Steppegras

Geen imposante gebouwen. Geen welkomstboog. Geen verandering in landschap of gevoel van euforie. Niets onderscheidt de westelijke oever van de oostelijke. In de Kazachse oliestad Atyrau rijden we via een onopvallende brug over de rivier de Oeral Azië binnen. Een anticlimax, zeker na de hellerit van 360 kilometer deze dag.

Bij de grensovergang tussen Rusland en Kazachstan wisselen sjacheraars roebels en tenge tegen een schappelijke koers. Er wordt gedroogde vis verkocht, de douaniers zijn vriendelijk en in de zeecontainer waar autoverzekeringen worden verkocht laat de Kazachse verzekeraar zich overhalen toch echt beter te zoeken in zijn computerprogramma, in plaats van ‘Greenlandia’ aan te vinken bij mijn nationaliteit.

Daarna begint de ellende. De weg aan de Kazachse zijde van de grens is om te huilen. Alsof een regiment goelagarbeiders is gedwongen het asfalt met pikhouwelen te lijf te gaan. Slalommend over de door vrachtverkeer kapotgereden restanten van de E40 schakelen we uren lang tussen de tweede en derde versnelling – als we niet terug hoeven naar de eerste. ‘Atyrau – 282 kilometer’, lezen we gefrustreerd op een bord naast de weg. Briketten van dierenmest liggen voor de lemen huizen te drogen. Koeien en kamelen slenteren ongeïnteresseerd over de steppe. Elektriciteitsmasten naast de weg zijn dikwijls afgebroken en met weinig gevoel voor esthetiek gerepareerd; alsof de houten palen met ducttape en tiewraps aan elkaar zijn bevestigd. De spaarzame dorpen zien er troosteloos uit; met grote, bruine plassen die de aanblik van modderige straten nog verder bederven. Nederland voelde nog nooit zo ver weg.

We zijn een maand onderweg als we in de schemering Europa achter ons laten en de Oeral oversteken. Liever waren we vandaag honderden kilometers verder gekomen, maar we leggen ons er uitgeput bij neer dat we onze eerste nacht in Azië in Atyrau doorbrengen. Een stad met een slechte reputatie, waar de meeste Kazachen het door in de olie-industrie werkzame expats niet op buitenlanders begrepen hebben. Toeristen hebben in deze stad niets te zoeken. In de hotelbar zien we alleen prostituees en mannen die op een groot scherm voetbal kijken.

Diezelfde olie-industrie is ervoor verantwoordelijk dat we de volgende dag een stuk beter door kunnen rijden. Het grootste gedeelte van de weg tussen Atyrau en Shetpe bestaat uit redelijk asfalt, waar we 90 kilometer per uur halen. Tenminste, wanneer we niet achter een transportkonvooi van InStar hangen, gespecialiseerd in het vervoeren van raketonderdelen en enorme bouwstukken voor olieraffinaderijen. Of wanneer de Kazachse verkeerspolitie ons aan de kant zet omdat we zogenaamd een stopverbod negeren. De corrupte agent hoopt op een snelle steekpenning, maar ik blijf erop aandringen het op een correcte wijze op te lossen en samen naar het dichtstbijzijnde politiebureau te rijden. Geërgerd laat de agent ons na een kwartier weer verder rijden. Ik hoop dat de man zich schaamt dat hij ons geld afhandig wil maken voor zijn verzinsel, maar die wens is misschien te hoog gegrepen.

De steden van de doden zijn in West-Kazachstan talrijker dan die van de levenden. Af en toe zien we aan de horizon de grafmonumenten van een ata verschijnen. De graven in de vorm van kleine, dicht op elkaar gebouwde stenen huisjes met koepeldaken bieden van veraf de aanblik van dorpen. De haveloze nederzettingen van de levenden worden minder goed onderhouden en liggen soms honderd kilometer uit elkaar; meestal nog meer. Het desolate landschap lijkt te twijfelen tussen steppe en woestijn. Af en toe passeren we een tractor met een aanhanger vol kamelen. Eenzame slangen en schildpadden steken hier en daar de weg over. We rijden van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, maar meer zien we niet. In het donker volgen we een zandpad de steppe op. Waar we precies kamperen in het uitgestrekte niets doet er niet toe.

