Schandalig rijk en exorbitant rijk, netjes van elkaar gescheiden

Mist, sneeuw en koude, maar de pas tussen Andorra en Frankrijk was vandaag geopend. Zouden ze ons zomaar laten gaan? Zagen we er niet veel te stoer uit met onze baarden? “Maar… wij mannen hebben toch baarden?” wist mijn neefje Sebastiaan van drie jaar oud al, enigszins beteuterd. “Ja, maar niet iedereen kàn er een laten groeien,” remde zijn moeder zijn enthousiasme. “Kijk maar naar papa.” Wij wel, maar dat werd niet door iedereen gewaardeerd. Ik heb het even niet over Joost, die chagrijnig zijn als hobby heeft, maar over de douane. Of lag het er gewoon aan dat Gijs Andorra veel te langzaam binnen reed en de douaniers daarmee praktisch uitnodigde onze verlaagde Golf eens grondig te inspecteren?

Ik besloot vol gas Frankrijk in te dalen. In de achteruitkijkspiegel niets dan mist. Zigzaggend verlieten we de Pyreneeën, nog altijd vol gas, totdat een extra tempoverhoging de uitlaat noodlottig werd.
Tussen het geklepper door kon ik nog net verstaan dat Gijs ons naar de vluchtstrook commandeerde. Niets te zien, des te meer te horen. Dit was niet best. Kwamen in ieder geval de veiligheidsvestjes nog van pas. Een parkeerplaats leek ons nog veiliger dan het dragen van flitsende, fluorescerende hesjes, dus rammelend tuften we nog enkele kilometers verder. We zaten nabij Carcassonne, het begon te regenen en de auto moest nog vijf Kleine Landen heel blijven. Ik heb gelukkiger momenten gekend. De ANWB stond vooralsnog niet te springen ons op het beoogde tijdstip in Monaco te krijgen. “Waar staat u precies? Oh, langs de snelweg dus? Dat wordt dan 112 bellen, want daar mogen we niet komen.” Met sleepkosten voor eigen rekening. Het zal wel iets met tolwegen te maken hebben, maar zo gemakkelijk lieten we die Fransozen onze euro’s niet afpakken.

Uitzicht vanaf de Knoflookkaap (JW)

Bij een bepaald toerental, ergens rond de 1800, ging het geklepper van de uitlaat wat minder door merg en been. Dan resoneerden de brokstukken precies goed. Jaap bond de uitlaat met een schoenveter aan de achterklep, waarna we ons gespannen verder op weg begaven, dit overigens niet laten blijkend met een opgefokte rijstijl. Afslag Carcassonne werd gehaald, waarna de herrie nog moeilijker te verdragen werd bij het stilstaan voor stoplichten. Bevend parkeerde ik de Golf op een parkeerplaats in de bebouwde kom. “Ah, u staat dus niet langs de snelweg? Ik ga kijken wat ik voor u kan doen,” klonk de ANWB al wat behulpzamer. Binnen een uur stond er een Franse garagist bij ons. De voertaal was, zoals we al vreesden, Frans en zijn rijstijl ook. Met zestig kilometer per uur en zelden bij het juiste toerental sjeesden we achter hem aan naar het industrieterrein van Carcassonne. Daan en Jaap waren we inmiddels kwijt, want die waren richting het middeleeuwse stadscentrum gewandeld. Dat was van later zorg. Eerst hadden we oranje stoplichten, een garagist die nimmer richting aangaf en andere Fransen op de weg om rekening mee te houden. Mijn respect voor coureurs die tweede worden in een race nam met de bocht toe.

“C’est très grave?” probeerde ik in m’n beste Frans. “Non, mais c’est cassé – broken,” wees de garagist. Zijn kompaan, een beetje een kleine, boos kijkende versie van Theo Maassen, hielp ons verder. “Dit ziet er best professioneel uit,” bewonderde Gijs de monteurs. Op de sigaret in de mond tijdens het slijpen na dan. Onze Golf zag er wat afgeleefd uit aan de onderkant, zagen we. We konden de plaatsen waar het ding de grond altijd raakte zo aanwijzen, maar dat durfden we niet. Een en ander zag er een beetje broos uit. Naarmate de lunchtijd naderde kwam de befaamde Franse slag er meer en meer aan te pas. Een verbindingsstuk werd aangebracht om de netjes in tweeën gebroken uitlaat te ondersteunen. Er zat echter nog een deel van de oude uitlaat in de weg. Het gehamer oogde steeds ongecontroleerder, tot de monteur zich gewonnen gaf en het ding dan maar in het nieuwe onderdeel liet zitten. Zo, klaar. Da’s dan 44 euro. Met drie uur vertraging pikten we Daan, Jaap en wat broodjes op op de parkeerplaats waar we begonnen, waarna Jaap verder reed naar Monaco. De auto klonk wat meer als een raket, maar we waren weer onderweg en reden door een mediterraan landschap van cipressen, golvende uitlopers van de Pyreneeën en veel zon op slaperige dorpjes. We hadden er weer zin in en opgewekt toerden we uren lang door Zuid-Frankrijk. Carcassonne lag alweer ver achter ons; Narbonne, Montpellier, Nîmes en Marseille wisselden elkaar af op de borden. De radiozender stond afgestemd op Jaap, met anekdotes over surfliedjes waardoor hij en zijn broer gitaar zijn gaan leren spelen en verhalen over Van Gansewinkel. Bijeneters en flamingo’s zagen we niet, maar na uren zonneschijn verschenen St. Tropez, Cannes en Nice op de bewegwijzering. Het derde Kleine Land was niet ver meer en Gijs reed ons er sportief heen. De vrouw voor ons betaalde de tol voor de péage te langzaam, naar zijn zin. Bergaf drukte Gijs de Golf wel erg dicht tegen de onverlaten aan. Spannend, deze rijstijl waar wij niet unaniem voorstander van waren.

