Sovjethelden

“I will always remember you as the guys who have to do seven things each year,” kregen we in Albanië ooit te horen. Warempel, we hadden er zelf nog niet echt bij stilgestaan, maar na de zeven kleinste landen van Europa, onszelf een leverhernia drinkend bij zeven Trappistenbrouwerijen en een frisse duik in zeven zeeën had Ben daar een punt. Maar al zat Minsk 2014 voor ons al vijf jaar in de koker, ons geliefde thema aan het WK IJshockey in Wit-Rusland verbinden viel lang niet mee. Sterker nog, pas luttele weken voor vertrek kregen we groen licht om in onze vaste tourgeleding in de eveneens groen getinte Golf te stappen. Een nieuwe directrice gaf me een extra week vrij buiten de schoolvakanties om, twee nieuwe werkgevers zagen er geen bezwaar in Gijs met ons op pad te sturen en dankzij een onverwachte administratieve klus die hem extra vrije dagen opleverde, kon ook de reeds afgemelde Jaap alsnog mee. Wat een feest. Zelfs sterke protesten van de Verenigde Staten, Duitsland, Zwitserland, Noorwegen en Zweden wisten de ijshockeylobby van kartrekker Alexander Loekashenko, welke zich gesteund zag door de net zo ijshockeygekke Vladimir Poetin, geen spaak in het wiel te steken.

Sovjethelden (JS)

Wie op zoek gaat naar numerologische symboliek zal deze ook vinden. IJshockey is een mooie sport, maar zeven wedstrijden bezoeken leek ons wat veel van het goede. Ons beperken tot slechts zeven wodkamerken? Mijn neus. De gouden ingeving betrof het aantal spelers op het ijs. Waar een grote vlag met het getal twaalf de Space Needle in Seattle sierde toen het team eerder dit jaar de Super Bowl veroverde, aangemoedigd door een uitzinnige menigte die zich ‘The 12th Man’ noemde, waar fanatieke supporterschares bij basketbal zich uitgeven als ‘zesde man’, zouden wij het Wit-Russische ijshockeyteam toejuichen als zevende man. Of als седьмой игрок, zoals de Russen het zo treffend zeggen. Ludmilla, mijn juf Russisch, wilde ook wel helpen. “Wat denk je dan van Wit-Rusland?” polste ze. “Tsja, met Loekashenko die bekend staat als laatste dictator van Europa (terwijl eenieder die op Kleine Landen Tour is geweest zo nog een stuk of drie Europese despoten weet te noemen) staat het land niet best te boek,” probeerde ik voorzichtig te beginnen. Fout. Als geboren Wit-Russische verdedigde ze de sterke leider van het land. Het was er schoon en er was meer orde dan in Nederland. “Ze proberen er gewoon een ander systeem uit dan wij hier,” concludeerde Jaap. En soms is één kapitein op een schip gewoon voldoende. “Ga zelf kijken en oordeel dan,” betoogde Luda. Die uitnodiging nam ik graag aan en met een Wit-Russische vlag met daarop de tekst ‘привет из Голландии’ (Groeten uit Nederland) hoopten we wat goodwill te kweken bij het gespuis in dit boevenland. “Ach, wat mooi!” riep Luda uit. Veel Wit-Russen zouden volgens haar jaloers zijn op zo’n staalje huisvlijt. Het was typisch Nederlands om je zo goed ergens op voor te bereiden.

In dat licht bezien is het goed mogelijk dat onze vaste tourshirtdrukker ook een Wit-Rus is. Eén dag voor vertrek waren de shirts eindelijk af, na een foutieve zwarte proefdruk in plaats van groen en met de weinig geruststellende mededeling dat het kleurverschil tussen voor- en achterkant beslist minder groot zou zijn dan vorig jaar. Met de toen nog witte shirts strak gespannen om de vlak voor vertrek met zestien kroketten en frikandellen en voor acht personen friet gevulde buikjes, konden we tot in de puntjes voorbereid op pad. Onderweg stoppen om te eten hoefde de komende dertien uur niet en met 1250 kilometer immer gerade aus over de E30 hadden we geen Tomtom nodig om de grensovergang bij Brest, Wit-Rusland, te bereiken. Die dertien uur vlogen voorbij met meezingers van Armand (Liever een Rus/In mijn keuken/Dan een raket/ In mijn tuuuuiiin), een keer of 52 de Belarussische hymne en applaudiseren voor de spectaculaire inhaalmanoeuvres van Poolse chauffeurs, die er hun hand niet voor omdraaiden om op een tot driebaansweg gepromoveerde provinciale weg inhalende automobilisten terwijl die een vrachtwagen passeerden uiterst links nog voorbij te streven. Chapeau!

Aan de grens van het gesloten, van staatswege nauwgezet gecontroleerde en als uiterst onguur bekend staande Wit-Rusland wachtte ons een ware VIP-ontvangst. Indrukwekkend bemutste mannen plaatsten een galamineerd WK-logo achter onze voorruit, loodsten ons richting een op het asfalt gedrukt ijshockeylogo en verzochten ons beleefd enkele papieren in te vullen. Het tonen van onze wedstrijdtickets volstond: voor heel even hadden bezoekers van Wit-Rusland geen visum nodig. “Nee jongens, jullie komen toch voor het ijshockey?”