Overal om me heen zie ik wuivend steppegras als ik de volgende morgen uit de bus stap. En een gammele UAZ-39094 die onze kant op komt rijden. Een Kazach die zich voorstelt als Adıl Bek stapt uit en geeft ons een petfles kamelenmelk. Naast ons neerhurkend deelt hij de vette, gefermenteerde melk met klontjes met ons, ondertussen een takje alsem plukkend en tussen zijn vingers wrijvend. Het steppegras verspreidt een heerlijke geur. De kamelenmelk smaakt verrassend lekker. Het vult bovendien goed – meer hebben we als ontbijt niet nodig.

Als in een trance rijden we verder door Mangystau. Het oblast is vier keer zo groot als Nederland en heeft een bevolkingsdichtheid van krap vier inwoners per vierkante kilometer. De uren gaan voorbij; het landschap verandert nauwelijks. Toch zit de liefde van de Kazachen voor hun steppe diep: de vrijheid, de geur, de wind, het eindeloze. Niets dan wuivend gras tot aan de Kaspische Zee, honderden kilometers verderop. In een omgeving als deze maken de vreemde rotsformaties van Mangystau des te meer indruk. Vlakbij Shetpe torent de berg Sherkala als een gigantische yurt boven de steppe uit. Onderaan de rots, met zijn steile witte wanden en de roze band daarboven, liggen de graven van Kazachse krijgers. Gedetailleerde steengravures van zwaarden en bijlen zijn in de kulpytases uitgehakt. Een kameel die in dit vijandige landschap bezweken is heeft zo te zien geen grafsteen gekregen.

Het asfalt is direct een stuk pokdaliger zodra we de doorgaande weg naar oliestad Aktau verlaten, maar het kan altijd erger. Na het dorp Tauchik rijden we 25 kilometer over een onverhard wasbord. Het voelt alsof elk schroefje en elke bout van de bus los trilt op de harde ribbels die ons naar de ondergrondse moskee van Shakpak Ata leiden. Af en toe moeten we uitstappen om te kijken of de bus het wel aankan. Hevige regen of plotselinge modderstromen hebben de zandweg op sommige plekken gedeeltelijk weggeslagen, maar de bus haalt het. We worden meteen uitgenodigd aan de dastarkhan door een gezin uit Aktau. Op de lange, lage tafel staan vis, broodjes vlees, aardappelbroodjes, kazy (Kazachse paardenworst) en thee.

Samen met het gezin, onderzoekers van de Kazakh Geographic Society en twee pelgrims die toevallig allebei Ruslan heten, lopen we ‘s avonds naar de ondergrondse moskee. De Ruslans lijken op het eerste gezicht elkaars tegenpolen. De eerste is een sjofel geklede gelovige uit Zhanaozen, een stoffige mijnstad in het binnenland van Mangystau. Elk jaar brengt hij zo veel mogelijk tijd hier door, op deze mooie, rustige en spirituele plek. De tweede Ruslan komt uit Astana en is gekleed zoals je van iemand uit de hoofdstad verwacht. “Astana is een groeiende, bloeiende stad. Onze stad is Europees,” vertelt hij me trots. Ruslan is op bezoek bij zijn familie in Aktau, 130 kilometer naar het zuiden. Over een paar dagen vliegt hij weer naar Astana. Zodra de dienst begint doen alle verschillen er niet meer toe. Ook wij zijn welkom en worden door de imam bij alle rituelen betrokken.

Terwijl de ondergaande zon de uitgestrekte ata onderaan de rotsen in vuur en vlam zet, heft de imam een monotoon, nasaal gezang aan dat richting keelzang lijkt te gaan. Het gezang wordt op meerdere plaatsen herhaald: op de begraafplaats, bij een houten paal die door alle mannen wordt aangeraakt, in de ondergrondse moskee zelf en op het plateau daarboven, waar de wind de rotsen heeft geërodeerd tot een indrukwekkende stenen honingraat. Op elke plek bevinden zich shiraktas waar de imam in zwart schapenvet gedrenkte lappen stof verbrandt, waarna alle aanwezigen één voor één hun handen boven het vuur warmen, om ze daarna met een reinigend gebaar over hun gezicht te bewegen.