Monaco was het Kleine Land waar we het verst vandaan overnachtten. De rijk besterde hotels in het prinsdom waren voor ons onbetaalbaar. Aangezien de dichtstbijzijnde camping dertig kilometer verderop zat (geen goedkope sjappies in mijn land, zal prins Albert II gedacht hebben), werd het toch een hotelletje, maar dan wel in Cap d’Ail. De Knoflookkaap. Dat klonk veelbelovend. Vier grote jongens, twaalf dagen opeengepakt in een heet autootje. Het is dat de receptionist over zijn vriendin vertelde, maar zijn lichtblauwe spencer met daarboven de kraag van een roze blouse (zelfs Gijs durfde het nu geen overhemd te noemen), zachte stem en bobbel in de broek deden vermoeden dat hij er graag bij was gekropen, vanavond in de knusse tweepersoons bedjes waar we zouden slapen. We wilden zo snel mogelijk naar Monaco, maar de flapdrol bleef maar doorgaan over de zes geheime stranden aan de Côte d’Azur en dat we daar echt heen moesten gaan. “Hoe kun je nou weten dat er precies zes geheime stranden zijn?” wilde ik weten. Blijkbaar was deze vraag nog niet eerder gesteld en even later liepen we over de boulevard langs de Middellandse Zee.

De weg was bekend, want Gijs was Monaco – of Múnegu, zoals er op de bordjes stond – al binnen gereden. Zomaar de Europese Unie uit, zonder iets van controles. En Monaco zal niet snel bij de EU komen. De gevleugelde term ‘De laatste dictator van Europa’ wordt steevast aangehaald wanneer het gaat over Loekasjenko, chèf d’état van Wit-Rusland. Wij weten wel beter: deze vakantie bezochten we drie dictaturen. In Monaco bepaalt prins Albert II de gang van zaken. Lang niet alle Monegasken hebben stemrecht en als ze al mogen stemmen is het onduidelijk waar ze over beslissen. De prins mag elke wet goedkeuren dan wel schrappen en censureert de lokale media om de haverklap. In Liechtenstein zit ook zo’n pipo die de dienst uitmaakt. Prins Hans-Adam II mag te allen tijde worden afgezet door zijn onderdanen, maar heeft gedreigd bij vertrek al zijn miljarden mee te nemen. Die blijft nog wel even aan de macht. De grootste dictator is natuurlijk paus Ratzinger, die na verkiezing nergens meer verantwoording aan hoeft af te dragen. Samen met Monaco heeft Vaticaanstad als enige Europese land de Europese conventie voor bescherming van de mensenrechten niet ondertekend.

Monaco had best mooi kunnen zijn (GC)

Dat Gijs Monaco in chauffeerde was niet de bedoeling, maar we waren de weg kwijt in Cap d’Ail. “Snel, noem eens een straatnaam,” verordonneerde Daan. Ik keek rechts van me en riep vol overgave: “Boulevard du Combatants de Afrique du Nord!” Hoe vet is dat voor een straatnaam! Daan vond de straatnaam niet, waarna we in Monaco parkeerden. Een blik op de kaart leerde ons dat we terug moesten om linksaf de Boulevard du Combatants de Afrique du Nord in te rijden, alwaar we vlakbij Hotel Normandy konden parkeren. In onze haast het prinsdom te bezoeken letten we niet goed op in de supermarkt. Onze drank voor vanavond zou een fles Towers zijn. Whisky, stond er op het etiket, maar Daan en Jaap hadden niet opgemerkt dat er ‘drank met’ voor en ‘smaak’ achter stond, in kleine letters. Jawel, 4% whisky en 96% landbouwalcohol. Het was de enige sterke drank die we konden betalen, hier op de Knoflookkaap.

De uit Brice de Nice bekende, gladgestreken en azuurblauwe zee was nog dezelfde, de palmbomen langs de weg en de witte jachten in de verte eveneens, maar de straat heette ineens de Avenue de Prince Héréditaire Albert en alle straatnaambordjes werden gesierd door een tikje geroteerde Brabantse vlag. Dit zou Monaco dan wel wezen. Dure boten overal. Andorra kent wat gunstige belastingregeltjes, maar over Monaco waren we ook niet voorgelogen. Zelfs de stoep zag er duur uit. En dan waren we nu nog maar in de nieuwste en saaiste wijk van het land, Fontveille. Hier werd steeds meer land drooggelegd om richting zee uit te kunnen breiden. Het was er net zo saai als in Flevoland.

