Roemenen, een luidruchtig volkje

Is Roemenië de afgelopen jaren zoveel veranderd, of verbeeld ik het me? Het straatbeeld wordt tegenwoordig bepaald door spiksplinternieuwe auto’s. Niet alleen de gangbare westerse merken vormen het trotse bezit van de welvarenden onder de bewoners – zelfs Dacia, Roemeenser dan Roemenië, maakt niet langer vertederend Oost-Europees ogende brikken en is naar de pijpen van de consument gaan dansen. Stijlvolle, glimmende Dacia’s… een tijdperk lijkt voorgoed afgesloten.

Het stadium waarin overleven hoofdzaak was behoort tot een grijs verleden. Consumeren, dat willen de moderne Roemenen. Het is niet alleen zichtbaar in de auto’s die je slechts regelmatig hoeft te poetsen in plaats van om de haverklap te repareren. Een kapitallistisch Walhalla torent hoog boven de buitenwijken van Timişoara. In een futuristisch ogend winkelcomplex, gesierd met watervallen en zwembad op het dak, vliegen de nieuwe Roemeense lei uit de portemonnee in een duizelingwekkend aanbod van prijzige winkelfilialen.

Dure etablissementen met slechte service verdringen de eetgelegenheden waar je niet om een menukaart, maar simpelweg om eten vroeg. Roemenië wil in ijl tempo verwesteren. Jongeren passeren zonder te groeten. Liften werkt lang niet meer zo goed nu mensen bang geworden zijn voor modder in hun dure auto’s. En je wordt niet meer afgezet. Geen wisseltrucs, geen schandalige taxiprijzen, geen spoor meer van die Roemeense creativiteit om je wat extra lei te ontfutselen. Roemenië lijkt klaar voor de Europese Unie. En dat is soms best jammer.

Ben ik aan het zeuren, nu het zo goed lijkt te gaan met mijn geliefde Roemenië? Misschien wel. Misschien heb ik na zeven jaar wel recht van klagen. Vroeger was immers alles beter. Het klagen is een kunst die de Roemenen zelf ook verstaan. Lekker vitten op het eigen land. Niet alles is veranderd, gelukkig. De openheid van de mensen op het platteland, de gastvrijheid – niet anders dan in 1999. De kathedraal in Arad stond, zeven jaar later, nog altijd in dezelfde steigers. Roemenië blijft Roemeens. Zelfs als Dacia dat niet blijft. Ik blijf er graag terugkeren en klaag gewoon met de Roemenen mee.

Dat krijg je ervan als je kleine meisjes je vliegtuig laat ontwerpen

Maar mag je wel klagen als je het lot zo tart als wij? “Oei!”, vond ook buurjongen Wijnand toen ik hem vertelde dat we de 13e terug zouden keren. Iedereen weet dat dat ongeluk brengt. “Onze bus vertrekt morgen om 13:13,” voegde ik eraan toe. We vertrokken dus onder een slecht gesternte en hadden even weinig geluk met ons vliegtuig. Prijsvechter WizzAir vliegt met vliegtuigen die je moet zien om het te geloven. “Wat een mooi vliegtuig!” riep een meisje achter ons in de rij bij het zien van zoveel hardroze en paars. Met zulke kleuren zou WizzAir in homofoob Letland wel eens heel anders begroet kunnen worden, las Eva mijn gedachten. Zo, de eerste politiek incorrecte opmerking is weer gemaakt.

Ons politiek correct gedragen hadden we toch nooit lang volgehouden, aangezien we naar Hongarije vlogen. Terwijl mijn oren nog aanvoelden alsof er langzaam bloed uit sijpelde reden we over donkere wegen naar Boedapest. Om de een of andere reden heeft de snelle verandering in luchtdruk bij het landen steeds meer effect op mij. Deed het voorheen altijd al zeer, nu bleef ik er drie, vier dagen last van houden. Mijn rechteroor leek hooguit op halve kracht te functioneren met alle evenwichts- en locatieproblemen van dien, maar het probleem was nog lang niet serieus genoeg om er een dokter over te consulteren.

Goed, we reden dus naar Boedapest en even was het me een raadsel hoe dit land zo probleemloos lid had kunnen worden van de EU. Half afgebouwde huizen flankeerden de weg als in Albanië en Roemenië. Een weg die te wensen over liet want hij eindigde zonder waarschuwing op diverse plaatsen voor een afzetting. Welke van de drie rijbanen open bleef was telkens weer een raadsel, maar niet voor onze chauffeur. Getoeter als in Albanië, stram doorrijden en de medemens negeren in Hongarije. Eigen auto eerst en de ander geen centimeter gunnen. Zonder een poging tot conversatie degenen die betalen afzetten op hun plaats van bestemming.

In ons geval station Budapest Keleti. Tickets naar Timişoara? Ditmaal geen probleem en alles verliep op rolletjes, zij het dat er van slapen weinig kwam sinds ook Roemenen de polyfone ringtones ontdekt hebben. Dat de irritante belmelodietjes zo in de smaak vielen kon ik moeilijk een verrassing noemen. Reden we dan niet het land binnen waar dronken mannen met de discobeat van hun keyboard meebrallen als vorm van entertainment in openbare drinkgelegenheden? Waar drukke en onnavolgbare stationsriedeltjes elke mededeling van een muzikale couleur locale voorzien? Langzaam gingen de ringtones over in een droom over Roemenen, een luidruchtig volkje.

