Rusland begint hier

«Россия начинается здесь», staat er in grote letters op de kade van de Velikaya. Rusland begint hier. Zo voelt het ook. Tergend langzaam worden formulieren ingevuld en gecontroleerd, nadat we ons aan de Estse zijde van de grens hebben laten registreren. De douaniers trekken een half uur per auto uit. Het blijft ondoorgrondelijk, het papierwerk in dit land. “Dit huis is gekraakt in de jaren ‘90,” horen we in de commune waar we te gast zijn. Onze vriend Max uit Sint-Petersburg tipte ons en als vrienden van vrienden van vrienden zijn we uiteraard welkom. “De paar huizen verderop waren toen al een commune van kunstenaars die weg wilden uit Piter,” vertelt Nastja. “Dit huis was verlaten. De eigenaar bleek een operazanger te zijn die naar de Verenigde Staten was geëmigreerd. ‘Ik wil niets meer met Rusland te maken hebben; doe wat je wilt met het huis’ zei hij.” Er kwam geen papierwerk aan te pas.

We worden rondgeleid door het woonhuis, de banja, een schuur met twee geiten en langs de waterput. Om het erf staan hoge berenklauwen en in het bos groeien wilde aardbeien. Best idyllisch allemaal – afgezien van de muggen dan. Op mijn linkerhand zitten in een mum van tijd acht muggenbulten; op mijn rechterhand zes. Ik tel vijf aardbeitjes in mijn plastic bakje en geef me gewonnen. Bij het kampvuur is het nauwelijks beter, maar na maandenlang waardeloos weer wil iedereen op deze eerste zomerse dag buiten zitten: Julia die keramiek maakt, de schuchtere Misja, Mika uit Minsk die auto’s repareert en literatuur leest, Stas die zich nergens druk om maakt, Nastja die de chaotische groep lijkt aan te sturen en Tadeusz en Severin, de kinderen van Stas en Nastja, die met brandende stokken rondrennen en wakker blijven tot ze omvallen. Dat het natte hout vooral rookt neemt iedereen voor lief.

Lena schuift aan bij het kampvuur en deelt flessen zelfgebrouwen IPA uit. “Bij jullie in Europa liggen de dorpen minder ver uit elkaar. Het zijn niet echt dorpen – ze zijn meer verstedelijkt dan hier in Rusland.” Toch zie ik in ons dorp geen posters met teksten als ‘G20 Sabotieren’ en ‘Welcome to Hell’, over de recente top in Hamburg (“Mooi, al die solidariteit,” vindt Nastja). “Is dit geen Europa dan?” vraag ik. De kinderen gaan hier ook naar school en naar een muziekschool. Lena’s man stookt zijn eigen whisky met houtsnippers van eikenhouten vaten. Zo verschillend zijn we niet.

Er zijn wel degelijk verschillen waar het binnenhuisarchitectuur betreft. Na de stapelbedden van berkenstammen in de commune zien we in het kasteel van Stary Izborsk dat zelfs rudimentaire esthetiek niet aan iedere Rus besteed is. Dankzij de nieuw geplaatste kunststof kozijnen kunnen de massief stenen torens er weer een jaar of 500 tegen. Hotel Oktyabrskaya in Pskov trekt zich niets aan van dergelijke ontwikkelingen en heeft nog altijd dezelfde tapijten met bloemmotief en mintgroene muren als in de Sovjettijd. En wat ze precies denken bij Sergievskaya Stolovaya blijft ons een raadsel. De curieuze kantine schippert tussen Sovjet-Spartaans (met name waar het het menu betreft), landelijk rustiek, minimalistisch industrieel en hipster.

Rusland begint hier. Het slaat niet alleen op de totale willekeur van stijlen en de alomtegenwoordige restaurantcombinatie van pizzeria en sushibar. In Pskov torenen gouden uienkoepels hoog boven de versterkte muren en bastions van het kremlin uit. Naast de wit gepleisterde muren van de Transfiguratiekerk, met zijn zo voor Rusland typerende groene daken, waagt Ilva zich aan het boogschieten. In opperste concentratie raakt ze de roos twee keer. Concentratie die bij veel Russen ontbreekt: als waanzinnigen halen automobilisten elkaar in op de golvende weg tussen Pskov en Veliki Novgorod. Waar je 90 mag is 120 de norm. De ДПС, de beruchte Russische verkeerspolitie, heeft het vandaag te druk om zich met ons te bemoeien. Autowrakken liggen als geplette bierblikjes op het asfalt. Het is niet te onderscheiden waar het ene wrak eindigt en het andere begint. Op de gebarsten voorruit zit bloed; op de weg liggen glasscherven en stukken metaal. Het duurt een tijd voor de eindeloze berkenbossen de beelden langzaam doen vervagen.

