St. Kilda? Klinkt goed!

Loch Linnhe, Loch Lochy, Loch Oich, Loch Garry, Loch Loyne, Loch Cluanie, Loch Duich, Loch Long, Loch Alsh. Na negen meren (dus dáár blijft al dat water!) bereikten we eindelijk het fotogenieke kasteeltje Eilean Donan. Op de plaats waar drie lochs elkaar ontmoetten lag het kasteel op een kleine landtong in de uitgestrekte watermassa. Je hoeft geen Schot te zijn om bij het zien van zo’n uitgelezen toeristische locatie de £-tekens in je ogen te krijgen.

Alles was er duur en vanalles was er te koop. En weer was alles ingesteld op de bezoekende vrouwen van middelbare leeftijd. Mijn advies: blijf alsjeblieft buiten. De truttigheid regeert aan de binnenkant: alles is snoezig aangekleed en daarbij minder interessant dan de gemiddelde zolderinhoud waarmee ze in Tsjechië ‘musea’ durven te vullen. Gauw weer naar buiten dus (het was vandaag droog; we reden tenslotte auto en ver) om zeehondjes te kijken. Suffe beesten.

Kyle of Lochalsh was slechts een zeehondworp van Eilean Donan verwijderd. Hier begon de indrukwekkende brug die het vasteland – voor zover je iets waar ook Engelsen op wonen zo kunt noemen – met het eiland Skye in verbinding stelt. Wel eens van gehoord? Vast wel. Het eiland is zo ontzettend populair dat we hier in de file stonden. En het was nog een tolbrug ook.

Op Skye reden we direct door naar Portree, de hoofdstad van het eiland. De camping was Spartaans. Naast het grasveld bevond zich een huisje met wc’s, wastafels en douches. Daar konden we fijn koken, want uiteraard regende het de hele dag en als het niet regende waaide het wel. In een zeldzaam droog ogenblik liepen we het stadje (dorp) in om een dure pint te halen. Portree ligt in Schotland, dus vond er een doedelzakoptocht plaats in het centrum. Alleen Gijs en ik hielden het langer dan vijf minuten uit en genoten drie kwartier lang van de nimmer aflatende muur van geluid die al het andere naar de achtergrond verdreef.

There can be only one (EH)

Een kinderhand is immers gauw gevuld. Doordat we zo zelden van dit subtiele instrument mogen genieten maakte het ons niets uit dat deze blazers uit Rotterdam kwamen. Daar ga je dan voor naar Schotland. Ach ja; zelfs met zijn belachelijke prijzen en het slechte weer was het in Schotland beter toeven dan in Rotterdam. Of de hele Randstad, Utrecht incluis, wat dat betreft.

Het (relatief) mooie weer waarin we naar de pub en terug naar de camping liepen was van korte duur, waarna de omstandigheden weer wat meer karakteristiek voor Schotland werden. ‘s Nachts zette er een storm op zoals geen van ons elven ooit slapend in een tent had meegemaakt. Eva en ik werden wakker van geklapper. Commotie in de tenten nabij de onze. Snel stond ik in t-shirt en bijna blote kont buiten om met een zaklamp de haringen te controleren. Ons aërodynamische tentje stond als een huis, met uitzondering van één enkele flap. Deze was snel weer bevestigd, maar onze vrienden hadden meer moeite het droog te houden. Tentstokken leunden in vervaarlijke bochten, Bart parkeerde de auto’s dwars voor de tenten om de wind die in deze graslanden vrij spel had te breken en in Henco’s tent moest iedereen zich goed aan het zeil vasthouden om te voorkomen dat het gevaarte opsteeg. In onze tent voelde ik me heel wat veiliger, en ik had nog een warme Eva om tegenaan te kruipen ook.

Na heerlijk geslapen te hebben was het ‘s ochtends zaak een lange neus naar de anderen te maken en op te scheppen over onze supertent. In opperbeste stemming lieten we ons naar The Old Man of Storr vervoeren. Dit was geen oude man – dan hadden we net zo goed eindelijk weer eens bij opa op bezoek kunnen gaan – maar een merkwaardige rotsformatie. Henco, Gijs en ik wisten niet zo goed hoe we hier bij konden geraken. De klauterpartij begon ontzettend steil en de rest bleef wijselijk beneden.

