’t Is helemaal niet eenzaam aan de top

Iedereen op de Balkan was ons vriendelijk gezind, maar Montenegro interpreteerde ‘een warme ontvangst’ toch heel anders. Een bosbrand in de Pivakloof zorgde voor spectaculaire uitzichten boven de weg recht voor ons. Met de bergwanden die ons aan weerszijden insloten werd ons langzaam maar zeker duidelijk dat we de raampjes van de auto beter konden sluiten. Dikke, zwarte rookwolken stegen op uit de bossen die zich aan de hellingen vastklampten. De Montenegrijnen hadden vaker met dit bijltje gehakt, maar de lichaamstaal van de in reflecterend hesje gestoken man die de weg vrij probeerde te houden van de grootste omlaag gerolde rotsblokken en verkoolde boomstammen sprak boekdelen. Ja jongen, rij maar snel door want meer kan ik er ook niet van maken.

Warm onthaal in Montenegro (EH)

Een andere weg naar Durmitor was er niet en er niet helemaal gerust op slalomden we verder tussen het puin, terwijl de vlammen boven ons steeds hoger aanwakkerden. Een dag later was de weg afgesloten voor alle verkeer. Hoe we dat wisten? Nou, Daan had weer eens een shortcut ontdekt op de landkaart. Ons erover verheugend dat hij deze tour niet als bijrijder bij ons in de auto zat lazen we ’s avonds op de camping zijn sms’je. De door hem gevonden grensovergang liet enkel voetgangers passeren, kregen Daan en Naomi te horen. Het leedvermaak mocht niet baten om de nog altijd wat pipse Gijs op te vrolijken. Dat deden zelfs de kruispunten in tunnels onderweg niet – de Færøerders zouden jaloers zijn op de virtuositeit die de Montenegrijnen op graafgebied tentoonspreidden. Na uren langs de in het zonlicht glinsterende Piva en de door wind verweerde bergtoppen van nationaal park Durmitor te hebben gereden vonden we onze camping met het karige totaal van twee toiletten en twee douches voor alle bezoekers samen. “Waar gaan jullie staan, want dan zet ik mijn tent daar zo ver mogelijk vandaan,” mopperde Gijs naar ons. “Waarom?” wilde Eva verontwaardigd weten. “Omdat Ilva en Rune daar liggen. Die maken herrie,” klaagde Gijs. “Ha, dat moet jij zeggen!” pareerde Jaap. Maar eerlijk is eerlijk, na een nacht eerder brullend door de kamer te hebben gerend hield Gijs zich die avond rustig.

Maar goed ook, want Jaap en ik konden onze rust goed gebruiken. Terwijl de rest een poging zou ondernemen zich te vermaken bij het toeristische Crno jezero, of nog op de motor zat op weg naar Durmitor, stonden wij voor dag en dauw op om de hoogste berg van het park te bedwingen. Bobotov kuk (2523 meter) was tot voor kort zelfs de hoogste berg van het land, tot ze de pieken tegen de Albanese grens eens wat nauwkeuriger maten. Met vier wespensteken in mijn kuiten hadden we een vliegende start. Het liep best lekker, met van die verdoofde benen die maar niet moe werden en het voelde als een lichte teleurstelling dat we om elf uur ’s ochtends al boven waren. De toestroom van het dichterbij en veel hoger gelegen vertrekpunt Sedlo kwam ook net op gang en al gauw zat Bobotov kuk vol Duitsers die ons op whisky trakteerden en zich erover verbaasden dat wij er vanuit Žabljak zo rap waren gekomen.

Niet op de foto: een dozijn of wat Duitsers (JS)

Het was helemaal niet eenzaam aan de top en na een tijdje hadden we genoeg van de Duitsers en het door bosbrandrook benevelde uitzicht over de hoogste toppen van Durmitor en Veliko škrčko jezero. Aangezien we toch zulke snelle jongens waren, konden we na de steile gruishelling de ijsgrot Ledena pecina nog best even opzoeken. Een spannende afdaling over sneeuw en ijs leidde naar bevroren stalactieten en stalagmieten; koude, witte torens die zich er niets van aantrokken dat de zon buiten onophoudelijk scheen. Onze laatste stop op deze heroïsche bergtocht van op papier twaalf uur – wij hadden aan 9½ uur genoeg – was een goor bergschuurtje waar een nors kijkende herder kleine blikjes Nikšičko voor veel te duur verkocht. Het stonk er binnen een uur in de wind, maar de man vertikte het zijn hutje uit te komen om ons de biertjes te geven. Of het modder of schapenpoep was wat er boven op de blikjes plakte konden we niet met zekerheid bepalen, maar het bier smaakte goed. Een stuk beter eigenlijk dan het eten die avond in Hotel SOA, waar helemaal geen Balkansfeer hing ondanks de Dalmatische stew, Njeguški steak en het lamsvlees vol kniertjes op de menukaart.

