Rustig parkje

Turijn 2006 bestond voor deze jongen niet uit curling en ijshockey: acht maanden na de Winterspelen besloot ik de stad te bezoeken. Niet omdat ik van steden hou – ik heb een grote hekel aan drukke plaatsen. Van Italië ben ik eigenlijk ook al geen fan. Zeker niet na een verplicht intermezzo op het vliegveld van Rome tijdens het Alitalia-debâcle van vorig jaar. Daar broer Coen, ooit nog Broer van het Jaar, anders denkt over Italianen was hij niet wars van een half jaar durende stage in het noorden van de laars. Met de Italiaanse dames kan hij helemaal goed opschieten en een tweepersoons bed is dan geen overbodige luxe. Het kwam mij mooi uit – een matje hoefde ik niet mee te nemen.

Laat er geen twijfel over bestaan: meneer miste mij niet en de ouders evenmin. Fijn om te horen. Voor het eerst alleen op kamers, maar heimwee had Coen niet. Dat had ik al afgeleid uit de overenthousiaste verhalen die hij stuurde. Het aantal punten stak schril af bij de hoeveelheid uitroeptekens die zijn manische relaas deed overkomen als een tekstballon uit de Donald Duck. Elke consumptie en – daaruit voortvloeiend – elke poep- en plaspauze werd door Coen tot in detail beschreven. We konden bij wijze van spreken uitrekenen dat hij over drie alinea’s weer een kleine boodschap zou moeten doen. Alles was mooi en alles was prachtig, maar mij fopte hij niet met zijn euforie. Italië blijft een land waar ik me niet over verheug, al waren de vakantiedagen die ik er als kind doorbracht best aardig. Sterker nog, ik had er helemaal geen zin in. Al waren mijn collega’s nog zo jaloers, een luie week in regenachtig Drenthe, samen met Eva, had ik echt niet erg gevonden.

Welke flapdrol houdt hier Winterspelen?! (JS)

Het zou natuurlijk zonde zijn van het ticket. Zaterdag startte ik in het holst van de nacht onze onbetrouwbare Peugeot. Ergens tussen de 100 en 110 kilometer per uur klepperde hij niet; bij alle andere snelheden wel. Het verontrustende gebonk hield me wakker en toen ergens in Brabant een waterig grijs licht de nieuwe dag aankondigde begon ik langzaam aan te geloven dat het wrak het helemaal tot Duizel vol zou houden. Mijn vader en moeder brachten me naar Eindhoven Airport, met onderweg als belangrijkste attractie een geschaarde auto met aanhanger dwars op de snelweg. Vroeger was mijn papa de beste chauffeur van de wereld; nu zorgde het uitwijken bij een auto met pech aan de zijlijn voor meer spanning dan we normaliter in de Kempen gewoon zijn. Van voorpret was nog altijd geen spoor te bekennen.

De eindeloze buitenwijken van Milaan, samenscholende zigeuners in de straten en de volgekladde muren maakten daar geen verandering in. Verval en graffiti waar je ook keek; alles was vies en smerig. Maar het schoot wel op. Een bijna-ongeluk op de snelweg van het vliegveld naar centraal station Milaan deed me opschrikken uit mijn slaap. Daarna waren het weer onverzorgde huizen met afbladderende verf en leegstaande fabrieken met ingegooide ruiten die aan me voorbij trokken. Dus dit was het rijke noorden van Italië? Het zag er troostelozer uit dan pakweg Albanië of Roemenië. Hier had ik deze staat van verval niet verwacht.

Viezigheid alom en bijna een boete van 25 euro aan de broek. Ik moest rennen om mijn trein te halen, kreeg ik aan de kassa te horen. Schijnbaar had ik in volle galop mijn ticket ergens moeten stempelen, want nu was ik in overtreding. Een preek later en een uur te vroeg stond ik op station Torino Porta Susa, om erachter te komen dat ik het telefoonnummer van Coen thuis in Drenthe op tafel had laten liggen. Nauwelijks verbaasd over mijn eigen nalatigheid besloot ik dan maar een uurtje de krant te lezen tot broerlief op kwam dagen. Hij had er nog commentaar op ook. “Wat nou als je vertraging had gehad?” Maar dat had ik niet.