Zand en gras gingen over in kiezelstenen en rotsen. We hadden steeds minder houvast en moesten na gaan denken hoe we verder konden. Terug was geen goed plan – van zo hoog zag iedereen er erg klein uit, al was het uitzicht over de kustmeren adembenemend. Dan maar verder, al leek de beklimming een steeds minder goed idee en begonnen we zelfs een beetje bang te worden. Er kwam een venijnige wind opzetten die onberekenbaar langs de gladde rotswanden rukte, waardoor we meer plat liggend dan staand verder trokken; stap voor voorzichtige stap. Oh wat een ontzettend slecht plan was dit om ons zo in gevaar te brengen. Zouden we een val vanaf deze hoogte wel overleven?

Zenuwachtig lachend van opluchting bereikte ik een smalle richel onder de overkappende ‘oude man’. Gijs arriveerde ook, waarna we een trillende Henco bij ons konden trekken. De wind beukte zonder waarschuwing op ons in, maar na een verraderlijke bocht stonden we aan de achterkant van de gigantische rotsmassa.

Vooral niet naar de pipo's in kilt kijken (EH)

“Hoi,” zei Maarten. Met onze monden opengezakt van verbazing wachtten we op uitleg. “Je kon ook het pad nemen,” verklaarde Maarten. Dit was dan wel niet zo steil en het duurde een tijdje, maar aftasten waar je je voet kunt planten opdat je geen zestig meter de diepte in stort is ook een tijdrovende bezigheid. Even later voegde de rest zich bij ons en voelden wij ons een beetje dom. Meer bewezen hebbend impulsief en onverantwoordelijk te zijn dan stoer hielden we ons op de terugweg letterlijk en figuurlijk wat meer op de vlakte. Die Schotse afwateringsmethodes waren ook best interessant om te bestuderen.

Het volgende dieptepunt was Kilt Rock. Vlak voorbij Rubha nam Brathairean (inderdaad, de Schotten drinken graag whisky) loopt de kust loodrecht naar beneden. Gijs en Henco grepen de naam van het indrukwekkende schouwspel aan om zichzelf voor paal te zetten en de rest keek langer naar de vele vogeltjes dan ik strikt noodzakelijk achtte. Het was tenminste droog. En er was meer te zien dan op Staffin Island, wat eigenlijk niet veel meer dan een kleivormige klomp in het water was. Vroeger, ja, toen stond er nog een kasteeltje van McDonalds. McDonalds kom je in elke stad tegen, maar blijkbaar waren de Schotten toch geen grote fans van de fastfoodketen. Ik heb er ook nog nooit McHaggis op het menu zien staan.

Onze omtrekking van noordelijk Skye (Trotternish) besloten we in havendorp Uig. Hiervandaan vertrokken de boten naar Lewis en Uist, ofwel de buitenste Hebriden. Zien de gatenkazen van eilanden er op de landkaart mysterieus en aanlokkelijk uit, in realiteit is er vast net zo weinig te beleven als op Skye. Er zit een mooie strik om, maar waar is het avontuur, de ongereptheid, het onontdekte? Nee, Schotland is mooi, maar hoeren kunnen ook mooi zijn, als je begrijpt wat ik bedoel.

Misschien lag het nog niet door toeristen beduimelde Schotland meer naar het westen. Daarvoor moesten we voorbij Dunvegan, waar een groot kasteel over de baai uitkijkt. De bootjes die ons naar de zeehonden (suffe beesten) zouden varen lagen voor anker vanwege het slechte weer. Je zou verwachten dat die Schotten na eeuwenlang pokkenweer bootjes uit hadden gevonden die het met een beetje wind en regen ook deden. Of anders naar betere oorden verhuisd waren.

Het kasteel zelf was de tegenpool van Eilean Donan: lelijk aan de buitenkant, maar helemaal zacht en karamel aan de binnenkant. Hier las ik over het eiland St. Kilda, waar een aparte tentoonstelling aan gewijd was. St. Kilda is een eiland dat zo’n 60 kilometer ten westen van de buitenste Hebriden ligt. Op de rots Boreray na ligt er niets in de buurt en het is dan ook niet raar dat dit vergeten stukje land in de Atlantische Oceaan onbewoond is. Dat is het niet altijd geweest: ook dit slap aftreksel van een eiland werd gekoloniseerd door de Schotten. De bewoners leefden voornamelijk van zeevogels: het vlees en de eieren werden gegeten, het vet verbrand om warmte en licht te genereren en de veren dienden als kussens in de uit grove stenen opgetrokken huizen. De vrouwen onder de geharde eilandbewoners konden van de mannen onderscheiden worden doordat hun baarden korter waren. En iedereen liep er blootsvoets.