Zelfs midden in dit twee vierkante kilometer grote landje was niet alles volgebouwd. Nu valt dat ook niet mee op loodrecht omhoog rijzende rotswanden. Rotsen in een stad, altijd goed. In de zwembroek paraderen, niet goed, volgens de prins. Toeristen zijn een noodzakelijk kwaad als ze zakken met geld naar je prinsdom komen brengen, maar dan mogen ze zich wel behoorlijk kleden. Overal waarschuwden verkeersborden welke lichaamsdelen continu bedekt dienden te blijven (met name de leuke lichaamsdelen) en de hoogte van de boete. Foto’s als in Andorra zaten er hier niet in.

Er bleven zich nieuwe trappen aandienen in dit behoorlijk schuine landje van niets. Nu zagen we ook de echte haven. Die luxe jachthaven van net was dus maar een opwarmertje. Porte Hercule, met daarachter het prop- en propvol gebouwde Monte Carlo, veranderde langzaam in een zee van lichtjes met het vallen van de schemering. Oude torentjes en muurtjes met mos lieten zien hoe het ook had kunnen zijn, maar de hijskranen en duizenden appartementen in flatgebouwen maakten dat Monaco niet ons favoriete Kleine Land zou zijn. Het truttige, prinselijke paleis met de lullige kanonnetjes ervoor vormde wel een heel duidelijk statement: Monaco is niet stoer. De jokers die hier op wacht stonden leken er enigszins beschaamd bij te kijken. Nu is de geschiedenis van Monaco ook niet echt stoer. De familie Grimaldi vermomde zich in de 13e eeuw als monniken en sloop stiekem het kasteel binnen. Ze veroverde het landje liever zonder mannelijk wapengekletter. Een standbeeld van een in pij gehulde insluiper sierde het pleintje.

En toch is Monaco niet stoer (JS)

Als je geen geld hebt hoor je er niet bij in dit glamourstaatje, dus het viel ons erg mee dat uit eten in een restaurantje en flesjes Monegaskisch bier best te betalen waren. Langs het Oceanografisch Museum voerde weer een weg met veel trappen slingerend door parkjes vol palmbomen naar de haven. Monaco was volop in de voorbereidingsfase voor de Grand Prix Formule 1 van 21 tot en met 24 mei. Nu konden we nog gewoon door de pitstraat en langs de tribunes lopen, op weg naar Port Hercule. Schandalig rijken en exorbitant rijken waren hier duidelijk van elkaar gescheiden. “Ik heb me laten vertellen dat een boot hier gemiddeld één miljoen euro per strekkende meter kost,” deelde Jaap ons mee. Dit waren dus jachten van twintig miljoen euro of meer – de één nog patseriger dan de ander. Schepen uit heel de wereld lagen hier voor anker. De echt bevoordeelden der aarde hadden hun bootje verderop geparkeerd. Hier ging de prijs volgens onze berekeningen eerder naar de vijftig miljoen, met als hoofdprijs de viermaster van een meter of honderd. Van Gansewinkel had hier ook een boot, vertelde Jaap.

Het casino viel na zoveel duurdoenerij dan wel weer mee. Dit hadden we protseriger verwacht. Oh wacht, we zaten naar de achterkant te kijken. De voorkant was inderdaad behoorlijk over de top. Een lange rij möchtegern-miljonairs stond te popelen colaatjes à tien euro achterover te klokken en hun spaarcentjes in het prinsdom achter te laten. In onze korte broek mochten wij van de gezonde buitenlucht genieten. Gezonde lucht vol uitlaatdampen van Ferrari’s, Maserati’s en Bentleys. Zie je dure auto hier maar eens te parkeren, haha. We poseerden nog even met een euro of driehonderd (hier net genoeg om je billen mee af te vegen) voor het feestelijk verlichte casino en verlieten de kitscherige kermis van praalverlichting en barokke gebouwen. Het was inmiddels nacht en morgen wachtte ons weer een flink eindje kachelen. Het was verder lopen dan we gedacht hadden. Weer moesten er heel wat trappen beklommen worden. Je hoefde maar “Hey, Rocky!” te roepen of Daan en ik waren al boven. Gijs en Jaap lieten zich minder snel opjagen. Monaco was met al die niveauverschillen, die straten die boven en onder elkaar doorliepen, die huizen op daken van andere daken, nog best aardig voor een avondje, met af en toe interessante doorkijkjes naar lager gelegen niveaus. Best aardig – en da’s al meer dan van onze fles drank die avond gezegd kon worden.

Het heiligste van het heiligste eens duchtig ontheiligen
Ingesneeuwd zonder hasj en illegale drank

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*