Herfstkleuren in de mist (JS)

Turijn heeft bijna een miljoen inwoners. Als je er heen moet, ga dan met het openbaar vervoer. Eén metrohalte en vijf minuten lopen verder stonden we voor Coens flat. Señor Hernandez, zo heette hij het komende half jaar, viel er op het naamplaatje te lezen. Niet naar de fijne Nijmeegse stripzaak, maar puur uit gemakzucht. Waarom zou hij de naam van de vorige bewoner ook verwijderen? Zijn kamer op de vierde verdieping, met uitzicht over niets dan flats en beton, was een aangename verrassing. Ruim genoeg, tweepersoons bed, internetaansluiting, smaakvolle sportshirts aan de muur en een gezamenlijke badkamer en keuken. Deze deelde hij met Colombiaan Esteban en Mexicaan Laureano. Andere huisgenoten dan ons pap en ons man is Coen niet gewend en het viel hem dan ook af en toe best tegen te moeten samenleven met deze ongemanierde studenten uit de Nieuwe Wereld. Een imposante afwas sierde het aanrecht, als je goed keek kon je nog net een goudvis ontwaren in het troebele water van de vergeten bak op tafel en midden in de nacht rolden Esteban en Laureano lachend met meisjes de flat binnen. En toch, heimwee naar Duizel had ie niet.

‘s Avonds volgde een eerste kennismaking met Turijn. We gingen voor een aperitivo naar de bar Km 5. Een soort studentenbuffet waar bier zes euro kost. Wijn en plat water trouwens ook. Je mag er wel zoveel bij eten als je wilt, van plastic bordjes en met dito bestek. Daarna was het tijd voor een ‘chupito’ of zoiets. Een glaasje rum achterover kieperen, slechte herinneringen aan Admiraal Vermin verdringend, en daarna een shot perensap. Zo ging dat daar, werd mij uitgelegd. Nu ben ik niet iemand van ‘When in Rome, do as the Romans do’ (al helemaal niet in Italië, al had ik wel een blinkend gouden American footballshirt bij me om de macho uit te hangen), maar Coen was mijn gids. Dat ik altijd mijn eigen plan moest trekken vond Coen soms vervelend, maar hij verheugde zich erop eindelijk met iemand bergen te kunnen beklimmen. En dat mijn koppigheid erin resulteerde dat op mijn enige foto van Turijn zelf de Olympische mascottes prijken en niet de Mole Antonelliana, Palazzo Carignano of het uitzicht vanaf Monte dei Cappuccini, daar kon hij hartelijk om lachen.

Helemaal eigen plan was het niet, want Coen wilde dus ook naar de bergen. Een week eerder waren twee van zijn vrienden langsgeweest. Het was een soort stapvakantie geweest waarop menig kroeg werd bezocht. Nu wilde Coen de stad wel eens uit. Dat valt nog niet mee met een eigen auto. Italianen rijden zelfs gevaarlijker en vooral onnadenkender dan Albanezen. Het kan dus echt. Ze hebben hier namelijk goede wegen, waardoor de maniakken grotere snelheden kunnen bereiken. Wat een chaos! Coen snapte ook niet goed hoe hij zijn auto tussen deze idioten twee maanden zonder schram had kunnen houden. Er werd ingehaald op tweebaanswegen met doorgetrokken lijn. Dat doen ze in Drenthe ook, maar daar is geen verkeer. Hier werden dit soort wegen omgebouwd tot erg krappe driebaanswegen. Bumperklevers zetten groot licht op en er werd steevast plankgas gereden naar het volgende rode stoplicht. De EU heeft groene golven duidelijk nog geen gemeenschappelijk goed gemaakt.

Nieuwsgierige berggeiten (JS)

De weg naar het Gran Paradiso natuurpark was allerminst eenduidig, maar dat is blijkbaar de Italiaanse manier van bewegwijzeren. De wegen op de kaart werden wit, de weggetjes in het echt smal en met bochten. Steden en mensen lieten we achter ons zodra bergen ons omringden. In Forzo, een nauwelijks noemenswaardige verzameling huisjes van grijze steen, hield de weg op. We parkeerden. Er was alleen stilte in het dorp en herfstkleuren in de bomen op de steile berghellingen erachter. Een kleurenpracht van groen, geel, oranje, rood en bruin zorgde ervoor dat de mist en grauwe luchten niet langer de boventoon voerden.

We besloten twee uur naar boven te klimmen en daar te kijken of we een ronde konden maken. Volgens de informatieve tekening in Forzo was dat in theorie mogelijk, al was een tijdsindicatie handig geweest. Na tien meter waren we de weg al kwijt. Dat was voor beide een nieuw record en evenzeer een teken aan de wand. Een smal paadje langs stenen muurtjes leidde ons door een steeds troostelozer landschap omhoog. Hier kwam je eind oktober geen mens tegen. De berggeiten wiens pad we kruisten keken verbaasd op om vervolgens met voorzichtige sprongen wat meer afstand te nemen. Het bood een naargeestig gezicht dat zelfs de naaldbomen hier hun kleur verloren. De bruine en oranje bomen stonden eenzaam tussen vervallen stenen hutjes. Het pad werd vanaf hier niet met geverfde tekens gemarkeerd, maar met hoopjes stenen die soms akelig veel op mensen leken. Het leek het werk van Blair Witch-liefhebbers.