Die nacht regent het hard. De agamen trekken zich er weinig van aan, maar de zandpaadjes die ons terug naar de weg moeten leiden zijn veranderd in modderbanen. Glijdend, glibberend en af en toe dwars op het pad staand komen we steeds verder, tot we honderd meter voor de grindweg vastzitten. Niets helpt om ons los te krijgen en ik moet op pad om ergens een teken van leven te vinden. Een kilometer of vijf verderop zie ik eindelijk een huis. Erg vlot, naar Kazachse maatstaven. Acht enigszins vijandig kijkende Kazachen, waarvan een deel bivakmutsen draagt, zijn bezig een wild paard te temmen. Behendig ontwijken ze de hoeven van het dier, dat angstig met zijn achterpoten trappend in de kraal rondspringt. Er wordt gestaard, gehoest zonder hand voor de mond en op de grond gefluimd, maar uiteindelijk lopen er twee mannen naar een Toyota met vierwielaandrijving, gebarend dat ik in moet stappen. Ze vragen nog even hoe rijk ik ben, maar eenmaal terug bij de bus heeft Eva al hulp geregeld en hebben een paar Russische toeristen haar al uit de modder getrokken. Schouderophalend stap ik uit en rijden de Kazachen weer weg.

De natte omstandigheden zijn te veel voor onze bus, dus opnieuw de modder in voor een bezoek aan Sultan Epe durven we niet aan. Met een stinkend bejaard echtpaar dat hun gouden tanden bloot lacht als verstekelingen achterin, ploegen we over belabberde zandwegen terug naar Tauchik. Na de glooiende steppe van het Mangyshlak schiereiland kunnen we opgelucht ademhalen op de betere weg naar Aktau. Na een laatste necropolis, de tot de proporties van een kleine stad uitgegroeide Koshkarata, bereiken we de hoofdstad van Mangystau. Ondanks de kleine 200.000 inwoners is Aktau een stad zonder geschiedenis en zonder bezienswaardigheden. Of je moet de rotsachtige kust van de Kaspische Zee, met zijn stranden vol glasscherven of de Kazachse helden die huizenhoog op de zijkant van flatgebouwen staan afgebeeld als toeristische trekpleisters meetellen. Net als in Atyrau zijn de enige buitenlanders die hier komen werkzaam in de olie-industrie en dat betekent dure winkels en onbetaalbare hotels.

“Maar met de olie-industrie gaat het helemaal niet goed,” vertelt onze gids Marat van Экспедиция +362. In zijn 4WD zijn we onderweg van Aktau naar het Ustyurt plateau; een steenwoestijn in het uitgestorven grensgebied met Oezbekistan en Turkmenistan. “Het gemiddelde maandloon was hier twee maanden geleden nog €1000. Nu is dat €400 door de dalende olieprijs. De sancties die het Westen Rusland heeft opgelegd treffen ons ook hard.” Dat Kazachstan meer aan Rusland hangt dan aan de Verenigde Staten wordt me in Aktau wel duidelijk als we proviand inslaan voor onze tour. Vrouwen lopen in het winkelcentrum rond in blingbling shirts met het woord ‘nigger’ en in Marats auto klinken nummers als ‘I just fucked two bitches’. De meeste Kazachen zijn zich zalig onbewust van de betekenis van al die Engelse woorden.

