precies ligt, maar de meeste geografen waren vast met me eens geweest dat we al eerder niet alleen over hobbels waren gereden.

Het was heet, maar met een parasol boven Ilva in de rugzak wilden we best een eindje klimmen. Sokolov kamen stond netjes met borden aangegeven, maar het bleek wellicht om de gelijknamige skipiste te gaan, dachten we toen het pad doodliep. Dan maar naar Trem, met 1811 meter driehonderd meter hoger gelegen, maar wel bereikbaar via een geleidelijk oplopende bergkam. Aan een man die zowaar op zijn brommer de asfaltweg had bedwongen vroegen we de weg. Nou ja, brommers zijn dan ook schier onverwoestbare voertuigen. Bij een bron haalden we even later twee forse kerels in. Zelf dachten we dat Trem gezien het tijdstip iets te hoog gegrepen was, maar Bojan en Vladan dachten daar anders over.

Bojan was de sterkste man van Servië. Geweest. Een gewichtheffer, en dat was aan hem te zien. Broer Vladan had ook talent, maar had minder prijzen in de kast staan. Stoere kerels, dus ik had was beter op mijn woorden moeten letten. “Naar Georgië, Moldavië, Albanië…” memoreerde ik in een onbewaakt ogenblik na de vraag waar we al eerder heen gereisd waren. Dat was dus het foute antwoord, Albanië. “De Albanezen zijn lui; ze willen niet werken,” vond Vladan, die een zwart t-shirt droeg met adelaar, doodskop en in Cyrillische tekens de naam van de een of andere beroemde Servische gevangene die ontsnapt was uit de gevangenis. Vladan werkte als beroepsmilitair aan de grens met Kosovo, afdeling zware artillerie. Het leek me wijzer anekdotes over hoe sympathiek de Albanezen waren die we destijds ontmoet hadden te bewaren voor een ander tijdstip. Bij voorkeur in een ander land. “They are bad people. That’s the truth,” was Bojan het roerend met zijn broer eens.

Kosovo, daar was de Servische natie gevormd, gaf Bojan – geboren in Priština – me ongevraagd een lesje geschiedenis. De verloren veldslag van Kosovo Polje in 1389 is een bron van nationale trots. Die dag waren de Turken te sterk, maar de Serviërs vochten voor hun vrijheid tot de dood erop volgde. Hier stonden de belangrijkste kloosters van het land, maar Tito verraadde Servië door een deal te sluiten met Albanië. Eén miljoen Albanezen mochten in Kosovo komen wonen en het duurde niet lang voor die miljoen Albanezen doodleuk verkondigden: “Wij zijn met meer, ergo, dit is ons land.” De leugenaars! Oorlog zou er echter niet meer komen. Geen enkele kans, volgens Vladan. Ten eerste wisten de stinkende Albanezen zich gesteund door de gelddieven uit Amerika, die daar Serviës grootste goudmijn leeg wilden plunderen. Ten tweede stamde al het materieel van het Servische leger uit ’40-’45.

Toch zou de driestheid van de Albanezen uiteindelijk niet meer dan een episode in de geschiedenis van Servië zijn. Zodra de mijnen uitgeput waren zouden de Amerikanen verkassen om de boel in Servië te plunderen. De steun aan Kosovo zou dan snel tot het verleden behoren. Kosovo zal weer Servisch worden. Maar niet vandaag. Vandaag klommen we nog altijd gestaag, op weg naar de hoge top die we al uren konden aanschouwen. Na uit een grotendeels afgebrand bos te zijn gekomen, bevonden we ons op de bergkam tussen Trem en Sokolov kamen. Vanaf Devojački grob konden we twee kanten op: via een gekartelde richel steeds hoger oostwaarts, of een gevaarlijke weg vol rotsen en oneffenheden naar de top die we eerst voor ogen hadden. Vladan koos voor optie drie en bleef met z’n voeten vol blaren een paar uur in het gras zitten.