Roemenië wil westers lijken. Bij de grens werden we niet gecontroleerd. Een blik in ons paspoort volstond; voor fraaie stempels moet je in onguurdere landen wezen. Op station Timişoara stonden Negru en Jimmy op ons te wachten. Met hun gewone namen (Gabriel en Cristi) te braaf voor een black metalband gingen de bandleden van Negură Bunget nog altijd onder bijnamen door het leven. Tsja, wie dat leuk vindt moet zoiets vooral doen. Maar Negru, zo noemden we de drummer niet meer. Iedereen noemde hem Mufi. Van moeflon. Met zijn imposante buik en lange haren zag Mufi er inderdaad lekker zacht en wollig uit. McMufi mocht ook. Ook in Timiăoara is McDonald’s tegenwoordig bekend.

Welke architectonische stijl is dit nu weer? (EH)

We kregen de beschikking over Jimmy’s kamer. Een pentagram van geleide plantenranken sierde het plafond. Geschilderde elfachtige wezens en kronkelende boomtakken op de muren gaven het toch al kleine kamertje een schemerige aanblik. De hitte was er niet te harden, maar na ons opgefrist te hebben liepen we met Jimmy en Mufi naar het centrum van Timişoara. Vergane glorie. De verf was grotendeels van de Jugendstilgebouwen afgebladderd. Geld voor onderhoud was er zo te zien niet of nauwelijks. Geld voor dure auto’s waaruit manele op maximaal volume dreunde wel. “Het is nog steeds de officiële muziek van Roemenië,” gaf Jimmy schoorvoetend toe. Sommige dingen veranderen niet.

Het centrum van de stad lag behoorlijk overhoop. Onder de hoofdstraat moest het één en ander aan water- en elektriciteitsleidingen gebeuren. Bij de werkzaamheden was men per ongeluk op een oud kerkhof en ander geschiedkundig interessants gestoten. Een beetje lastig, want over deze straat reden talloze bus- en tramlijnen. Gauw weer dichtgooien was dan ook het devies. Wat niet weet, wat niet deert. Pal in het centrum lag ook pizzeria Kontiki waar Jimmy werkte als pizzabakker. Een mooie, centraal gelegen uitvalsbasis van waaruit we de stad konden verkennen. Een in de jongste geschiedenis van Roemenië erg belangrijke stad; een op het westen georiënteerde stad ook waar intellectuelen trots op zijn. Toegegeven, met mooie oude gebouwen, maar ze lagen er een beetje troosteloos bij.

De westerse insteek van Timişoara betrof vandaag de dag niet het conserveren van cultureel erfgoed, maar het op een andere manier tonen hoe vooruitstrevend Roemenië is geworden. Na een safe sex on the beach cocktail op het Piaţa Unirii (Roemeens bier wordt er niet geschonken, want niet hip genoeg) nam Mufi ons met zijn vriendin Alina mee naar het grote, nieuwe winkelcentrum. Zoiets protserigs had ik van mijn dagen in Nederland nog niet gezien. Een mall op Amerikaanse leest, met een parkeerplaats ervoor zover het oog reikte. Een soort van boulevard met frisgroene boompjes leidde schuin omhoog naar de belangrijkste ingang.

Binnen nam mijn verbazing over dit kapitalistische gedrocht slechts toe. Zoals in de IKEA werd van het winkelend vee verwacht dat een bepaalde route werd gevolgd, opdat elke winkel op elke verdieping werd aangedaan. Lederen bankstellen in zithoeken, honderden opgehangen stukken canvas die deinende golven moesten voorstellen, dure, hele dure winkels, een klimmuur – het was genoeg om een hele dag in rond te dwalen. Wij vonden het na aankoop van de nieuwste cd van Paraziţii welletjes en wilden eruit. Roemenië weer in. Mufi’s ideeën van een leuk uitje kwamen niet helemaal met de onze overeen.

Of we ‘s avonds naar het voetbal wilden dan? Zelf heb ik in mijn hele leven welgeteld één wedstrijd in een stadion meegemaakt. Vitesse – Rapid Bucureşti, in het uitvak. Met een hondertal Roemenen dat mij en mijn vrienden na afloop uitgelaten bedankte voor onze steun. Een memorabele ervaring, dus waarom niet? Politehnica Timişoara ontving vanavond landskampioen Steauă Bucureşti – de grote vijand van zo’n beetje alle andere clubs in het land. Edy, Jimmy, Mufi en hun vrienden hadden echter weinig zin in voetbal, en Eva al helemaal niet. Waarom het dan toch werd voorgesteld is mij een raadsel, maar ik had geen zin me met alleen Jimmy’s broer Radu tussen de hooligans te begeven.