Aan Balkantaferelen de volgende dag geen gebrek. De vrachtwagen waar Jaap, Janine, Gijs en Nelleke achter hingen liet een spoor van rookpluimen en rubber achter op de slingerende weg naar de Tarakloof. Onverantwoorde inhaalmanoeuvres en de merkwaardige lichtval door alle rook van de bosbranden in Montenegro maakten het surrealistische plaatje compleet. En die Tarakloof zelf mocht er ook wezen: met een lengte van tachtig kilometer en op sommige plekken tot 1300 meter diep was dit de grootste kloof van Europa. Na wat gefluim in de diepte wilden Nelleke en ik dit best geloven. Met de Tara ergens ver onder ons ging het steeds verder naar het oosten, richting oude karavaanstadjes waar minaretten de kerktorens uit het straatbeeld verdrongen. Aan de horizon verschenen de Vervloekte Bergen.

Onze reservering in Gusinje was niet helemaal doorgekomen. Het geluid van de Black Cat, White Cat-achtige bruiloft die in het hotel werd gevierd kwam buiten wel goed door. Een kerel met een synthesizer en een muur van boxen achter zich maakte zeker dat niemand elkaar kon verstaan op dat feest. In een donker receptiehol waar zo te zien daags na de bruiloft de jaarlijkse rommelmarkt van Gusinje georganiseerd zou worden, drong de toeterfluitmuziek nog maar gedempt tot mij en Jaap door. Misschien kon de jongen wel wat voor ons regelen, in de appartementen aan de overkant van de straat. Klein minpunt was dat de appartementen nog niet af waren. De Albanese en Kosovaarse bouwvakkers keken ons verschrikt aan toen de opzichter beweerde dat de badkamer binnen twee, hooguit drie uur stromend water zou hebben. Dat werd doorwerken.

Onvindbaar in de Vervloekte Bergen (GC)

De industrieterreinsfeer van het complex, de tetterende Balkanmuziek die door de ramen schalde en vooral de exorbitante prijs die voor al dit moois werd verlangd, deden ons besluiten ons geluk verderop te beproeven. Jaap wilde weten hoe ver precies, toen we al een kwartier over schijnbaar nergens heen leidende smalle, hobbelige paadjes richting een muur van bergen reden. Nou, de Bradt reisgids had het over de ongerepte Grbajevallei, maar die was niet te vinden zonder lokale hulp. Niet als je er naar zocht misschien, maar met wat geluk beland je er net als wij per ongeluk. “Zijn jullie verdwaald?” vroeg een in Utrecht woonachtige Montenegrijn ons. Ja, gelukkig wel!

Als je ooit een timmerman zoekt en je krijgt een sollicitatiebrief van een Bosniër of Montenegrijn, dan is alleen die informatie al grond genoeg om hem de functie te ontzeggen. Na de hut in Umoljani was ook onze kamer in Grbaje bepaald geen hoogstandje van timmermanskunst. En jawel hoor, dat ik koud aan het douchen was kwam doordat die incompetente sukkels de blauwe en rode knop verkeerdom gemonteerd hadden. De locatie maakte gelukkig alles goed. Ingesloten door de Vervloekte Bergen – in de reisgids omschreven als een amfitheater van de goden, Wagneriaans en hypnotiserend; een beschrijving die niet eens overtrokken overkwam – en met voldoende rakija en lamsvlees om ons een paar dagen zoet te houden. Vooral het buikvlies smaakte wonderwel. Op het spotten van een zandadder na (de enige dodelijke slangensoort in Europa) deden we er niet bijzonder veel. Een goeie voorbereiding op Kosovo dus. Daar doet bijna niemand bijzonder veel.

Dat ruimen we nog op – echt waar!
Goeie vibraties

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*