Bovenop Trem, Suva planina (EH)

Met zo’n mentaliteit krijg je Kosovo nooit terug, maar het ging die dag gelukkig ook over andere onderwerpen. Bojan vuurde de gebruikelijke Oost-Europese vragen op me af. “Wat verdienen jullie? Hoeveel is de huur? Hoeveel kost het bij jullie om naar de kapper te gaan?” Zie ik er verdomme uit alsof ik dat weet?! Het werd steeds later, maar Bojan bleef volhouden dat we iets na vijven de top zouden bereiken. Het uitzicht was hier al adembenemend – en dan niet zoals aan het Perućac-meer. Toen we even uitrustten zagen we twee wandelaars uit een andere richting op ons afkomen. Ze waren gestart in Donji Dušnik. De beklimming was behoorlijk heftig geweest en ze hadden geen puf meer voor het laatste uurtje. Ik vertelde Bojan over onze oorspronkelijke plannen. “Oh ja, een vriend van me werkt in Trem.” Restte de vraag waarom die politieagent ons uit alle macht in Niška Banja wilde hebben.

Bojan had het licht gezien. Hij was oprecht in God gaan geloven, maar dat gebeurt geloof ik wel vaker in landen waar niet alles op rolletjes loopt. In Servië miste ik toch een beetje dat laissez-faire van Albanië. “Wij zijn moslim, en jij?” Atheïst. “Oh, nou, wij geloven eigenlijk ook geen hol van wat er in de Koran staat, hoor.” Ons moment van verlichting liet evenmin lang op zich wachten, want na alle inspanningen hadden we Trem eindelijk bedwongen. Zo ver we konden zien golfde het desolate landschap onder ons. Steile kliffen, raven hoog boven ons en Ilva slapend in de rugzak. “De jongste beklimmer van Trem!” riep Vladan later vol trots uit.

En hoewel ze hun mening over Kosovo of hun pessimisme wat betreft de regering niet onder stoelen of banken staken, Bojan en Vladan waren goed gezelschap. Vladan klaarde zelfs helemaal op toen ik Rane ter sprake bracht. “Servië is het beste land van de wereld – niemand krijgt ons kapot!” wordt er in het nieuwsbericht gezongen met op de achtergrond drukke keyboardriedeltjes. “Zo was het echt!” riep Vladan uit. De propaganda, de uitzichtloosheid na het uiteenvallen van Joegoslavië, de kinderen die hun toevlucht zochten tot harddrugs, wapens en zware criminaliteit. Black Cat, White Cat was ook goed, maar die film was fictief. De zwarte humor van Rane was pijnlijk realistisch en Vladan was blij dat er mensen buiten Servië waren die de film kenden.

Vladan deed trouwens niet onder voor zijn broer en wist ook veel van geschiedenis. Zoveel dat Dan Brown er jaloers op zou zijn. De Servische historici hielden de oorsprong van hun volk angstvallig geheim. Alleen ene meneer Milič wist hoe de vork in de steel zat en schreef er twaalf boeken over. Hij schreef zelfs – en dat weet niet iedereen – een dertiende boek, maar Tito verbrandde alle boeken en daarmee al het bewijs. En toch zijn er rivieren in Afrika met Servische namen en een piramide in Egypte (altijd weer die piramides!) met Cyrillische inscripties. Hoe verklaar je dat dan? Nou?!

Ik had daar na tieneneenhalf uur lopen zo een-twee-drie geen antwoord op. Het was donker toen we de auto weer bereikten. Met het groot licht aan verbaasden we ons over de minstens een halve meter diepe loopgraven waar we deze ochtend blijkbaar ook door waren gereden. De oorsprong van het Servische volk mocht volgens Vladan in nevelen gehuld zijn, het heden was minstens zo interessant. In het donker terugrijden was een avontuur an sich: onverlichte ossenkarren vol hooi op de slingerweg door de bergkloof, oude mannetjes met ezels, oude vrouwtjes met geiten, zwerfhonden… Om kort te gaan, alles wat dood kon gaan bevond zich nu ineens op straat. Voorzichtig reden we terug naar Niška Banja, alweer uitkijkend naar de volgende dag. We waren immers uitgenodigd om een hapje te gaan eten bij de Sterkste Man van Servië.

Mijn vriend, de Donau
Gedonder aan de Bosnische grens

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*