Deze ken ik tenminste: sprookjesstijl (JS)

Achteraf zonde, want na een verrassend gelijkspel zagen we laat op de avond een vrachtwagen met een soortement van kooi erop door de straten sjezen. Volgestouwd met schreeuwende relschoppers en begeleid door een politiecolonne met gierende sirenes. Blijkbaar was het er wat feller aan toe gegaan dan een paar jaar terug, toen de fans van Poli Timişoara (clubkleuren: paars en wit) bij een 8-0 achterstand nog altijd gemoedelijk liedjes zaten te zingen om hun club aan te moedigen. Ach, we zouden ons portie voetbal nog wel krijgen.

Na gegeten te hebben in Kontiki (het blijft een smerige gewoonte – pizza met ketchup) reden we in de Mercedes van sessiemuzikant Gabi naar de studio van Negură Bunget. Sinds kort hadden ze een eigen studio waar nu diverse Roemeense metalbands hun kunsten vast lieten leggen voor het nageslacht, dat daar over het algemeen niet op zit te wachten. Naast een in het geheel met eiermatjes behangen hoofdruimte met een indrukwekkende verzameling aan instrumenten en computerapparatuur, hadden de jongens beschikking over een minuscuul keukentje (nog zonder fornuis), een nog kleiner badkamertje, een kleine slaapkamer en een rommelkamertje. Uit dit laatste kwam ons een angstaanjagende rottingslucht tegemoet zodra we de deur openden.

Alina, de vriendin van zanger Edy (ze heten nu eenmaal allemaal Alina), stelde ons gerust. Het was de verjaardagstaart van Jimmy die inmiddels ietwat over datum was. Een groene pluiswolk bevestigde haar verklaring. Lauwe blikken bier werden tevoorschijn gehaald, waarna Edy voorstelde hun nieuwste cd Om te beluisteren. De cd zou pas in de herfst uitgebracht worden, maar was al helemaal af. Wij zagen er niet tegenop de eerste buitenlanders te zijn die het nieuwe meesterwerk mochten beoordelen.

Om (‘mens’) lag gelukkig niet in het verlengde van Inarborat Kosmos. Die mini-cd was weliswaar aardig, maar miste het mystieke, het betoverende van het eerdere werk van Negură Bunget. Nu verhaalden de teksten weer over oude Dacische gebruiken en de indrukwekkende grootsheid van de Karpaten. Opeens herkende ik een nummer. Dit had ik al eens live gehoord, zonder te weten op welke cd het stond. “Hé, dit spelen jullie al drie jaar! Waarom brengen jullie het nu pas uit?” vroeg ik. “Ja, dit nummer schreven we al eerder. Nog geen drie jaar denk ik, maar ongeveer… wacht eens even, je hebt gelijk!” herinnerde Edy zich ineens verbaasd.

Terwijl de duistere melodieën ons terugvoerden naar de lang vervlogen tijden waarin Daciërs de Romeinen buiten de deur hielden en een leven dichtbij de natuur leidden, betrok de lucht in snel tempo. Wolken schoven ineen ter begeleiding van de dreigende klanken die de studio vulden. Kijkend naar de bij Om horende clip met de hoge naaldbomen van het Apuseni-gebergte barstte buiten een hels noodweer los. Oorverdovend kabaal verraadde dat deze onweersbui niet ver van ons verwijderd was. Het gerommel van de natuur en de agressie van Negură Bunget raakten naadloos met elkaar verwoven tot een boosaardig tapijt van klanken. Regenvlagen drongen het huis via het openstaande badkamerraampje horizontaal binnen; buiten vielen enorme hagelstenen. In het duister gingen wij volkomen op in het wonderlijke samenspel.

Toen Om na vijf kwartier tot een eind kwam leek ook de storm buiten uitgeput tot rust te komen. De hitte was verdreven, maar niet in de studio. De magie was verbroken en iedereen ontwaakte als uit een trance. Edy vond het tijd voor lichtzinniger vertier en toverde een plastic bal met daarop een smiley ergens vandaan. Voetbal in een studio vol onbetaalbare apparatuur. Waarom ook niet. De deuren van keuken en slaapkamer (met daarin, knock-out, Jimmy die zich al een tijd lang aan de Tuborg Strong had gelaafd) dienden als goals. Het ging er hard aan toe tussen Edy, Alina en ik enerzijds en Eva, Gabi en de fel spelende bezoeksters Gabriela en Valentina uit Bucureşti anderzijds. De obligate bal in het gezicht die ik bij elk partijtje voetbal ontvang mocht uiteraard niet ontbreken, maar het was het meer dan waard. Ons team won van de ‘bezoekers’ met 10-5 in een stevige pot die het midden hield tussen rugby en flipperen. Met voetbal had het in ieder geval weinig van doen. Meer vloeibaar dan vast droop ik even later het logeerbed in. Nog even wat slapen (en, niet te vergeten, opdrogen) zodat we de volgende dag relatief fris de natuur in konden. Timişoara, zo doen wij dat met steden. Eén dag was wat ons betreft lang genoeg.

Probleemloos rijden in een Dacia
Meatcleaver Massacre

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*