Helemaal aan de grond zit de oliehandel nog niet. Een Turks bedrijf is bezig een perfecte asfaltweg aan te leggen door de Karagiye depressie. Met 132 meter beneden zeeniveau is dit de laagst gelegen plek in de voormalige Sovjet-Unie; een enorme kuil met een diameter van veertig kilometer. Daarna volgt een naargeestig landschap van oliebronnen en jaknikkers, tot het asfalt even voorbij Zhanaozen plotseling ophoudt. Dan hebben we nog 130 kilometer te gaan. Het lijkt Marat weinig uit te maken uit welk materiaal de weg bestaat en hoe groot de kuilen zijn. Hij rijdt stevig door. De rotsformaties en bergkammen van het verlaten Ustyurt plateau ogen steeds buitenaardser, als een wit met rood gestreept marslandschap. Mensen zien we niet meer; schildpadden en kamelen nog wel. In het zand staan sporen van gazellen of saiga’s.

Na urenlang rijden wordt het doel van onze rit in de verte zichtbaar: de witte toppen van Bozhira. Langzaam komen de rotspieken dichterbij, terwijl Marat ingespannen naar de nauwelijks zichtbare sporen voor onze auto blijft turen. In deze omgeving groeit niet meer dan een handvol kleine, weerbarstige plantjes; resistent tegen het zout en de temperaturen die hier in de zomer tot 50ºC oplopen. De auto is nog maar nauwelijks gestopt of Ilva en Rune rennen weg en klauteren als spinnen tegen de bergwanden van Bozhira op. Marat bereidt intussen plov boven een vuurtje in een zojuist gegraven kuil. ‘s Nachts wordt de eenzaamheid van Mangystau pas echt duidelijk. Een decor van miljoenen sterren steekt scherp af tegen de gitzwarte contouren van Bozhira.

Na het natuurschoon van Bozhira en de contrasterend groene valleien even verderop is een bezoek aan Beket Ata een deceptie. In de brandende hitte dalen we over honderden traptreden af naar de bodem van de vallei, waar tientallen gelovigen net als ons de ondergrondse moskee in willen. De deur blijft echter gesloten en na een tijd houden we het voor gezien op het overvolle plateau. Hoe heet het ook is en hoe verschrikkelijk afgelegen dit pelgrimsoord in de woestijn mag liggen, de parkeerplaats staat vol auto’s en busjes die de oncomfortabele reis hebben gemaakt.

Het leven in Kazachstan verschilt veel van het onze. Dat ervaren we ook bij de zandduinen van Senek. “Vroeger regende het hier één keer in de maand, nu vaker,” horen we een Kazach verheugd vertellen. “Kijk toch hoe groen alles is!” Ook nu begint het te miezeren. Het buitje maakt het wegdek net een tikje gladder dan Marat verwacht. Hij schat verkeerd in hoe een kameel de weg oversteekt en raakt het arme dier in de zij. Vloekend stapt onze gids uit, eerst zijn auto bekijkend, dan de kameel die tevergeefs probeert op te staan. “Wegwezen,” roept Marat naar me en maakt duidelijk dat ik in moet stappen. In Kazachstan kun je iedereen inhalen terwijl je aan het bellen bent, als chauffeur filmpjes kijken tijdens het rijden, onverantwoord hard over miserabele wegen rijden en overal mee wegkomen, om vervolgens met je aandacht er wel bij een kameel te raken. We voelen ons rot voor Marat, die op de terugweg naar Aktau een stuk stiller is.

Het moet geweldig zijn om een eigen 4WD en zeeën van tijd te hebben in het ruige Mangystau. Met een paar ondergrondse moskeeën en de fantastisch geërodeerde rotsen die we hebben gezien hebben we het gevoel slechts een tipje van de sluier opgelicht te hebben, maar onze tijd in Kazachstan is beperkt. Veel meer kunnen we hier met onze bus toch niet uitrichten. Het is nog een volle dag rijden naar Beyneu, een troosteloze plaats waar we moeten overnachten voor ons Oezbeekse visum een dag later ingaat. Daarna is het nog tachtig kilometer naar de grens, dan nog ruim 200 naar de eerste plaats in Oezbekistan. Daartussen: woestijn. En daarmee eindigt Kazachstan voor ons zoals het begon: met een erbarmelijke weg, kamelen die ons verwonderd aanstaren en een eindeloos niets om ons heen.

The VVitch: A New England Folktale
Identiteit en transformatie

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*