In Veliki Novgorod rijden veel auto’s met marinevlaggen en zien we opvallend veel matrozenshirts en kapiteinshoeden. Het is vandaag Marinefeestdag (День Военно-Морского Флота). Op de kade van de Volkhov genieten Edik en Sasha van hun vrije dag. We mogen hun vlag ook even vasthouden. “Maar volgende week moet je oppassen. Dan is het de feestdag van de luchtmacht. Die jongens houden wel van een knokpartij.” Zo wild wordt het vandaag niet. Er is veel gesloten, het uitzicht vanaf de klokkentoren is suf, de musea zijn maar matig interessant. Juist dit alledaagse maakt Veliki Novgorod een prettige stad om in rond te struinen. Tijdens een boottochtje over de Volkhov zien we de ruïnes van Rurikovo Gorodische. Deze nederzetting werd door de Viking Rurik uitgeroepen tot de hoofdstad van wat later het Kievse Rijk werd – de basis van het huidige Rusland. In de verte glinstert het Ilmenmeer in het zonlicht. Vanuit de Vikingstaat van de Varangiërs werden aanvallen op Constantinopel en expedities naar de Kaspische Zee voorbereid. Vandaag is geen goede dag voor dergelijke plannen. De corpulente, bleke en schaarsgeklede nazaten van Rurik liggen zij aan zij op het volle strand net buiten de kremlinmuren.

Juichend fietst Matvej naar onze bus als we na een zware rit de buitenwijken van Sint-Petersburg binnenrijden. Het jongetje begint honderduit te vertellen en laat ons de logeerkamer zien. Matvej, zijn broertje Timofej, Katja en Max zijn net thuis na een paar weken kamperen aan het Ladogameer. Ze zijn uitgeput, maar Max, die er met zijn ontplofte kapsel uitziet alsof hij altijd slaap tekort komt of net wakker is, vertelt met ogen die altijd twinkelen dat hij zijn energie uit alcohol en liefde haalt. Het is net of we nooit afscheid van elkaar hebben genomen, ruim een jaar geleden tijdens onze wereldreis: Ilva en Rune spelen de hele avond samen met hun Russische vriendjes; op een zelfgemaakt klimtoestel en als ninja’s over de houten vloer sluipend. Met de Lego, de Hot Wheels en de Trunki koffers van Matvej en Timofej is het net of ze thuis zijn.

Het is de koudste zomer in tien jaar. Overal in Sint-Petersburg hangen aanplakbiljetten die met goedkope lijm aan de lantaarnpalen zijn bevestigd; de hoekpunten opgekruld door de constante regen. ‘Vermist – Zomer 2017. Wie heeft haar gezien?’ In een stortbui breng ik Katja en de jongens naar het treinstation. Morgen vertrekt Matvej met zijn 78 jaar oude overgrootmoeder – de wereldkampioene duiken voor veteranen – naar Hongarije voor het aankomende kampioenschap. De strenge en gedreven vrouw die Katja als kind opvoedde kan het een stuk beter met Matvej vinden dan met Timofej. Matvej is rustig en geconcentreerd; Timofej een ongeleid projectiel. Timofej blijft thuis, in Rusland.

De volgende dag spreken we met Katja en Timofej af in het centrum van Sint-Petersburg. Rijden in een stad met vijf miljoen inwoners zal nooit een hobby van me worden, maar we weten waar we het voor doen. De hoogtepunten van de Peredvizhniki zijn terug uit het Drents Museum en hangen op hun vertrouwde plaatsen in het Russisch Museum: de Ridder op het kruispunt, de Wolgaslepers, Ilva’s favoriet Sadko – waarop de avonturier op de bodem van het Ilmenmeer in een onderwaterkoninkrijk belandt – en het lievelingsschilderij van Rune, Wat een vrijheid, met een verliefd stel in de branding van de Oostzee.