Op zoek naar het meest verlaten punt (EH)

Op de natte rotsen wilde nauwelijks iets groeien. Af en toe aten de bewoners van St. Kilda een zoete aardappel, maar de zeevogels waren toch geliefder onder de afnemende bevolking. Contact met het ‘vasteland’ was er amper. Als het er was vond het plaats per varkensblaas: aan het opgeblazen orgaan werd een boodschap bevestigd die vaker niet dan wel zijn bestemming bereikte. Bij een gunstige stroming spoelde de varkensblaas op de buitenste of binnenste Hebriden aan. Soms week de zeepost noordwaarts af en bereikte dan de kust van Noorwegen. De rest ging verloren in de uitgestrektheid van de Atlantische Oceaan.

Na enkele decennia waarin de oorspronkelijk 180 hoofden tellende bevolking van St. Kilda jaarlijks afnam werd de situatie voor diegenen die nog in leven waren onhoudbaar. Het karige leven op deze aan de elementen overgeleverde rots was niet langer vol te houden en de bewoners gooiden een laatste varkensblaas in het ruime sop. De boodschap werd gehoord. ‘St. Kilda is toch niet zo tof. Komen jullie ons halen?’ of iets van die strekking stond er op het briefje. De voltallige bevolking (36 inwoners) werd opgehaald, waarna St. Kilda sinds 1930 een spookeiland is waar verlaten huizen over de eindeloze watervlakte uitkijken.

St. Kilda klonk als een plaats om over te mijmeren en misschien maar beter niet te bezoeken om het romantische eilandbeeld niet te verliezen. Voor je het weet ontmoet je er personen als die we in het café in Dunvegan tegen het lijf liepen. Als Schotse VVV’s van deze kroeg hadden geweten hadden ze er prikkeldraad omheen gezet, maar voor ons was het te laat. We ontdekten hoe de Schotten in werkelijkheid leven: niet in kilt gekleed, doedelzak spelend tussen de plaids, maar ongeschoren, onverzorgd en nors voor zich uit starend. Hier hadden de inwoners van Skye niets om voor te leven; in het beklemmende, verstikkende dranklokaal werd voetbal gekeken en gewacht op de volgende werkdag, zo die er al zou zijn. Terwijl het buiten grauw, maar droog was.

Na een dood glas thee gedronken te hebben verlieten we de trieste en enigszins vijandige sfeer gauw. Wij konden tenslotte vrijuit gaan waar we wilden. Op naar het laatste dorp van Skye: Lorgill. De kaart die ik van mijn ouders had geleend dateerde uit 1975 en toonde een niet ingekleurde weg die westelijk Skye inkronkelde. Slechts enkele zwarte stipjes wezen op menselijke nederzettingen. De doorzichtige weg was weinig meer dan een modderpad dat zich slingerend door de heuvels baande. Lorgill hebben we nooit bereikt. Waarschijnlijk is het daar nu net zo uitgestorven als op St. Kilda.

Nog voor het op één na laatste dorp op mijn kaart, Ramasaig, werd de weg door een hek versperd. Hierachter stond een stal waarin een boer zijn schapen verzamelde. Voor het hek stond een laatste woonhuis. Verlaten. Te huur. Zelfs hier verwachtten de Schotten toeristen; zelfs hier hoereerde het regenachtige land voor wat geld van bezoekers.

We volgden de weg een tijd te voet, maar deze was niet langer verhard en werd al snel onbegaanbaar. Dan maar langs de vele schapen door de wei, op weg naar de kust. Na een afdaling langs de steile heuvel bereikten we gladde rotsblokken met daartussen getijdenpoelen. Een indrukwekkende klif, waarschijnlijk Hoe Rape en anders Waterstein Head, domineerde het uitzicht. Twintig kilometer langs deze moeilijk begaanbare rotskust en we zouden het dorp Roskhill bereiken, dikke kans zonder een toerist te zien. Een loodzware tocht door de ongerepte natuur die we eindelijk hadden gevonden.

Het begon weer harder te regenen en we sjokten met zware, natte kleding terug naar de auto’s. Het was tijd om terug te gaan naar Portree. Ver voor Dunvegan postte ik ansichtkaarten. De laatste brievenbus van de bewoonde wereld. Eén keer per week vond hier een lichting plaats, viel er op het vergeelde briefje achter een glazen plaatje te lezen. De kaarten waren eerder in Nederland dan ikzelf. Schotland bleek een land om op landkaarten te bewonderen, om verliefd op te worden vanwege zijn kusten waar met een mes diepe voren in gekerfd leken te zijn. Om zijn onbereikbare gehuchten en tientallen eilanden. Niet om te bezoeken en vervolgens te verdrinken in bed en breakfasts, plaids en de nimmer aflatende neerslag. Ergens is met dit land iets misgegaan.

Eigenlijk een soort Frankrijk
Naß, naß, naß

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*