Drassig (JS)

Een half uur later reden we over de brede Praspekt Masjerava naar Heldenfort Brest. Een handvol soldaten hield hier tijdens Operatie Barbarossa in 1941 moedig stand tegen de Duitse Wehrmacht. Brest moest tijdens deze verrassingsaanval in twaalf uur worden veroverd door Panzergruppe 2, maar pas na zes weken belegering, met de Nazi’s al voorbij Wit-Rusland in het Russische Smolensk, braken honger en dorst het laatste verzet. “Ik ga sterven, maar zal me nooit overgeven. Vaarwel, Moederland,” schreef de laatste overlevende op de door mitrailleurvuur tot gatenkaas gereduceerde muren. Russische heldenliederen weergalmden in een blok beton waaruit een gigantische ster was gehakt bij de ingang van het herdenkingscomplex. Achter vier tanks konden uniformen van het Rode Leger gehuurd worden. De vele Russinnen die hierin gekleed bevallig tegen berken poseerden, deden nauwelijks afbreuk aan de plechtstatige sfeer van het Heldenfort.

Bij het Dorstmonument marcheerde juist een jeugdig ogende groep voorbij. De met vooruit gestrekte arm met daarin zijn legerhelm kruipende soldaat, zijn geweer krampachtig in zijn andere hand houdend, was gebaseerd op de laatste overlevende van het fort. De overlevering wil dat de Duitsers dusdanig onder de indruk waren van zijn moed dat ze de man hebben laten gaan. Een nog indrukwekkender monument was al zichtbaar vanaf de toegangspoort tot het fort. Achter een eeuwige vlam, met boeketten voor elk van de dertien heldensteden van de Sovjetunie, verrees het 34 meter hoge blok beton dat ‘Moed’ heette. Liefhebbers van communistische kunst: veel beter wordt het niet. Met vastberaden blik keek deze verdediger van het Moederland uit over de kapotgeschoten ommuring van het fort. De honderd meter hoge obelisk ernaast viel er haast bij in het niet.

Ons oponthoud in het Museum Van In Beslag Genomen Kunst was bijzonder kort. Ons geconfisceerde entreegeld was waarschijnlijk meer waard dan het tentoongestelde in dit museum waarvan met de PR niets mis was. Daar deden ze in Nationaal Park Belovezhskaya Pushcha dan weer helemaal niets aan. We moesten ons melden bij Hotel 4 voor we bij Meer 2 onze tent op mochten zetten, maar een wolkbreuk deed ons nog even overwegen toch voor een hotelkamer te opteren. Terwijl Wit-Rusland de Duitsers op het ijs versloeg en wij onze koolsoep naar binnen lepelden, werd het weer gelukkig steeds beter. Bij het kampvuur, met het onweer zich steeds verder van ons verwijderend, konden we ons alsnog aan de Golkiper wodka en Zubrowka tegoed doen.

Wie zoet is krijgt lekkers (GC)

Wit-Rusland is plat en de Bradt reisgids had duidelijk moeite om voldoende bezienswaardigheden te noemen om het boek te vullen, maar dat het land verre van saai is hadden we na Brest en Belovezhskaya Pushcha wel door. Majestueuze oerbossen, moerassen waar we elanden hoorden lopen, koren van duizenden kikkers en een persoonlijk record ringslangen deden ons afvragen wat er nu eigenlijk mis was met Wit-Rusland. We konden het niet ontdekken. De enige menselijke invloeden in dit overweldigende stuk natuur leken de tactisch geplaatste houten poephuisjes te zijn. Nou ja, misschien schets ik dan een iets te rooskleurig beeld, want onze voettocht naar Grootvadertje Vorst (tegen het advies van de parkmedewerkers in, die twaalf kilometer te voet echt te ver vonden) leidde enkel over asfalt. Asfalt dat geflankeerd werd door oerbos, ringslangen, hazelwormen, zandhagedissen, levendbarende hagedissen, wielewalen en befietst werd door Russisch sprekende meisjes die ons snoepjes gaven – dat dan weer wel. In picknickhuisjes was nergens graffiti te ontdekken. Nergens lag afval.

Grootvadertje Vorst verwachtte ons al. Midden in het woud, vlak achter het dorpje Lyatskiya, woonde de oude man met imposante witte baard en kekke geel-witte laarzen hier het hele jaar. Het leek misplaatst, deze Wit-Russische kerstman in dit mooie weer, met de blauw flikkerende kerstverlichting aan zijn houten residentie tamelijk overbodig in het felle zonlicht. Grootvadertje Vorst gaf ons geen moment de kans zijn authenticiteit in twijfel te trekken: “Ah, Nederland! Я – Sinterklaas. Я знаю всё!” Sinterklaas wist alles, dus ook dat wij brave jongens waren. Wie zoet is krijgt lekkers, dus in een ander houten gebouw mochten we elk een doosje chocolaatjes ophalen.

Terug van onze enerverende ontmoeting was het zaak een goede bodem te leggen, dus bij het café bij de ingang van het nationaal park bestelden we opnieuw viermaal het hele menu en een paar glazen samogon. En twaalf zakjes chips. De serveerster gaf er twee, waarna ik mijn vraag in correct Russisch herhaalde. “Hij zegt toch twaalf, mens,” hielp een Russische ijshockeysupporter ons. Het volstond geenszins met het hoge drinktempo van Daan. Na al het bier te hebben opgedronken, verzuimde Daan zijn drempo aan te passen toen hij op wodka overstapte. Ook die flessen waren snel leeg. “Paniek!” riep Daan. “Hoezo paniek?” wilden wij weten. “Omdat ik maar achterover blijf vallen.” Ja, voorover hielden we hem telkens tegen, bij het kampvuur. “Moeilijke vragen, daar gaan we niet op in,” mompelde hij toen we vroegen hoe het met hem ging. Helaas, de drassige grond wees uit dat ook Daan zijn clean sheet op Tour niet tot in de eeuwigheid wist te behouden. Misschien dat we ons drempo een tikje moesten verlagen, want in Minsk zou aan wodka vast geen gebrek zijn.

Fotomodellen
Where in the World is Osama Bin Laden?

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*