Sint-Petersburg is een keizerlijke pronkstad vol grandeur, met villa’s, paleizen, prots en praal. Ten dele een museumstad, maar ook een stad waar geleefd wordt. Achter elk portiek, op elke binnenplaats zijn bars, clubs, alternatieve winkels waar oude wekkers of wafels worden verkocht en ontmoetingsplaatsen waar geskated wordt en hipsters frisbeeën. En dan is er nog de duistere kant van de stad; een in dit land pijnlijk vertrouwde kant. Centraal-Aziaten – overwegend straatvegers en chauffeurs – zorgen ervoor ‘s ochtends in groepjes naar hun werk te gaan. Een donkere vriend van Katja heeft regelmatig klappen gehad en durft zich nauwelijks buiten het centrum te vertonen. “Ja, er is nog racisme in Sint-Petersburg,” zegt Katja, “maar het lijkt minder te worden.” Ze klinkt eerder hoopvol dan zeker van haar zaak.

Zwarte donderwolken pakken zich samen boven de Neva. Voor het Winterpaleis haasten voetgangers zich met omklappende paraplu’s naar een veilig heenkomen. Bij de fonteinen verzamelen parachutisten zich voor de traditionele duik op deze feestdag van de luchtmacht (День Воздушно-десантных войск). “Ze zijn niet meer zo agressief als een jaar of zeven geleden,” vertelt Katja beheerst. “Toen waren ze altijd dronken en waren er overal vechtpartijen. Nu nemen ze hun vrouw en kinderen mee.” Dit keer klinkt ze wat meer overtuigd van haar gelijk, maar we zoeken de mannen met blauwe baretten zekerheidshalve niet op.

Max maakt kasha voor ons ontbijt. “In Engeland eten ze alleen sandwiches,” sneert hij. “Sandwiches als ontbijt, sandwiches als lunch en sandwiches tussendoor.” Dat hebben ze in Rusland inderdaad beter voor elkaar. Vooral de blini’s met gecondenseerde melk zijn bij Rune favoriet. Blini’s als ontbijt, blini’s als lunch, blini’s tussendoor – Rune houdt van Rusland. Terwijl wij met Max zorgeloos in de tuin luieren, heeft Katja een dag met meer stress. Ze brengt twee auto’s naar de garage, pakt Matvejs spullen voor de vakantie in, brengt hem naar het vliegveld en onderhandelt met de politie omdat Matvej zijn gordel niet omheeft. Uiteindelijk besluit de agent de boete op de taxichauffeur die hen wegbrengt te verhalen – wegens nalatigheid.

Wie het Winterpaleis en de suikertaartkerken van Sint-Petersburg al aan kitsch vindt grenzen doet er goed aan de Peterhof te mijden. Het Versailles aan de Finse Golf is een poppenkast vol gouden beelden, marmeren balustrades, dure vazen en 140 fonteinen. Het spreekt voor zich dat de Russen het prachtig vinden. We vragen ons af wat we er precies doen, tussen het zomeroptrekje van tsaar Peter de Grote, Monplaisir, en een schaakbordwaterval met Eftelingdraken, maar ook vandaag toont Sint-Petersburg zich een kameleon van een stad. ‘s Avonds rijden we over een gloednieuwe brug naar het Vasilyevsky-eiland waar we in een industrieel havenpand een concert van elektronische muziek bezoeken. Voor 1.10 uur moeten we in het appartement van Katja’s oma aan de Fontanka zijn – een persoonlijk museum van muren vol medailles en krantenknipsels – voordat de bruggen van Sint-Petersburg open gaan en grote delen van de stad helemaal afgesloten zijn.

In twee dagen tijd rijden we naar het stadje Kem aan de Witte Zee. Een gebouwvullend mozaïek van Rurik, een beeld van hem en knjaz Oleg en de inrichting van een lokaal restaurant (waar een met bijl bewapende Viking weinig subtiel door één van de muren lijkt te stormen) herinneren in Staraya Ladoga aan de tijd van de Varangiërs. Het in 753 gestichte Staraya Ladoga claimt de eerste hoofdstad van Rusland te zijn. In de stromende regen maakt het stadje een futloze indruk. Het voelt afgelegen aan, al komen we daar snel op terug. De volgende 900 kilometer zien we niets dan berkenbomen, naaldbossen en de eindeloze Kolaweg die pal naar het noorden voert. Om de vijftig kilometer staat er een verkoper met bosbessen en paddenstoelen (voornamelijk cantharellen) naast de weg. Zwermen muggen terroriseren de ongelukkige mannen die met bermmaaiers de strook gras tussen het asfalt en de bossen in toom proberen te houden – 1500 kilometer lang. Welkom in Karelië.