Boven de boomgrens sloot de mist zich helemaal om ons heen. In deze bergen leefden buiten het zomerseizoen geen mensen. Ruïnes toonden aan dat ook in het rijke noorden van Italië het platteland verpaupert. Geen van de bouwvallen gaf ons uitsluitsel over hoe verder te lopen. Hadden we de kaart in Forzo nu maar nagetekend. Intuïtief hielden we zoveel mogelijk rechts en naar boven aan, maar Coen begon voorzichtig over terugkeren te praten. Gezien het feit dat ronddwalen over deze mistige, moeilijk te volgen paden in het duister geen goed idee was, had hij wel een beetje gelijk. We spraken af tot hoe laat we door zouden gaan. We hoefden er in ieder geval niet op te rekenen ergens de weg te kunnen vragen, want al sinds het dorpje hadden we geen mens gezien. Eigenlijk zagen we in Forzo zelf ook geen levende ziel. Rustig parkje, dat Gran Paradiso.

Leegstaande dorpen in Gran Paradiso (JS)

Precies op de minuut dat we om zouden keren zag ik voor ons een huis uit de mist opdoemen. Berghut Muena op 2200 meter hoogte. Alles zat op slot; een kaart was nergens te bekennen. Na goed zoeken vond ik dertig meter verderop een aanwijzing. Er liep een pad omhoog, verder het gebergte in, en een weg naar beneden. Helemaal zeker waren we er niet van, maar naar beneden is meestal goed in dit soort situaties. Jonge berggeiten vluchtten in paniek weg. De tekens op de stenen waren hier ouder dan aan het begin, bij Forzo. Vale strepen waar we soms goed naar moesten zoeken leidden ons naar een vermolmde brug over een klein ravijn. De balken waaraan we ons vast konden houden bungelden doelloos naar beneden. Schuifelend bereikten we de overkant en even later vermengden loofbomen zich met het verkleurde naaldbos.

Dat we een dorpje zouden bereiken hadden we wel verwacht (of gehoopt), maar dit was niet Forzo. Dit dorp stond niet op de kaart. Ruïnes en verlaten huizen van grijze stenen leunden tegen elkaar bij een wild stromende rivier. Eén huis leek nog bewoond te zijn: paarse bloemen staken vreemd af tegen het uniforme grijs. De weg leidde door het dorp en weer bergop. Het was maar goed dat we hier het enige andere groepje wandelaars tijdens onze zes uur durende tocht tegen het lijf liepen. Italianen spreken geen Engels èn weten niets. Albanezen weten meestal ook niks weet ik uit ervaring, maar dat weerhoudt ze er niet van je te helpen en de meest fantastische antwoorden te verzinnen. Italianen bleken wat minder behulpzaam. Pogingen van Coen de wandelaars te overreden in het Italiaans te spreken waren vruchteloos. Pech voor ons, maar ze spraken geen Engels en vonden dat ze dus onmogelijk iets aan buitenlanders uit konden leggen.

Eén van de drie, een met zijn grijze baard goed in de omgeving passende man, sprak wel enkele woorden Engels. Na wat beter interpreteerwerk begrepen we dat er geen dorp lag in de richting waar het drietal zojuist vandaan kwam; van Forzo hadden ze nog nooit gehoord. De weg die ze nu volgden leek de meest logische, dus wij gingen ook die kant op. Langs de rivier, bergaf. Er stond niets meer aangegeven, maar na een tijd zagen we Forzo en onze auto in de vallei onder ons. Helaas niet op tijd voor Coen om nog om zeven uur ‘s avonds thuis te zijn. Michael Schumacher reed vandaag zijn laatste race in de formule 1 en dat wilde mijn broer graag zien. Na snel geparkeerd te hebben kookte ik dan maar zodat hij de laatste helft van de race kon zien. Tonijn, pasta, tomaten, uien en spinazie. Dat waren de enige ingrediënten die meneer in huis had, dus alles maar op een hoopje gegooid. Als ie zelf kookte werd Coen er wel eens ziek van, dus hij vond het niet zo’n ramp dat ik me ermee bemoeide terwijl hij Schumi zich van positie laatst naar een vierde plek zag vechten. Geef mij maar American football of ijshockey. Italië – het is niet mijn favoriet.

Kant en klaar autotoerisme, aan de prijzige kant
Team America: World Police

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*