Ondanks de leegte van Karelië, waar naaldbossen, moerassen, een groeiend aantal stenen en de duizenden meren slechts af en toe wijken voor een nondescript dorp, is rustig poepen er op onze wildkampeerplek niet bij. Het is slim zo min mogelijk van je huid bloot te geven met zoveel cocksucking mosquitoes en paddenstoelen verzamelende omaatjes in de buurt. In een monotoon landschap als dit is het geen wonder dat we niet de enigen zijn bij de petrogliefen van Belomorsk. De 6000 jaar oude rotstekeningen werden pas zestig jaar geleden ontdekt. Hoe lang ze nog te zien zijn is de vraag: met subsidie uit Noorwegen is er een houten vlonderpad aangelegd, maar het onderhoud van de petrogliefen lijkt wat experimenteel te worden aangepakt. Vale plekken tonen waar de stenen geschuurd zijn; witte en opvallend donkere tekeningen doen vermoeden dat de Russen tandpasta en verf als legitieme conserveringsmiddelen van deze millennia oude kunst beschouwen.

Op station Kem halen we Timofej, Katja en haar vrienden Dasha, Masha, Masha en Ljosja op. Kem voelt als een buitenpost en de overijverige grenspolitie onderstreept dit gevoel. Onze paspoorten worden gecontroleerd en na een kort verhoor over onze intenties op de Solovetski-eilanden mogen we door naar de haven in Rabocheostrovsk. Het is twee uur varen naar de groep eilanden die als onheilszwangere bijnaam ‘de Goelagarchipel’ heeft. Het is warm aan boord van de Vasily Kosyakov. De toiletten zien eruit alsof ze sinds de vrijlating van de laatste goelaggevangene niet zijn schoongemaakt. De harde bankjes zitten vol reizigers die in oncomfortabele houdingen opeen zijn gepakt, terwijl de veerboot over de golven van de Witte Zee stuitert. Gelukkig heeft onze vriendengroep, die bovendeks de koude wind trotseerts, een fles Königsberg cognac.

Het is niet vreemd dat Solovetski door Stalin werd gekozen als geschikte locatie van een gevangeniskamp. Er wonen nog geen 900 mensen op de afgelegen archipel. Een fractie van de in totaal 350.000 gevangenen die tussen 1923 en 1939 tijd op de eilanden doorbrachten. Slechts drie wisten er te ontsnappen. Wie ondanks de ongeschikte kleding en minimale rantsoenen voldoende energie had om uit het kamp te vluchten en niet verdronk met een gammel vlot of bootje op de Witte Zee, moest nog altijd de onherbergzame naaldwouden van Karelië overleven en ongezien de grens met Finland bereiken. De vervallen schuurtjes, scheepswrakken en de afbladderende verf van de houten communale gebouwen bieden een troosteloze aanblik. Boven de kade hangen donkere wolken.

Maar Solovetski is ook een hechte gemeenschap. Dasha, die hier woont, spreekt onderweg vanaf de pier met iedereen en nodigt ons uit om in haar woonblok borsjt te komen eten. Deuren gaan hier niet op slot: als er een bezem schuin tegen de voordeur staat weet je dat de bewoner niet thuis is. Diefstal komt niet voor in de voormalige gevangeniskolonie. “De fiets van mijn vriendin Nastja is ooit gestolen, dus toen ondervroeg onze agent de mogelijke daders. Allebei. Het was Aleksei Jankovitsj. Hij was dronken en was op de verkeerde fiets naar huis gegaan.”

“Hoe kunnen jullie hier leven, tussen deze stenen die huilen?” vraagt een Duitse man aan Dasha. Hij is hier niet voor vakantie. Zijn stichting streeft naar instandhouding van het erfgoed van communistische repressie. Opdat er niet vergeten wordt. “Het communisme was net zo erg als het nationaalsocialisme. Er zijn nog altijd mensen die zeggen dat het een goed idee is dat slecht is uitgevoerd. Onzin!” Van de goelag ontbreekt nagenoeg elk spoor op Solovetski en de initiatieven van de stichting worden door de Russische autoriteiten lauw ontvangen. Het is een bladzijde uit de geschiedenis die Rusland graag zo snel mogelijk wil vergeten. Interessanter is dat Dasha zich pertinent niet kan vinden in de stelling over huilende stenen. Dit zijn haar eilanden. Ze houdt van Solovetski, van de wind die er blaast, van de mist, het varen op de Witte Zee en, ja, zelfs van de geschiedenis.

‘s Avonds, met een fles Морошка kruipbraamlikeur op tafel, vertelt Dasha over de eilanden. Over hoe de kloosters eeuwenlang niet alleen spirituele rol vervulden, maar ook centra van educatie, innovatie en technische ontwikkeling op Solovetski waren. Over hoe de kloosters in onbruik raakten, vervielen en hoe het geloof herrees na de val van het communisme. Alleen ziet Dasha het niet zo. Tegenwoordig is de Orthodoxe Kerk een instituut; een machtige instantie. Kerk en regering zijn twee handen op één buik. Liever vertelt ze over de twee vuurtorenwachters die hun post nimmer in de steek lieten en dag in, dag uit elkaars licht zagen aan de overkant van het water. Pas toen één van hen na twaalf jaar ontslagen werd, zag hij zijn buurman voor het eerst in levenden lijve.

Zelfs wanneer Aleksei Jankovitsj hem niet jat valt fietsen op Solovetski niet mee. De heuvelachtige straten rondom het klooster zijn met hun grote modderpoelen al te lastig voor Ilva en Rune. Buiten het dorp liggen gebarsten en hellende betonplaten, zandpaden vol keien en verraderlijk diepe plassen. Ver komen we niet en bij de Kaap van Meisjesdromen stappen we van onze fietsen. “Het is inderdaad een indrukwekkend lang uitsteeksel,” merkt Eva op. Rondom het diepblauwe water van het meer staan de naaldbomen roerloos in de stilte. We horen geen enkel vogeltje. Wel muggen. Pas wanneer we het dorp weer naderen horen we het sonore gebrom van de dieselgenerator weer aanzwellen. Je zou denken dat Solovetski gebaat zou zijn bij windenergie, maar de eilandengroep verbrandt nog volop fossiele brandstoffen voor zijn energievoorziening.

Op het eiland Bolshoi Zayatsky zien we de mysterieuze stenen labyrinten waar Solovetski – naast het klooster en de goelag – om bekend staat. Het eiland telt twee bewoners, duizenden bloemen en dertien met mos overwoekerde labyrinten. Het doel van de concentrische stenen ringen, die op meerdere plaatsen in Scandinavië en op het Kola schiereiland zijn gevonden, blijft een raadsel. Hun precieze leeftijd ook: waarschijnlijk bouwden de voorouders van de huidige Samen de labyrinten tussen de 5000 en 2500 jaar geleden. Ook het weer blijft een enigma. We laten het zonovergoten Bolshoi Zayatsky achter ons en varen richting de mist die het Solovetskiklooster als een muur omgeeft. Het is 13°C. “In juni hadden we nog sneeuw,” verzucht Dasha. “Normaal gesproken zijn de kruipbramen in juni rijp; nu pas in augustus.” Daar boffen we dan weer mee.

Op onze laatste dag op Solovetski zien we de witte ruggen van drie volwassen beluga’s en één jong dier tussen de grijze golven. In juli, wanneer de jongen kleiner zijn, komen de dolfijnen nog dichter bij de kust. Dan nemen we afscheid van Dasha, Katja en Timofej. De ferry is de komende dagen volgeboekt, dus langer blijven zit er niet in. Het afscheid valt ons zwaar. Langzaam worden de zwaaiende silhouetten en daarna de massieve kloostermuren van Solovetski kleiner. Meestal kijken we er meer naar uit ons busje na een paar dagen terug te zien. Het is trouwens niet eens de enige Nederlandse camper in Rabocheostrovsk. “’t Is goed te doen,” vertelt de kleine Zeeuw met bril, pantoffels en gehoorapparaat over reizen door Rusland. Ook als je geen woord Russisch spreekt. Vorig jaar reed hij met zijn vrouw in tien maanden tijd door Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan, Mongolië en Siberië. “Ik moet toch niet meer werken!” Hij heeft gelijk. Eén blik op de kaart en je ziet dat Rusland hier in Karelië pas net begint. We rijden verder naar het noorden en hopen dat we de Solovetski-eilanden ooit weerzien.

Eilanden van Troost
Glimlachen voor niets

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*